Exmedica
 




Delen via:




Bestanden

    Home > Bestanden

Bupivacaine HCl Claris 5 mg/ml oplossing voor injectie, oplossing voor injectie

Download: IB-tekst PDF
Registratienummer: RVG 102425
Registratiehouder: Claris Lifesciences


SAMENVATTING VAN DE PRODUCT KENMERKEN

1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL

Bupivacaine HCl Claris 2,5 mg/ml oplossing voor injectie
Bupivacaine HCl Claris 5 mg/ml oplossing voor injectie


2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

Voor 2,5 mg/ml
Elke ml bevat 2,5 mg bupivacaïnehydrochloride monohydraat.
Elke injectieflacon met 10 ml oplossing bevat 25 mg bupivacaïnehydrochloride
monohydraat.

Elke injectieflacon met 20 ml oplossing bevat 50 mg bupivacaïnehydrochloride
monohydraat.

Voor 5 mg/ml
Elke ml bevat 5 mg bupivacaïnehydrochloride monohydraat
Elke injectieflacon met 10 ml oplossing bevat 50 mg bupivacaïnehydrochloride
monohydraat.

Elke injectieflacon met 20 ml oplossing bevat 100 mg bupivacaïnehydrochloride
monohydraat.

Hulpstof:
Elke ml van de oplossing bevat 3,15 mg natrium.
Voor een volledige lijst van de hulpstoffen, zie rubriek 6.1.


3. FARMACEUTISCHE VORM


Oplossing voor injectie.
Een heldere, kleurloze, waterige, steriele oplossing.
pH van de oplossing is tussen 4,0 - 6,5 en de osmolariteit is 290 mOsmol/liter.


4. KLINISCHE GEGEVENS




4.1 Therapeutische indicaties

Bestemd voor plaatselijke anesthesie door perifere zenuwblokkade(s). Eveneens voor
centrale zenuwblokkade(s) (caudaal of epiduraal), dat wil zeggen bij gebruik door
specialisten in situaties waarbij langdurige anesthesie noodzakelijk is.
Bupi/SPC/01 01.05.10
1
of
14

Bupivacaine HCl Claris is ook geïndiceerd voor de verlichting van pijn tijdens de
bevalling.

4.2 Dosering en wijze van toediening



De dosering kan variëren en hangt af van het te verdoven gebied, de doorbloeding
van het weefsel, het aantal neuronale segmenten die geblokkeerd moeten worden, de
individuele verdraagbaarheid en van de door de anesthesist gehanteerde techniek.
Men moet de laagste dosis toedienen die nodig is om de gewenste anesthesie te
bereiken. De duur van anesthesie met Bupivacaine HCl Claris oplossingen is zodanig,
dat voor de meeste indicaties een enkele dosis voldoende is.

De maximale dosering moet worden bepaald door evaluatie van de omvang en de
lichamelijke conditie van de patiënt en overweging van de gebruikelijke mate van
systemische absorptie op een specifieke injectieplaats. Ervaring tot op heden geeft
een enkele dosis tot 150 mg bupivacaïnehydrochloride monohydraat aan. Doses tot 50
mg elke 2 uur mogen opeenvolgend toegediend worden. Een maximale dosis van 2
mg/kg mag in een periode van vier uur niet worden overschreden.

Wanneer langdurige blokkades worden toegepast door middel van een continu infuus
of bij herhaalde bolustoediening, moet men rekening houden met de risico's van het
bereiken van een toxische plasmaconcentratie of het optreden van een lokale
zenuwbeschadiging.

De doseringen in de volgende tabel worden aanbevolen als richtlijn voor toepassing
bij de gemiddelde volwassene. Individuele variaties in aanvang en duur kunnen
voorkomen. Voor jonge, oudere of verzwakte patiënten moeten deze doseringen
verlaagd worden.

