Fostimon 150 IE/1 ml, poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie
Registratienummer: RVG 33179
10/2008
SUMMARY OF PRODUCT CHARACTERISTICS
DUTCH SPC
SAMENVATTING VAN DE KENMERKEN VAN HET PRODUCT
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
FOSTIMON 150 IE/1 ml, poeder en oplosmiddelvoor oplossig voor injectie
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Iedere injectieflacon bevat 150 IE
urofollitropine (follikel stimulerend hormoon FSH)
1 ml aangemaakte oplossing voor injectie bevat 150 IE urofollitropin
Voor een volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Poeder en oplosmiddelvoor oplossing voor injectie
Uitzicht van het poeder: gevriesdroogde, witte tot wit-gele massa
Uitzicht van het oplosmiddel: heldere, kleurloze oplossing
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Anovulatie (inclusief het polycysteus ovariumsyndroom) bij vrouwen die niet reageerden
op eerdere behandeling met
clomifeencitraat.
Gecontroleerde ovariële hyperstimulatie om de groei van verschillende follikels te
stimuleren in het kader van medische begeleiding van de voortplanting, zoals
in vitro fertilisatie (IVF), gamete intra-fallopian transfert (GIFT) en zygote intra-fallopian
transfert (ZIFT).
4.2 Dosering en wijze van toediening
Een behandeling met FOSTIMON mag enkel worden ingesteld onder strikt toezicht van een
arts die ervaring heeft met de fertiliteitsproblematiek.
We stellen grote inter- en intra-individuele verschillen vast in de respons van de ovaria op
exogene gonadotrofines, waardoor het onmogelijk is om uniforme doseringsschema's te
hanteren. Bijgevolg diet de dosering individueel te worden aangepast afhankelijk van de
ovariële respons. Deze moet worden opgevolgd via echografie enerzijds en de bepaling van
de oestradiolspiegels anderzijds.
10/2008
Dosering
Anovulatie (inclusief PCO) :
De doelstelling van de behandeling met FOSTIMON bestaat erin één enkel rijp Graafs
follikel te ontwikkelen dat, na toediening van hCG, een eicel zal leveren.
FOSTIMON kan worden toegediend in dagelijkse injecties. Bij patiënten die normaal
menstrueren, moet de behandeling beginnen in de loop van de 7 eerste dagen van de
menstruatiecyclus.
Een standaard behandeling start met 75 tot 150 IE FSH per dag en kan, indien nodig,
worden verhoogd met 37,5 IE (met 75 IE), met 7 of preferentieel 14 dagen interval, zodat
er een adequate doch niet excessieve respons wordt bekomen.
De behandeling moet worden aangepast in functie van de individuele respons van iedere
patiënte door de grootte van de dominerende follikel echografisch te meten en/of de
oestrogenenspiegel te bepalen.
De dagdosis moet worden behouden totdat de gewenste pre-ovulatie fase wordt bereikt.
In de meeste gevallen volstaan 7 tot 14 dagen behandeling om deze fase te bereiken.
Vervolgens wordt de toediening van Fostimon stopgezet. De ovulatie kan nu worden
geïnduceerd door toediening van humaan choriongonadotrofine (hCG). Indien er teveel
follikels tot rijping komen of de oestradiolspiegels te snel stijgen, - indien er bijvoorbeeld
gedurende twee of drie opeenvolgende dagen een dagelijkse verdubbeling van oestradiol
wordt gemeten dan dient de dagdosis te worden verminderd. Vermits follikels van meer
dan 14 mm kunnen leiden tot een zwangerschap, houden verschillende pre-ovulatie
follikels van meer dan 14 mm risico's in op meervoudige zwangerschappen. In dat geval
mag er geen hCG worden toegediend zodat een mogelijke meerlingenzwangerschap wordt
vermeden.
De patiënte moet een zaadversperrend contraceptiemiddel gebruiken of zich onthouden
van geslalchtsgemeenschap tot aan de volgende menstruatie (zie rubriek 4.4). De
behandeling kan dan opnieuw worden hervat aan een lagere dosis dan in de vorige cyclus.
Over het algemeen mag de maximale dagdosis FSH de hoeveelheid van 225 IE niet
overschrijden.
