Loprilin 40 mg, maagsapresistente capsules
Registratienummer: RVG 104536
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Loprilin 10 mg, maagsapresistente capsules, hard
Loprilin 20 mg, maagsapresistente capsules, hard
Loprilin 40 mg, maagsapresistente capsules, hard
2.
KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Loprilin 10 mg capsule: één capsule bevat 10 mg
omeprazol.
Loprilin 20 mg capsule: één capsule bevat 20 mg
omeprazol.
Loprilin 40 mg capsule: één capsule bevat 40 mg omeprazol
Hulpstof: sucrose.
· Elke 10 mg capsule bevat 51 tot 58 mg sucrose
· Elke 20 mg capsule bevat 102 tot 116 mg sucrose
· Elke 40 mg capsule bevat 203 tot 233 mg sucrose
Voor een volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE
VORM
Maagsapresistente capsule, hard
Loprilin 10 mg capsule:
opaak gele capsule die gebroken witte tot roomkleurige ronde
microkorreltjes bevat.
Loprilin 20 mg capsule:
opaak gele capsule die gebroken witte tot roomkleurige ronde
microkorreltjes bevat.
Loprilin 40 mg capsule:
opaak blauwe en opaak witte capsule die gebroken witte tot
roomkleurige ronde microkorreltjes bevat.
4. KLINISCHE
GEGEVENS
4.1 Therapeutische
indicaties
· Ulcus duodeni
· Benigne ulcus ventriculi
·
Reflux-oesophagitis
· Onderhoudsbehandeling van reflux-oesophagitis ter voorkoming van recidieven
· Symptomatische behandeling van gastro-oesophageale reflux
· Zollinger-Ellison syndroom
· Behandeling van NSAID-gerelateerde (niet-steroïdaal anti-inflammatoir geneesmiddel)
ulcus ventriculi en ulcus duodeni
· Onderhoudsbehandeling van NSAID-gerelateerde ulcus ventriculi en ulcus duodeni ter
voorkoming van recidieven
· Eradicatie van
Helicobacter pylori bij patiënten met
Helicobacter pylori-gerelateerde
peptische ulcera in combinatie met geschikte antibacteriële therapeutische middelen (zie
rubriek 4.2)
1/12
4.2 Dosering en wijze van toediening
Ulcus
duodeni
De gebruikelijke dosering is éénmaal daags 20 mg. De behandelingsduur is 2-4 weken.
Onderhoudsbehandeling:
Bij de onderhoudsbehandeling ter voorkoming van recidieven van ulcus duodeni die niet
reageren op eradicatie van
Helicobacter pylori dient de behandeling op de patiënt afgestemd te
worden afhankelijk van de klinische respons. De normale dosis 20 mg per dag. Voor sommige
patiënten kan 10 mg voldoende zijn.
Benigne ulcus ventriculi
De gebruikelijke dosering is éénmaal daags 20 mg. De behandelingsduur is 4-(6)-8 weken.
Reflux-oesophagitis:
De gebruikelijke dosering is éénmaal daags 20 mg. De behandelingsduur is 4-8 weken.
Opmerkingen:
In bepaalde gevallen van ulcus duodeni, benigne ulcus ventriculi en reflux-oesophagitis kan de
dosering van omeprazol verhoogd worden tot éénmaal daags 40 mg.
Alleen indien eradicatie-therapie niet geïndiceerd is of onsuccesvol bleek, dient voor de
behandeling van ulcus duodeni en ulcus ventriculi monotherapie met omeprazol toegepast te
worden.
Kinderen boven de 2 jaar en jongeren met ernstige reflux-oesophagitis:
De klinische ervaring bij kinderen is beperkt. Omeprazol dient alleen gebruikt te worden bij
kinderen met ernstige reflux-oesophagitis die resistent is voor andere therapeutische
maatregelen.