Aanbevolen doseringen voor volwassenen


Conc. Volume Dosis mg
Aanvang na Duur in
mg/ml ml
min.
uren
Anesthesie bij chirurgische ingrepen
Lumbale epidurale toediening1
Operatie
5 15-30
75-150 15-30 2-3
Sectio
5 15-30
75-150 15-30 2-3
caesarea
Thoracale epidurale toediening1
Operatie
2,5 5-15 12,5-37,5 10-15
1,5-2
5 5-10
25-50 10-15 2-3
Caudaal epiduraal blok1

2,5
20-30 50-75
20-30
1-2

5
20-30 100-150 15-30
2-3
Grote
5
10-35 50-150
10-30
4-8
zenuwblokkade2
Bupi/SPC/01 01.05.10
2
of
14

(bijv. plexus
brachialis,
femoraal, nervus
ischiadicus)
Veldblok

2,5
<60 <150
1-3
3-4
(bijv. beperkte
5
<30 <
150 1-10 3-8
zenuwblokkade en
infiltratie)
Acute Pijnbehandeling

Lumbale epidurale toediening
Intermitterende
2,5
6-15
15-37,5
2-5
1-2
injecties3
(Min.
(Min.

bijv.
interval
interval
postoperatieve
30 min.) 30 min.)
pijnbestrijding

Continu infuus4
2,5
5-7,5/h
12,5-18,8/h
- -
Thoracale epidurale toediening
Continu infuus
2,5
4-7,5/h
10-18,8/h
- -
Intra-articulair
2,5
<40
<100
5-10 2-4
h
na
blok5
uitwassen
(bijv. na knie -
artroscopie)
Veldblok
2,5
<60
<150
1-3 3-4
(bijv. beperkte
zenuwblokkade en
infiltratie)

Opmerkingen:

1)
Testdosis inbegrepen.
2)
De dosis voor een grote zenuwblokkade moet aangepast worden aan de plaats van
toediening en de lichaamsgesteldheid van de patiënt.

Interscalene en brachiale plexusblokkade kunnen gepaard gaan met een hogere
frequentie van ernstige bijwerkingen, ongeacht het lokaal anestheticum dat
gebruikt wordt, zie ook rubriek 4.4.
3)
Tot <500 mg/24 uur.
4)
Deze oplossing wordt vaak toegepast voor epidurale toediening in combinatie met
een geschikt opiaat voor pijnbehandeling. In totaal <500 mg/24 uur.
5)
Wanneer Bupivacaine HCl Claris met een andere techniek additioneel bij dezelfde
patiënt wordt gebruikt dan mag een totale dosis van 150 mg niet overschreden
worden.

In het algemeen vraagt anesthesie bij chirurgische ingrepen (bijv. epidurale
toepassing) het gebruik van hogere concentraties en doses. Wanneer een minder sterk
blok nodig is, is het gebruik van een lagere concentratie geïndiceerd. Het volume van
het gebruikte geneesmiddel beïnvloedt de mate van spreiding van het anestheticum.
Bupi/SPC/01 01.05.10
3
of
14


Om intravasculaire injectie te vermijden, moet vóór en tijdens toediening van de
hoofddosis herhaaldelijk worden geaspireerd. De hoofddosis moet langzaam of in
oplopende doses, met een snelheid van 25-50 mg/min geïnjecteerd worden, waarbij
de vitale functies goed geobserveerd moeten worden en er aanhoudend mondeling
contact met de patiënt moet zijn. Wanneer een epidurale dosis moet worden
geïnjecteerd, wordt een voorafgaande testdosis van 3-5 ml bupivacaïne met
adrenaline (epinefrine) aanbevolen.

Een onbedoelde intravasculaire injectie is herkenbaar aan een tijdelijke toename van
de hartfrequentie. Een onbedoelde intrathecale injectie is herkenbaar aan de
symptomen van een spinaal blok. Wanneer toxische symptomen worden
waargenomen, moet de injectie direct gestopt worden.

Pediatrische patiënten in de leeftijd van 1 tot 12 jaar

Conc.
Volume Dosis
Aanvang Duur in
mg/ml
ml/kg
mg/kg
min
uren
Acute pijnbehandeling (pre- and postoperatief)
Caudale
2,5
0,6-0,8
1,5-2
20-30
2-6
epidurale
toediening
Lumbale
2,5
0,6-0,8
1,5-2 20-30 2-6
epidurale
toediening
Thoracale
2,5
0,6-0,8
1,5-2 20-30 2-6
epidurale
toediening

De doses in de tabel zijn richtlijnen voor gebruik in de pediatrie, individuele
aanpassingen zijn mogelijk. Voor kinderen met een hoog lichaamsgewicht is een
geleidelijke verlaging van de dosering vaak noodzakelijk. Deze moet dan worden
gebaseerd op het ideale lichaamsgewicht.
Voor factoren die van invloed zijn op specifieke bloktechnieken en voor individuele
patiëntbehoeften dient men de standaardhandboeken te raadplegen.
Bij kinderen dient men de dosering te berekenen op basis van gewicht tot max. 2
mg/kg.