Wanneer een adequate respons na 4 weken behandeling uitblijft, moet de behandeling
voor deze cyclus worden stopgezet. De behandeling van een volgende cyclus zal opnieuw
worden opgestart met een hogere startdosis.
Wanneer er een optimale respons wordt verkregen, zal er 24 tot 48 uur na de laatste
FOSTIMON injectie een eenmalige inspuiting van 5000 IE tot 10000 IE worden
toegediend. De patiënte krijgt dan de raad mee die dag of de dag na de toediening van de
hCG injectie geslachtsbetrekkingen te hebben.
Alternatieve, intra-uteriene bevruchting kan optreden
10/2008
Gecontroleerde ovariële hyperstimulatie in het kader van medische begeleiding van de
voortplanting:
Desensibilisering via een Gonadotropin-Releasing Hormone (GnRH) agonist wordt vaak
toegepast om de piek endogeen LH te supprimeren en de basale secretie van LG te
controleren.
In een normaal therapeutisch schema wordt FOSTIMON toegediend ongeveer 2 weken na
het begin van de behandeling met de agonist; beide behandelingen worden voortgezet
totdat er een adequate follikelrespons wordt bekomen. Bijvoorbeeld: na 2 weken
behandeling met een GnRH-agonist, worden 150 tot 225 IE FOSTIMON gedurende de 7
eerste dagen toegediend. De dosis zal vervolgens worden aangepast afhankelijk van de
ovariële respons.
Een alternatief schema dat gebruikt wordt voor superovulatie, bestaat in de toediening van
150 tot 225 IE FOSTIMON per dag, beginnend op dag 2 of dag 3 van de cyclus. De
behandeling wordt voortgezet totdat een adequate follikelgroei wordt bekomen (bepaald
aan de hand van de oestrogenenspiegel in het bloed en/of echografie); de dosering zal
worden aangepast aan de respons van de patiënte (meestal niet meer dan 450 IE/dag).
Over het algemeen wordt een adequate follikelgroei bekomen na gemiddeld 10 dagen
behandeling (5 tot 20 dagen).
Als een optimaal resultaat is bereikt wordt er 24 tot 48 uur na de laatste injectie met
FOSTIMON, wordt er een eenmalige injectie van 5 000 tot 10 000 IE hCG toegediend
met het oog op maximale follikelrijping.
Recuperatie van de eicellen wordt 34-35 uren later verkregen.
Wijze van toediening
FOSTIMON wordt intramusculair of subcutaan toegediend.
Het poeder moet net vóór gebruik worden aangemaakt met behulp van het bijbehorende
oplosmiddel.
Onm pijn of lekken rond de injectieplaats te vermijden, moet Fostimon langzaam worden
ingespoten via intramusculaire of subcutane weg. De plaats van de subcutane injecties moet
worden afagewisseld om lipo-atrofie te voorkomen. Ongebruikte oplossing moet worden
verwijderd.
De patiënte kan zelf de subcutane injectie uitvoeren indien de arts duidelijke instructies en
aanbevelingen heeft gegeven die strikt worden opgevolgd.
4.3 Contra-indicaties
Gekende overgevoeligheid voor FSH of voor één van de bestanddelen van FOSTIMON ;
Vergroting van de ovaria of cysten te wijten aan andere oorzaken dan het polycysteus
ovariumsyndroom;
Gynaecologische bloedingen met ongekende oorzaak;
Ovarium-, uterus- of mammacarcinoom;
Tumor van de hypothalamus of de hypofyse.
10/2008
FOSTIMON is niet aangewezen wanneer er geen adequate respons kan worden bekomen,
bijvoorbeeld in het geval van :
Primair ovariumfalen
Misvorming van de geslachtsorganen die zwangerschap onmogelijk maken
Uteriene fibromen die zwangerschap onmogelijk maken
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
De auto-injectie met FOSTIMON mag alleen worden uitgevoerd door gemotiveerde,
opgeleide patiënten die kunnen rekenen op deskundig advies. De patiënte dient van tevoren te
worden ingelicht en opgeleid over de subcutane injectietechniek, de mogelijke injectiezones,
de aanmaak van de injectievloeistof en de plaats waar de injectie moet worden toegediend.