De behandeling dient gestart te worden door een kinderarts is het ziekenhuis. Indien
noodzakelijk voor een optimale therapeutische respons, kan een continue pH-meting en een
bepaling van het genotype (betreffende de CYP 2C19 status) plaatsvinden. De volgende
dosering (overeenkomend met ongeveer 1 mg/kg/dag) dient gebruikt te worden:
Gewicht 10-20 kg: 10 mg per dag
Gewicht > 20 kg: 20 mg per dag
De duur van de behandeling is gewoonlijk 4 tot 8 weken en dient de 12 weken niet te
overschrijden vanwege het ontbreken van gegevens bij langdurig gebruik in deze leeftijdsgroep.
Onderhoudsbehandeling van reflux-oesophagitis ter voorkoming van recidieven
De gebruikelijke dosering is 10 tot 20, afhankelijk van de klinische respons.
Zollinger-Ellison syndroom
De dosering dient individueel aangepast te worden en voorgezet te worden onder supervisie van
een specialist zolang dit klinisch geïndiceerd is. De aanbevolen aanvangsdosering is éénmaal
daags 60 mg. Doseringen hoger dan 80 mg per dag dienen te worden gegeven als een tweemaal
daagse dosering. Bij patiënten met het syndroom van Zollinger-Ellison is de behandeling niet
gebonden aan een maximale behandelingsduur.
Behandeling van NSAID-gerelateerde ulcus ventriculi en ulcus duodeni
De gebruikelijke dosering is 20 mg per dag. De behandelingsduur is 4 tot 8 weken.
2/12
Onderhoudsbehandeling van NSAID-gerelateerde erosies, ulcus ventriculi en ulcus duodeni ter
voorkoming van recidieven
De gebruikelijke dosering is 20 mg per dag.
Symptomatische behandeling van gastro-oesophageale reflux
De gebruikelijke dosering is 10 tot 20 mg per dag afhankelijk van de klinische respons. De
behandelingsduur is 2 tot 4 weken. Als bij een patiënt na een behandelingsduur van 2 weken
geen verbetering van de symptomen is opgetreden dient verder onderzoek uitgevoerd te worden.
Eradicatie therapie
Patiënten met peptische ulcera ten gevolge van Helicobacter pylori infectie dienen behandeld te
worden met een eradicatie therapie met geschikte combinaties van antibiotica en een passend
doseringsschema. De keuze van het doseringsschema dient gebaseerd te zijn op de tolerantie
van de patiënt en op therapeutische richtlijnen. De volgende combinaties zijn getest:
· Twee maal daags omeprazol 20 mg,
amoxicilline 1000 mg en
clarithromycine 500 mg
· Twee maal daags omeprazol 20 mg, clarithromycine 250 mg en
metronidazol 400-500 mg
De behandelingsduur voor eradicatie is 1 week. Om de ontwikkeling van resistentie te
vermijden dient de behandelingsduur niet verkort te worden.
Bij patiënten met actieve ulcera kan de behandeling met omeprazol als monotherapie verlengd
worden volgens bovengenoemde dosering en behandelingsduur.
Bij de keuze van een geschikte combinatiebehandeling dient men rekening te houden met de
officiële plaatselijke voorschriften m.b.t. microbiële weerstand, behandelingsduur (de
gebruikelijke duur is 7 dagen maar kan soms tot 14 dagen worden verlengd) en het juiste
gebruik van antibacteriële middelen.
Metronidazol dient niet als eerste keuze in aanmerking te
worden genomen vanwege de mutagene en carcinogene eigenschappen die gebleken zijn uit
dieronderzoek.
Speciale patiëntenpopulaties
Ouderen
Aanpassing van de dosering is niet noodzakelijk bij ouderen.
Kinderen
Omeprazol dient niet bij kinderen onder 2 jaar gebruikt te worden.
Verminderde nierfunctie
Aanpassing van de dosering is niet noodzakelijk bij patiënten met een verminderde nierfunctie.
Verminderde leverfunctie
Aangezien de biologische beschikbaarheid en de halfwaardetijd kunnen toenemen bij patiënten
met een verminderde leverfunctie, is aanpassing van de dosering tot maximaal 20 mg per dag
noodzakelijk.
Wijze van toediening
De capsule dient in zijn geheel met voldoende vloeistof (bijv. 1 glas water) ingenomen te
worden vóór een maaltijd (bijv. vóór het ontbijt of avondeten) of op een lege maag. De capsule
dient niet gekauwd of vermalen te worden.