Voor doseringen die met deze sterkte niet praktisch of niet realiseerbaar zijn, zijn
andere sterkten van dit geneesmiddel verkrijgbaar.

4.3 Contra-indicaties


Bupivacaine HCl Claris is gecontra-indiceerd bij patiënten die overgevoelig zijn voor
bupivacaïnehydrochloride monohydraat, lokale anesthetica van het amide-type of
voor één van de hulpstoffen.
Bupi/SPC/01 01.05.10
4
of
14


Oplossingen van bupivacaïnehydrochloride monohydraat zijn gecontra-indiceerd voor
intraveneuze regionale anesthesie (Bierse-blok) en voor een paracervicaal blok bij
obstetrie.

De volgende algemene contra-indicaties moeten in overweging genomen worden in
geval van intrathecale anesthesie:
- actieve, acute aandoeningen van het centraal zenuwstelsel zoals meningitis,

tumoren, poliomyelitis and intracraniale bloedingen
- spinale stenose, ziekten van de wervelkolom (bijvoorbeeld: spondylitis,
tuberculose, tumoren) of recente trauma (bijvoorbeeld fracturen)
- septikemie
- pernicieuze anemie gepaard gaand met subacute degeneratie van het beenmerg
- pyogene infectie van de huid op de plaats van de injectie of in de naaste omgeving
- cardiogene of hypovolemische shock
- bloedstollingstoornissen of actueel gebruik van anticoagulantia.

4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Algemene voorzorgen en risico's bij het gebruik van bupivacaïne

Er zijn meldingen van hartstilstand bij het gebruik van bupivacaïne bij epidurale
anesthesie of bij perifere zenuwblokkade, waarbij reanimatie moeilijk is geweest en
waarbij de patiënt pas na langdurig reanimeren reageerde.
In sommige gevallen is reanimatie niet mogelijk gebleken ondanks kennelijk goede
voorbereiding en goede behandeling.

Zoals ieder lokaal anestheticum kan Bupivacaine HCl Claris acute toxische effecten
op het centraal zenuwstelsel en het cardiovasculaire systeem hebben wanneer het
wordt toegepast voor lokale anesthetische behandelingen die resulteren in hoge
bloedconcentraties van het geneesmiddel. Dit is speciaal het geval na onbedoelde
intravasculaire toediening.
Ventriculaire aritmie, ventriculaire fibrillatie, plotselinge cardiovasculaire collaps en
overlijden zijn gemeld in samenhang met hoge systemische concentraties
bupivacaïne.

Voor uitgebreide perifere zenuwblokkades kan toediening van een groot volume van
een lokaal anestheticum nodig zijn in vaatrijke gebieden, vaak dicht bij grote vaten
waar een verhoogd risico bestaat van een intravasculaire injectie en/of systemische
absorptie. Dit kan hoge plasmaconcentraties tot gevolg hebben.

Voordat een zenuwblok wordt gezet, moet voor intraveneuze toegang voor
reanimatiedoeleinden worden gezorgd. Clinici dienen adequaat en toepasselijk in de
procedure opgeleid te zijn en moeten vertrouwd zijn met de diagnosis en behandeling
van neveneffecten, systemische toxiciteit en andere complicaties (zie rubriek 4.9).

Bupi/SPC/01 01.05.10
5
of
14

Geschikte reanimatieapparatuur moet aanwezig zijn wanneer lokale of algehele
anesthesie wordt gegeven. De verantwoordelijke medicus moet de noodzakelijke
voorzorgen nemen om een intravasculaire injectie te voorkomen (zie rubriek 4.2).

Overdosering of onbedoelde intraveneuze injectie kan toxische reacties geven.

Herhaalde injecties van bupivacaïnehydrochloride kunnen bij elke herhaalde dosis
een significante verhoging van de bloedspiegel geven vanwege de langzame
accumulatie van het middel. Verdraagbaarheid hangt af van de toestand van de
patiënt. Verzwakten, ouderen en acuut zieke patiënten moeten een verlaagde dosis
krijgen in overeenstemming met hun fysieke toestand.