De eerste injectie van Fostimon moet onder direct medisch toezicht gebeuren.
Bij patiënten met een gekende overgevoeligheid voor gonadotrofines kunnen in een aantal
gevallen anafylactische reacties optreden. Bij deze patiënten moet de eerste FOSTIMON
injectie worden toegediend door een arts die is uitgerust voor eventuele cardiopulmonale
resuscitatie.
Voorafgaand aan de behandeling moet de infertiliteit van de partners eenduidig vastgesteld
zijn en moeten mogelijke contra-indicaties voor zwangerschap worden opgespoord. In het
bijzonder dienen patiënten onderzocht te worden op hypothyroïdie,
bijnierschorsinsufficiëntie, hyperprolactinemie en hypofyse- of hypothalamustumoren, die
indien nodig adequaat behandeld moeten worden.
Meervoudige zwangerschappen
Bij patiënten die ART-procedures ondergaan, is het risico op meervoudige zwangerschappen
sterk gerelateerd aan het aantal teruggeplaatste embryo's. Bij patiënten die een behandeling
voor ovulatie-inductie ondergaan is de incidentie van meervoudige zwangerschappen en de
geboorte van meerlingen hoger dan bij natuurliijke conceptie. De meeste meervoudige
zwangerschappen zijn tweelingzwangerschappen. Om het risico op een
meerlingenzwangerschap zo laag mogelijk te houden, is het aangewezen de ovariële respons
van dichtbij op te volgen.
Ongewenste ovariële hyperstimulatie
Vóór de eigenlijke behandeling of op geregelde tijdstippen tijdens de behandeling dienen er
echografische controles van de follikelontwikkeling en bepalingen van de oestradiolspiegels
te worden uitgevoerd bij vrouwelijke patiënten die een fertiliteitsbehandeling ondergaan.
Naast de ontwikkeling van een groot aantal follikels, is het eveneens mogelijk dat de
oestradiolspiegels buitensporig snel stijgen, bijvoorrbeeld meer dan een dagelijkse
verdubbeling van de waarden gedurende twee of drie opeenvolgende dagen. Ovariële
hyperstimulatie kan worden gediagnosticeerd door middel van echografie. Indien deze
ongewenste ovariële hyperstimulatie optreedt (m.a.w. ovariële hyperstimulatie die niet kadert
in een programma van medisch begeleide voortplanting), dient de toediening van Fostimon te
worden stopgezet. In dat geval moet zwangerschap worden vermeden en mag er geen hCG
worden toegediend vermits dit, naast een meervoudige ovulatie, ook kan leiden tot een
ovarieel hyperstimulatiesyndroom (OHSS).
Tot de kilinsche symptomen en tekens van een licht ovarieel hyperstimualtiesyndrom behoren
buikpijn, misselijkheid, diarree, licthe tot matige vergrotint van de ovaria enovariële cystes.
10/2008
In zeldzame gevallen kan een ernstig ovarieel hyperstimulatiesyndroom optreden dat
levensbedreigend kan zijn. De symptomen hiervan zijn grote ovariële cystes (die kunnen
openbarsten), ascites, vaak hydrothorax en gewichtstoename. Zeer zelden kan veneuze of
arteriële tromboembolie optreden in combinatie met een OHSS (zie rubriek 4.8).
Sponane miskramen
Het aantal spontane miskramen ligt hoger bij patiënten die FSH krijgen dan het percentage dat
wordt vastgesteld bij de algemene bevolking, maar is vergelijkbaar met het percentage
gerapporteerd bij vrouwen met andere fertiliteitproblemen.
Ectopische zwangerschap
Vermits onvruchtbare vrouwen die in aanmerking komen woor medisch begeleide
voortplanting, in het bijzonder IVF, waak anomelieën aan de eileiders vertonen, kan de
incidentie van extopische zwangerschappen toenemen. Het is bijgevolg aangewezen om via
vroege echografische controle na te gaan of de zwangerschap intra-uterien is.