3/12
Voor gebruik bij de behandeling van patiënten met slikproblemen of jonge kinderen kan de
capsule worden geopend en de inhoud in een kleine hoeveelheid vruchtensap of yoghurt na
voorzichtig mengen gesuspendeerd worden. De dispersies dienen onmiddellijk ingenomen te
worden.
4.3 Contra-indicaties
Omeprazol is gecontraïndiceerd bij patiënten met overgevoeligheid voor omeprazol of voor één
van de hulpstoffen.
Combinatietherapie met clarithromycine dient niet toegepast te worden bij patiënten met een
verminderde leverfunctie.
Omeprazol is gecontraïndiceerd bij patiënten die atazanavir gebruiken (zie rubriek 4.5).
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Bij patiënten met een ulcus pepticum dient de
Helicobacter pylori-status bepaald te worden
indien dit relevant is. Bij patiënten waarvan bekend is dat zij
Helicobacter pylori-drager zijn,
dient de behandeling primair gericht te zijn op eliminatie van deze bacterie door
eradicatietherapie.
Wanneer een ulcus ventriculi vermoed wordt, dient de mogelijkheid van een maligne
aandoening uitgesloten worden voordat behandeling met omeprazol ingesteld wordt, aangezien
deze behandeling de symptomen kan maskeren en de diagnose kan vertragen.
De diagnose van reflux-oesophagitis dient endoscopisch bevestigd te worden.
Een afgenomen zuurgraad in de maag, ongeacht de oorzaak -inclusief protonpompremmers-
verhoogt het aantal bacteriën die normaal gesproken in het maagdarmkanaal aanwezig zijn.
Behandeling met zuurremmende middelen leidt tot een licht toegenomen risico op
maagdarminfecties, zoals Salmonella en Campylobacter.
Bij patiënten met een ernstig verminderde leverfunctie dienen de leverenzymwaarden periodiek
gecontroleerd te worden gedurende de behandeling met Loprilin capsules (zie ook 4.2).
Om een betere werkzaamheid bij de behandeling van NSAID-gerelateerde ulcera te garanderen,
dient de mogelijkheid van het beëindigen van de behandeling met het veroorzakende middel
sterk overwogen te worden.
De onderhoudsbehandeling van ulcera gerelateerd aan het gebruik van NSAIDs dient beperkt te
blijven tot risicopatiënten.
Vanwege beperkte veiligheidsdata met betrekking tot patiënten met een onderhoudsbehandeling
van langer dan 1 jaar, dient de behandeling regelmatig geëvalueerd te worden en dient een
grondige afweging gemaakt te worden ten aanzien van voordelen en risico's bij gebruik langer
dan 1 jaar.
Tijdens therapie van omeprazol waarbij een combinatie met een ander geneesmiddel
noodzakelijk is (NSAID-gerelateerde ulcera of eradicatie) dient voorzichtigheid betracht te
worden wanneer andere geneesmiddelen toegevoegd worden aangezien interacties kunnen
optreden of verergeren (zie rubriek 4.5).
Bij een combinatiebehandeling dient ook voorzichtigheid betracht te worden bij patiënten met
verminderde nier- of leverfunctie (voor doseringsvoorschrift zie 4.2.).
4/12
Omeprazol dient niet bij kinderen en peuters onder de 2 jaar toegepast te worden (zie rubriek
4.2.) .
Hoewel niet gemeld voor oraal toegediende omeprazol, zijn blindheid en doofheid beschreven
na gebruik van de parenterale omeprazol formulering; daarom wordt bij ernstig zieke patiënten
aanbevolen het gezichtsvermogen en gehoor te controleren.
Waarschuwingen met betrekking tot de in dit product aanwezige hulpstoffen:
Dit geneesmiddel bevat sucrose. Patiënten met de zeldzame, erfelijke aandoening fructose-
intolerantie, glucose-galactose malabsorptie of sucrase-isomaltase insufficiëntie dienen dit
geneesmiddel niet te gebruiken.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Onderzoek naar interacties is alleen bij volwassenen uitgevoerd.