Risicopatiënten en risico's gerelateerd aan bepaalde anesthesietechnieken

Patiënten die behandeld worden met anti-aritmica klasse III (zoals amiodaron)
moeten goed geobserveerd worden en een ECG-monitoring krijgen, omdat extra
cardiale effecten kunnen optreden.

Alleen in zeldzame gevallen zijn lokale anesthetica van het amide-type in verband
gebracht met allergische reacties (in het ernstigste geval een anafylactische shock).

Bij patiënten die allergisch zijn voor lokale anesthetica van het ester-type (procaïne,
tetracaïne, benzocaïne etc.) is geen kruisovergevoeligheid gebleken voor die van het
amide-type, zoals bupivacaïne.

Lokale anesthetica moeten voorzichtig worden gebruikt voor epidurale anesthesie bij
patiënten met een verminderde cardiovasculaire functie, aangezien zij mogelijk
minder goed in staat zijn de functionele veranderingen in verband met de vertraging
van de atrioventriculaire geleiding die door deze geneesmiddelen wordt veroorzaakt,
te compenseren.

Omdat Bupivacaine HCl Claris wordt gemetaboliseerd in de lever moet het
voorzichtig worden gebruikt bij patiënten met een leveraandoening of slechte
leverdoorbloeding.

De fysiologische effecten veroorzaakt door een centrale neurale blokkade zijn sterker
bij patiënten met hypotensie. Hypovolemische patiënten kunnen, ongeacht de oorzaak
van de hypovolemie, acuut een ernstige hypotensie ontwikkelen tijdens een epidurale
anesthesie. Epidurale anesthesie moet daarom worden vermeden of voorzichtig
worden uitgevoerd bij patiënten met onbehandelde hypovolemie of een significant
gestoorde veneuze bloedstroom.

Bij epidurale anesthesie met een lokaal anestheticum moet rekening gehouden
worden met hypotensie en bradycardie en zal men adequate voorzorgen moeten
nemen. Dit kan onder meer zijn het voorvullen van de circulatie met een kristalloïde
of colloïdale oplossing. Als hypotensie ontstaat, dient dit te worden behandeld met
Bupi/SPC/01 01.05.10
6
of
14

een vasopressor, bijvoorbeeld efedrine 10-15 mg intraveneus. Ernstige hypotensie
kan het gevolg zijn van hypovolemie veroorzaakt door bloedingen of dehydratie, of
een aorta-cavale occlusie bij patiënten met massieve ascites, grote abdominale
tumoren of laat in de zwangerschap. Bij patiënten met decompensatio cordis moet
uitgesproken hypotensie voorkomen worden.

Bij patiënten met hypovolemie door elke oorzaak kan tijdens epidurale anesthesie
acute en ernstige hypotensie ontstaan.

Epidurale anesthesie kan een intercostale verlamming veroorzaken en patiënten met
pleurale effusie kunnen ademhalingsproblemen krijgen. Bloedvergiftiging kan het
risico van intraspinale abcesvorming in de post-operatieve periode doen toenemen.

Wanneer een kleine dosis van een lokaal anestheticum geïnjecteerd wordt in het
hoofd en de nek, met inbegrip van retrobulbaire, dentale en ganglion
cervicothoracicum blokkades, dan kan zich een systemische toxiciteit ontwikkelen als
gevolg van onbedoelde intra-arteriële injectie.

In zeer zeldzame gevallen kunnen retrobulbaire injecties de craniale subarachnoïdale
ruimte bereiken en hevige/ernstige reacties geven, zoals tijdelijke blindheid,
cardiovasculaire collaps, apneu en convulsies.

Retro- en peribulbaire injecties van lokale anesthetica vormen een klein risico voor
een blijvende disfunctie van de oogspier. De primaire oorzaken zijn onder meer
trauma en/of lokale toxische effecten op spieren en/of zenuwen. De ernst van
dergelijke weefselreacties hangt af van de mate van trauma, de concentratie van het
lokale anestheticum en de duur van blootstelling van het weefsel aan het lokale
anestheticum. Daarom dient, net als bij alle lokale anesthetica, de laagste werkzame
concentratie en dosis van het lokale anestheticum te worden gebruikt.

Bijzondere aandacht is geboden bij het injecteren van een lokaal anestheticum in
ontstoken of geïnfecteerde gebieden.