Tumoren van de voortplantingsorganen
Bij vrouwen met infertiliteitsproblemen die een behandeling met verschillende
geneesmiddelen ondergingen, werden gevallen vastgesteld van ovariële tumoren en tuomoren
aan andere voortplantingsorganen. Het is nog niet duidelijk of een behandeling met
gonadotrofines het baseline risico van deze tumoren bij onvruchtbare vrouwen doet toenemen.
Congenitale misvorming
De prevalentien van congenitale misvormingen na een ART-procedure kan iets hoger zijn dan
bij spontane conceptie. Dit is vermoedelijk toe te schrijven aan verschillen in kenmerken van
de ouders (bijvoorbeeld: leeftijd van de moeder, kenmerken van het sperma) en aan
mervoudige zwangerschappen.
Tromboembolieën
Vrouwen met een algemeen gekend risico op tromboembolie (persoonlijke of familiëre
historie, ernstige obesitas (BMI>30 kg/m2) of trombofilie) hebben meer kans om veneuze of
arteriële trombose te ontwikkelen, gedurende of na de behandeling met gonadotrofines. Bij
deze vrouwen moeten de voordelen van de toediening van gonadotrofine worden afgewogen
tegen de risico's.
Infecties
Het risico op overdracht van infectueuze stoffen kan niet heleemaal worden uitgesloten
waneer er geneesmiddelen worden toegediend bereid op basis van menselijke urine.
Dit geldt eveneens voor pathogene stoffen die tot op heden nog niet bekend zijn.
Dit risico wordt echter beperkt door een extractie-/zuiveringsprocédé gericht op het
elimineren of inactiveren van virussen, waarvan de capaciteit gevalideerd werd op
virusmodellen; dit geldt met name voor HIV, het Herpesvirus en het Papillomavirus.
Tot op heden werd er geen enkel geval van virale contaminatie gerapporteerd dat in verband
kan worden gebracht met de toediening van gonadotrofine bereid uit menselijke urine.
10/2008
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Er werden nog geen geneesmiddelenstudies of geneesmiddelenh-interactiestudies gevoerd
naar het gebruik van FOSTIMON bij de mens. Niettegestaande het gebrek aan klinische
ervaring, kan worden verwacht dat het gelijktijdig gebruik van FOSTIMON en
clomifeencitraat de follikelrespons kan doen toenemen.
4.6 Zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Fostimon is niet aangewezen in geval van zwangerschap of lactlatie.
Er werd geen teratogeen risico gerapporteerd na gecontroleerde ovariële stimulatie waarbij
gonadotrofines vanurinaire oorsprong werdengebruikt. Er zijn op dit ogenblik geen relevante
epidemiologische gegevens beschikbaar.
Uit studies in dieren zijn geen teratogene effecten gebleken.
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en van het vermogen om machines te bedienen
Er werden geen studies gevoerd naar het vermogen om voertuigen te besturen ofmachines te
bedienen.
Het is echter weinig waarschijnlijk dat FOSTIMON het vermogen van een patiënt om te
rijden of machines te bedienen, beïnvloedt.
4.8 Bijwerkingen
Onderstaande tabel geeft per systeem de frequentie van bijwerkingen weer die gerapporteerd
werden in het kader van klinische studies met Fostimon. De meeste bijwerkingen zijn zwak
tot matig van aard.
Per systeem/orgaanklasse werden de nevenwerkingen gerangschikt volgens frequentie,
waarbij de vaakst optredende reacties het eerst staan vermeld. Volgende afspraken werden
gehandeerd:
Heel vaak (1/10); vaak (1/100 tot 1/10); soms (1/1,000 tot 1/100); zelden (1/10,000
tot 1/1,000); heel zelden (1/10,000), niet bekend (kan niet worden geraamd op basis van de
beschikbare gegevens).
Binnen elke frequentie werden de nevenwerking gerangschikt volgens afnemende ernst.
Voor andere ongewenste effecten die kunnen optreden als gevolg van het gebruik van
gonadotrofines, zoals FSH: zie rubriek 4.4.