Elke ml van de oplossing bevat 3,15 mg (0,14 mmol) natrium. Hiermee dient
rekening te worden gehouden bij patiënten op een natriumarm dieet.

4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie


Bij het gebruik van Bupivacaine HCl Claris moet men voorzichtig zijn bij patiënten
die andere lokale anesthetica krijgen of middelen die, wat structuur betreft,
gerelateerd zijn aan het amide-type lokale anesthetica (bijv. bepaalde anti-aritmica,
zoals lidocaïne en mexiletine), omdat de systemische toxische effecten additief zijn.

Specifieke studies m.b.t. interacties van Bupivacaine HCl Claris en anti-aritmica
klasse III (bijv. amiodaron) zijn niet uitgevoerd, maar voorzichtigheid wordt
geadviseerd (zie ook rubriek 4.4).
Bupi/SPC/01 01.05.10
7
of
14


Gevallen van ernstige hypotensie zijn gemeld, wanneer clonidine met lokale
anesthetica, zoals bupivacaïne, in een blok werd toegepast.
De combinatie met ketamine kan neurotoxiciteit veroorzaken.

4.6 Zwangerschap en borstvoeding

Er is een beperkt aantal gegevens over het gebruik van bupivacaïne bij menselijke
zwangerschap. Uit dieronderzoek zijn een geringere overleving van jongen en
embryotoxische effecten gebleken (zie rubriek 5.3). Het potentiële risico voor de
mens is onbekend. Bupivacaine HCl Claris-injectie moet daarom niet tijdens de
zwangerschap worden gegeven, tenzij de risico's opwegen tegen de voordelen.
Bupivacaïneoplossingen zijn gecontra-indiceerd voor het maken van een
paracervicaal blok in de verloskunde, omdat een paracervicaal blok foetale
bradycardie kan veroorzaken (zie rubriek 4.3).
Bupivacaïne wordt uitgescheiden in de moedermelk, maar in dermate kleine
hoeveelheden dat er bij therapeutische dosering geen risico is voor het kind.

4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen

Bupivacaine HCl Claris-injectie heeft verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid
en op het vermogen om machines te bedienen. Men moet wel rekening houden met
eventuele duizeligheid en insulten.

4.8 Bijwerkingen
Ernstige systemische ongewenste reacties komen zelden voor, maar kunnen ontstaan
door overdosering (zie rubriek 4.9) of onbedoelde intravasculaire injectie.

Bupivacaine HCl Claris veroorzaakt dezelfde systemische toxiciteit als die welke
wordt waargenomen bij andere anesthetica. Het wordt veroorzaakt door hoge
plasmaconcentraties als gevolg van te hoge dosering, snelle absorptie of, het meest
voorkomend, onbedoelde intravasculaire injectie. Uitgesproken acidose of hypoxie
kan het risico en de ernst van toxische reacties doen toenemen. Bij deze reacties zijn
het centraal zenuwstelsel (CZS) en het cardiovasculaire systeem betrokken. Reacties
van het centraal zenuwstelsel worden gekarakteriseerd door gevoelloosheid van de
tong, een licht gevoel in het hoofd, duizeligheid, wazig zien en spiertrekkingen,
gevolgd door slaperigheid, insulten, bewusteloosheid en mogelijk stoppen van de
ademhaling.

Cardiovasculaire reacties zijn het gevolg van depressie van het geleidingssysteem van
het hart en het myocard, leidend tot afname van de cardiale output, hartblok,
hypotensie, brachycardie en soms tot ventriculaire aritmieën, inclusief ventriculaire
tachycardie, ventriculaire fibrillatie en hartstilstand. Gewoonlijk wordt dit
voorafgegaan of gaat dit gepaard met ernstige CZS-toxiciteit, bijv. convulsies, maar
in zeldzame gevallen is hartstilstand voorgekomen zonder verschijnselen van
prodromale CZS-effecten.
Bupi/SPC/01 01.05.10
8
of
14


Epidurale anesthesie kan zelf al bijwerkingen geven ongeacht het gebruikte lokale
anestheticum. Dit kan zijn hypotensie en bradycardie veroorzaakt door sympathische
blokkade en/of vasovagaal flauwvallen.

In ernstige gevallen kan een hartstilstand optreden.