10/2008
Systeem/Orgaanklasse volgens
Frequentie Nevenwerking
MedDRA
Endocriene aandoeningen
Soms Hyperthyroïdisme
Psychsche stoornissen
Soms Humeurschommelingen
Zenuwstelselaandoeningen
Vaak Hoofdpijn
Soms Lethargie
Duizeligheid
Ademhalingsstelsel-, borstkas- en
Soms Dyspneu
mediastinumaandoeningen
Epistaxis
Maagdarmstelselaandoeningen
Vaak Constipatie
Abdominale distensie
Soms Nausea
Abdominale pijn
Dyspepsie
Huid- en onderhuidaandoeningen
Soms Erytheem
Pruritus
Nier- en urinewegaandoeningen
Soms Cystitis
Voortplantingsstelsel- en
Vaak Pijn
borstaandoeningen
Soms Vermoedheid
Onderzoeken
Soms Verlengde
bloedinjstijd
In zeldzame gevallen werden lokale reacties op de plaats van injectie (pijn, roodheid en
hematoom) vastgesteld.
In zeldzame gevallen werd arteriële trombo-embolie toegeschreven aan een behandeling met
menselijk menotropine/hCG.
Het percentage miskramen na een behandeling met gonadotrofines is vergelijkbaar met dat
welk wordt vastgesteld bij vrouwen met andere fertiliteitproblemen. Er werd een licht
verhoogd risicoop ectopische zwangerschap en meervoudige zwangerschappen vastgesteld.
10/2008
4.9 Overdosering
Er zijn geen gegevens beschikbaar in verband met de acute toxiciteit van FSH bij mensen,
doch de acute toxiciteit van preparaten met gonadotrofines van urinaire oorsprong bleek erg
laag in studies in dieren. Een te hoge FSH-dosering kan leiden tot hyperstimulatie van de
ovaria (zie rubriek 4.4).
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische groep : GONADOTROFINES
ATC Code : GO3GA04
Het actieve bestanddeel van FOSTIMON bestaat uit in hoge mate gezuiverd follikel
stimulerend hormoon (FSH), bereid uit menselijke menopauzale gonadotrofines (
HMG). Het
belangrijkste effect van de parenterale toediening van FSH bestaat in de ontwikkeling en de
rijping van de Graafse follikels.
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Na subcutane toediening van 300 IE
FOSTIMON bedraagt Cmax 5.74±0.95 IE/l en Tmax 21.33
±9.18 hours. AUC0- bedraagt 541.22±113.83IE/l x uur, wat ongeveer het dubbele is dan wat
er in de literatuur vermeld staat voor een intramusculaire toediening van 150 IE uFSH
258.6±47.9 IU/l x uur (metingen van FSH plasma inhoud bij RIA testen).
De halfwaardetijd bedraagt 50 uur.
Volgens de literatuur bedraagt de biobeschikbaarheid van FSH, na intramusculaire toediening,
ongeveer 70%.
De farmacokinetiek van FSH bij patiënten met nier- of leverinsufficiëntie werd niet
onderzocht.
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Niet-klinische gegevens bracthen geen speciale risico's voor de mens aan het licht voortgaand
op conventionele studies naar herhaalde dosistoxiciteit met recombinant FSH.
De Ames-test bracht geenmutagene activiteit van FSH aan het licht. Er werd geen studie naar
de carciongeniciteit uitgevoerd.
In een fertiliteitsstudie toonden hoge doses recombinant FSH opvallende farmacologische
effecten op de ovaria en andere geslachtsorgane die in ratten en konijnen vermiderde fertiliteit
en toegenomen embryofoetale sterfte veroorzaakten.
In een op konijnen uitgevoerde studie werd FOSTIMON lokaal goed verdragen na subcutane
toediening.
10/2008
FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1 Lijst met hulpstoffen
Poeder:
lactose
monohydraat
Oplosmiddel voor injectie:
water
voor
injectieoplossingen,
natriumchloride.
6.2 Gevallen van onverenigbaarhheid
Vermits er geen studies bestaan in verband met onverenigbaarheden, mag dit geneesmiddel
niet worden vermengd met andere geneesmiddelen.
6.3 Houdbaarheid
2 jaar
Na aanmaak, de oplossing onmiddellijk gebruiken.
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Bewaren op een temperatuur van maximum +25°C, in de originele verpakking, afgeschermd
van het licht.
6.5 Aard en inhoud van de originele verpakking
Poeder in injectieflacon (glas type I) voorzien van een dop (chlorobutyl) ) met een
aluminium afsluiting + 1 ml oplosmiddel in een ampul (glas type I) ; doos van 1, 5 of 10.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het gebruik, verwerking en verwikdering
De te injecteren oplossing voor injectie moet enkele ogenblikken voor de injectie worden
klaargemaakt.
Ieder flacon is voor eenmalig gebruik. Dit medicinaal product moet worden aangemaakt onder
aseptische omstandigheden.
FOSTIMON mag alleen worden aangemaakt met het oplosmiddel dat in elke verpakking
wordt meegeleverd.
Voorzie een schoon werkvlak en was zorgvuldig uw handen alvorens de oplossing aan te
maken.
10/2008
Leg de volgende toebehoren klaar op het gereinigde werkvlak :
- twee in alcohol gedrenkte watjes (niet meegeleverd),
- een flacon met FOSTIMON poeder,
- een ampul met oplosmiddel voor injectie,
- een spuit (niet meegeleverd),
- een naald voor de aanmaak van de injectieoplossing (niet meegeleverd),
- een fijne naald voor de subcutane injectie (niet meegeleverd).
Aanmaak van de oplossing voor injectie
Open de ampul met het oplosmiddel:
Op het uiteinde van de ampul met oplosmiddel, ziet u een gekleurd merkteken : op die plaats
werd de hals van de ampul speciaal bewerkt om makkelijker te breken. Klop voorzichtig op
de bovenkant van de ampul zodat de vloeistof die bovenaan zit naar de onderkant van de
ampul zakt. Druk stevig op de ampul ter hoogte van de hals zodat ze breekt ter hoogte van het
gekleurde merkteken. Plaats de ampul voorzichtig op het werkoppervlak.
Optrekken van het oplosmiddel :
Breng de naald aan om de spuit klaar te maken. Met de injectiespuit in één hand, neemt u de
geopende ampul met oplosmiddel. U brengt de naald in de ampul en trekt het oplosmiddel op.
Laat de injectiespuit rusten op het werkoppervlak en vermijd contact met de naald.
Voorbereiden van de injectievloeistof :
1 Verwijder het dekseltje van de aluminium capsule op de flacon met FOSTIMON poeder
en desinfecteer het rubberen oppervlak van de dop met een in alcohol gedrenkte tampon.
2 Neem uw injectiespuit en injecteer het oplosmiddel zachtjes in de flacon met poeder via
de rubberen dop.
3 Laat de flacon langzaam in uw handen rollen totdat het poeder volledig is opgelost ;
vermijd vorming van schuim.
4 Zodra het poeder is opgelost (hetgeen meestal onmiddellijk gebeurt), trekt u de oplossing
voorzichtig in de injectiespuit op.
De oplossing voor injectie moet helden en kleurloos zijn.
Gooi alle gebruikte benodigdheden weg :
Niet gebruikt product of aval moet worden verwijderd overeenkomstig de geldende
reglementering (na de injectie moeten alle naalden en lege ampullen onmiddellijk te worden
weggegooid in een daartoe bestemd recipiënt).
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
IBSA FARMACEUTICI S.r.l
Via Martiri di Cefalonia 2
26900 Lodi - ITALIE
10/2008
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
poeder in flacon (glas type I) + 1 ml oplosmiddel in ampul (glas type I) ; doos van 1 stuk.
poeder in flacon (glas type I) + 1 ml oplosmiddel in ampul (glas type I) ; doos van 5 stuks.
poeder in flacon (glas type I) + 1 ml oplosmiddel in ampul (glas type I) ; doos van 10 stuks.
RVG 33179
9. DATUM VAN EERSTE VERLENGING VAN DEVERGUNNING/HERNIEUWING
VAN DE VERGUNNING
A. Datum eerste vergunning: 12 oktober 2006 Goedgekeurd
B. Datum hernieuwing van de vergunning: 5 november 2008
Op medisch voorschrift
Geneesmiddel dat enkel gebruikt mag worden onder gespecialiseerd toezicht : voorschrift
voorbehouden voor specialisten in gynaecologie en/of gynaecologie-obstetrie en/of
endocrinologie en metabolisme
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatste gedeeltelijke herziening betreft: rubriek 7 5 november 2008