Een onbedoelde sub-arachnoïdale injectie kan een zeer sterke spinale anesthesie
geven, mogelijk met apneu en ernstige hypotensie.

Neurologische beschadigingen zijn zeldzaam, maar wel bekend als gevolg van
regionale anesthesie en in het bijzonder bij epidurale en spinale anesthesie.
Deze zijn toe te schrijven aan verschillende oorzaken, zoals directe beschadiging van
ruggenmerg of spinale zenuwen, anterieure spinale arterie syndroom, injectie van een
irriterende vloeistof of een injectie van een niet-steriele oplossing. Dit kan leiden tot
lokale gebieden van paresthesie of anesthesie, motorische zwakte, verlies van
controle over sfincters of paraplegie. Een enkele maal is dit blijvend.

Leverfunctiestoornissen met reversibele toename van SGOT, SGPT of alkalische
fosfaten en bilirubine, zijn waargenomen bij herhaalde injecties of langdurige infusies
met bupivacaïne. Wanneer er tijdens de behandeling met bupivacaïne afwijkingen
van de leverfunctie worden waargenomen, moet worden gestopt met het lokaal
anestheticum.
Bijwerkingen worden gepresenteerd volgens de MedDRA-systeem/orgaanklassen en
de MedDRA-frequentieconventie:
Zeer vaak (1/10)
Vaak (1/100 tot <1/10)
Soms (1 /1,000 tot < 1/100)
Zelden (1/10,000 tot <1/1.000)
Zeer zelden (<1/10.000)
Niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald)

Zeer vaak
Bloedvataandoeningen Hypotensie
Maagdarmstelselaandoe
Misselijkheid
ningen
Vaak
Zenuwstelselaandoening Paresthesie, duizeligheid
en
Hartaandoeningen Bradycardie
Bloedvataandoeningen Hypertensie
Maagdarmstelselaandoe
Braken
ningen
Nier- en
Urineretentie
urinewegaandoeningen
Soms
Zenuwstelselaandoening Verschijnselen van CZS-toxiciteit

en
(convulsies, circumorale

paresthesie, gevoelloosheid van de
Bupi/SPC/01 01.05.10
9
of
14


tong, hyperacusis, wazig zien,
bewusteloosheid, tremoren, licht in
het hoofd, tinnitus, dysartrie)
Zelden
Immuunsysteemaandoen Allergische reacties,
ingen
anafylactische reacties/shock
Zenuwstelselaandoening Neuropathie, beschadiging perifere
en
zenuwen, arachnoïditis
Oogaandoeningen Dubbelzien
Hartaandoeningen Hartstilstand,
aritmie
Ademhalingsstelselaand
Ademhalingsdepressie
oeningen

4.9 Overdosering


Onbedoelde intravasculaire injecties van lokale anesthetica kunnen direct (binnen
seconden tot enkele minuten) systemische toxische reacties geven. In het geval van
overdosering treedt systemische toxiciteit later op (15-60 minuten na de injectie),
door de langzamere toename van de bloedconcentratie van het lokale anestheticum.

Acute systemische toxiciteit

Systemische toxische reacties betreffen primair het centraal zenuwstelsel (CZS) en
het cardiovasculaire systeem. Deze reacties worden veroorzaakt door hoge
bloedconcentraties van een lokaal anestheticum, die het gevolg zijn van een
(onbedoelde) intravasculaire injectie, overdosis of exceptioneel snelle absorptie in
zeer vaatrijke gebieden (zie rubriek 4.4). Reacties van het centraal zenuwstelsel zijn
gelijk voor alle lokale anesthetica van het amide-type, terwijl het optreden van
cardiale reacties meer in verband staat met het gebruikte geneesmiddel, zowel
kwantitatief als kwalitatief. Verschijnselen van toxiciteit van het CZS gaan in het
algemeen vooraf aan cardiovasculaire toxische effecten, tenzij de patiënt een algeheel
anestheticum krijgt of sterk gesedeerd is met geneesmiddelen zoals benzodiazepine of
barbituraat.

Toxiciteit van het centrale zenuwstelsel is een gegradeerde respons met
verschijnselen van oplopende ernst. De eerste symptomen zijn meestal circumorale
paresthesie, gevoelloosheid van de tong, licht in het hoofd, hyperacusis, tinnitus en
visusstoornissen. Dysartrie, spiertrekkingen en tremoren zijn ernstiger en gaan vaak
vooraf aan gegeneraliseerde convulsies. Deze verschijnselen moeten niet aangezien
worden voor neurotisch gedrag. Bewusteloosheid en grand mal convulsies kunnen
volgen, die van een paar seconden tot enkele minuten kunnen duren.
Hypoxie en hypercapnie volgen snel na de convulsies als gevolg van de toename van
de spieractiviteit, samen met de ademhalingsstoornis en mogelijk verlies van de
functie van de ademhalingswegen. In ernstige gevallen kan apneu ontstaan. Acidose,
hyperkaliëmie, hypocalciëmie en hypoxie nemen toe en verlengen de toxische
effecten van lokale anesthetica.

Bupi/SPC/01 01.05.10
10
of
14

Herstel vindt plaats door herdistributie van het lokale anestheticum uit het centrale
zenuwstelsel met daaropvolgende metabolisatie en excretie.
Herstel kan snel gaan, behalve als grote hoeveelheden van het geneesmiddel zijn
geïnjecteerd.

Toxiciteit van het cardiovasculaire systeem komt voor in ernstige gevallen en
wordt in het algemeen voorafgegaan door verschijnselen van toxiciteit van het
centraal zenuwstelsel. Bij patiënten die sterk gesedeerd zijn of een algehele anesthesie
gekregen hebben, kunnen prodromale symptomen van het centraal zenuwstelsel
afwezig zijn. Hypotensie, bradycardie, aritmie en zelfs hartstilstand kunnen het
gevolg zijn van hoge systemische concentraties van lokale anesthetica, maar in
zeldzame gevallen is hartstilstand opgetreden zonder prodromale CZS-effecten

Bij kinderen kunnen de eerste verschijnselen van toxiciteit van een lokaal
anestheticum moeilijk te herkennen zijn wanneer het blok gegeven wordt tijdens een
algehele anesthesie.

Behandeling van acute toxiciteit
Wanneer er verschijnselen zijn van een acute systemische toxiciteit moet de injectie
met het lokaal anestheticum onmiddellijk gestopt worden.

Behandeling van een patiënt met systemische toxiciteit is gericht op het stoppen van
convulsies en een goede zuurstofvoorziening, zonodig met ondersteunde of
gecontroleerde beademing. Wanneer convulsies optreden, moeten ze direct behandeld
worden met een intraveneuze injectie van thiopental 100-200 mg, of diazepam 5-10
mg.

Aanhoudende convulsies kunnen een gevaar vormen voor de ademhaling en de
zuurstofvoorziening van de patiënt. In dat geval vergemakkelijkt een injectie van een
spierrelaxans (bijv. succinylcholine 1 mg/kg lichaamsgewicht) de ademhaling en kan
de zuurstofvoorziening worden gecontroleerd. Een tijdige endotracheale intubatie
moet in zulke situaties overwogen worden.

Wanneer de convulsies onder controle zijn en een goede ventilatie van de longen is
verzekerd, is een andere behandeling niet noodzakelijk. Wanneer er sprake is van
hypotensie, moet een vasopressor, bij voorkeur met inotrope activiteit, bijv. efedrine
15-30 mg, intraveneus worden gegeven.

Wanneer de circulatie stopt, moet onmiddellijk cardiopulmonaire reanimatie gestart
worden. Optimale zuurstofvoorziening, beademing en ondersteuning van de
circulatie, evenals behandeling van acidose, zijn van levensbelang.

Wanneer cardiovasculaire depressie optreedt (hypotensie, bradycardie) moet adequate
behandeling met intraveneuze vloeistoffen, een vasopressor en/of inotrope middelen
worden overwogen.
Kinderen moeten doses krijgen in overeenstemming met leeftijd en gewicht.
Bupi/SPC/01 01.05.10
11
of
14


Wanneer een hartstilstand optreedt, kan langdurige reanimatie nodig zijn om een
succesvol resultaat te krijgen.


5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1 Farmacodynamische eigenschappen

Farmacotherapeutische categorie: lokale anesthetica; amiden
ATC-code: NOlBBOl.

Bupivacaine HCl Claris is een krachtig lokaal anestheticum van het amide-type met
een lange werkingsduur. Het beïnvloedt de sensorische zenuwen meer dan de
motorische zenuwen en is ideaal voor analgesie zonder motorische blokkade.

5.2 Farmacokinetische eigenschappen

Bij volwassenen is de terminale halfwaardetijd van bupivacaïne 3,5 uur. De maximale
bloedconcentratie hangt af van de plaats van injectie en is het hoogst na een
intercostale zenuwblokkade.

De totale dosis is, meer dan de concentratie, een bepalende factor voor de pieken in
de bloedspiegel.

Bupivacaine HCl Claris wordt grotendeels in de lever gemetaboliseerd. .
Slechts 6% wordt onveranderd in de urine uitgescheiden.

5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Niet-klinische gegevens duiden niet op andere risico's dan de reeds elders in dit
document genoemde. Deze gegevens zijn afkomstig van conventioneel onderzoek op
het gebied van veiligheidsfarmacologie en acute en subchronische toxiciteit.

De mutagene en carcinogene potentie van bupivacaïne is niet vastgesteld.

Bupivacaine HCl Claris passeert de placenta. In onderzoek op het gebied van
reproductietoxiciteit is bij bupivacaïnedoses die vijf tot negen keer zo hoog waren als
de maximale aanbevolen dagelijkse dosis bij mensen verminderde overleving van
nakomelingen van ratten en embryoletaliteit bij konijnen waargenomen.
Een studie met rhesus-aapjes doet vermoeden dat er een verandering in het postnatale
gedrag is bij gebruik van bupivacaïne tijdens de geboorte.

Bupi/SPC/01 01.05.10
12
of
14

6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1 Lijst van hulpstoffen

Natriumchloride
0,4% natriumhydroxide (voor juiste pH )
0,85% zoutzuur (voor juiste pH )
Water voor injectie

6.2 Gevallen van onverenigbaarheid


Bupivacaine HCl Claris kan neerslaan wanneer het wordt verdund met alkalische
oplossingen en mag niet verdund of samen toegediend worden met
natriumbicarbonaatinjecties. Dit geneesmiddel mag niet gemengd worden met andere
geneesmiddelen dan die vermeld zijn onder rubriek 6.6.

6.3 Houdbaarheid

3 jaar.

Na eerste opening moet het direct gebruikt worden en niet gebruikte oplossingen
moeten worden afgevoerd.

Na verdunning is chemische en fysische stabiliteit in gebruik aangetoond gedurende
36 uur bij 25°C.

Vanuit microbiologisch oogpunt moet het product direct gebruikt worden.

6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

Bewaren beneden 30°C. Niet in de koelkast of de vriezer bewaren.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking

10 ml type I heldere glazen injectieflacon met bromobutyl rubber afsluiting
20 ml type I heldere glazen injectieflacon met bromobutyl rubber afsluiting

Verpakkingsgrootten:
5 X 10 ml oplossing voor injectie

1 X 20 ml oplossing voor injectie

Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6

Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere
instructies
Bupi/SPC/01 01.05.10
13
of
14


Uitsluitend voor eenmalig gebruik.
De oplossing/verdunning moet voor gebruik visueel geïnspecteerd worden.
Alleen heldere oplossingen die praktisch vrij van deeltjes zijn, mogen gebruikt
worden.

Alle niet-gebruikte oplossingen moeten afgevoerd worden.

Bupivacaine HCl Claris is mengbaar met 0,9% w/v natriumchloride voor injectie,
Ringer-lactaatoplossing en sufentanilcitraat 50 g/ml.

7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL
BRENGEN

Claris Lifesciences (UK) Ltd
Golden Gate Lodge, Crewe Hall, Crewe, Cheshire, CW1 6UL
Verenigd Koninkrijk


8. NUMMER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL
BRENGEN

Bupivacaine HCl Claris 2,5 mg/ml oplossing voor injectie: RVG 102423
Bupivacaine HCl Claris 5 mg/ml oplossing voor injectie: RVG 102425

9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE
VERGUNNING/HERNIEUWING VAN DE VERGUNNING
2 juli 2010

10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST


Bupi/SPC/01 01.05.10
14
of
14





« Vorige

[Bupivacaine HCl Claris 2,5 mg/ml oplossing voor injectie, oplossing voor injectie]

Volgende »

[Bupivacaine HCl Claris 5 mg/ml oplossing voor injectie, oplossing voor injectie]