Effecten van omeprazol op de farmacokinetiek van andere geneesmiddelen
Geneesmiddelen met pH-afhankelijke opname
Atazanavir
Gelijktijdige toediening van omeprazol (eenmaal daags 40 mg) met atazanavir 300 mg/
ritonavir 100 mg bij gezonde vrijwilligers gaf een aanzienlijke afname van de atazanavir blootstelling
(ca. 75% vermindering in AUC, Cmax en Cmin) te zien. Een verhoging van de dosis atazanavir
tot 400 mg kon het effect van omeprazol op de atazanavir blootstelling niet compenseren.
Derhalve dienen geen protonpompremmers, waaronder omeprazol, gelijktijdig met atazanavir te
worden toegediend. Hoewel er geen onderzoek naar gedaan is, kunnen andere dagelijkse
doseringen van omeprazol soortgelijke effecten hebben en daarom is gelijktijdige toediening
van andere doses omeprazol gecontra-indiceerd (zie rubriek 4.3).
Ketoconazol en itraconazol:
De opname van
ketoconazol en
itraconazol uit het maagdarmkanaal wordt beïnvloed door de
aanwezigheid van maagzuur. De toediening van omeprazol kan tot subtherapeutische
concentraties van ketoconazol en itraconazol leiden en het gelijktijdig gebruik dient derhalve te
worden vermeden.
Digoxine Gelijktijdige behandeling van omeprazol en digoxine bij gezonde personen leidde tot een 10%
toename in de biologische beschikbaarheid van digoxine.
Geneesmiddelen die door CYP2C19 en CYP2C9 gemetaboliseerd worden (met inbegrip van
warfarine en fenytoïne)
Aangezien omeprazol wordt gemetaboliseerd in de lever door het cytochroom P450
enzymsysteem, kan het de isoenzymen CYP 2C19 en CYP2C9 remmen die een verhoogde
plasmaconcentratie kunnen veroorzaken van andere geneesmiddelen die door deze enzymen
gemetaboliseerd worden. Dit is waargenomen voor
diazepam (en ook voor andere
benzodiazepinen als triazolam of
flurazepam), fenytoïne en warfarine. Periodieke controle van
patiënten die tegelijkertijd worden behandeld met warfarine of fenytoïne wordt bij aanvang en
bij het stopzetten van de behandeling met omeprazol aanbevolen en een aanpassing van de dosis
van warfarine of fenytoïne kan nodig zijn. Andere geneesmiddelen die mogelijk beïnvloed
worden zijn hexobarbital,
citalopram,
imipramine,
clomipramine etc.
5/12
Disulfiram Omeprazol kan het levermetabolisme van disulfiram remmen. Enkele mogelijk gerelateerde
gevallen van spierstijfheid zijn beschreven.
Cyclosporine
Er zijn tegenstrijdige gegevens over de interactie van omeprazol met cyclosporine. Daarom
dienen plasmaspiegels van cyclosporine gecontroleerd te worden bij patiënten die met
omeprazol behandeld worden, omdat een toename van de cyclosporinespiegel mogelijk is.
Tacrolimus Ondanks het feit dat tegenstrijdige gegevens zijn gerapporteerd, kan het gelijktijdig toedienen
van omeprazol en tacrolimus tot een verhoging van de serumspiegels van tacrolimus leiden.
Deze combinatie dient derhalve met voorzichtigheid te worden gebruikt.
Clarithromycine
Plasmaconcentraties van omeprazol en clarithromycine nemen toe bij gelijktijdige inname.
Vitamine B12
Omeprazol kan de orale absorptie van vitamine B12 reduceren. Hier dient rekening mee te
worden gehouden bij patiënten met een lage basiswaarde hiervan en die een langdurige
behandeling met omeprazol moeten ondergaan.
Sint-janskruid
Vanwege een mogelijke, klinisch significante interactie dient sint-janskruid niet gelijktijdig met
omeprazol gebruikt te worden.
Andere geneesmiddelen en alcohol
Er is geen bewijs van een interactie tussen omeprazol en cafeïne,
propranolol, theofylline,
metoprolol, lidocaïne, kinidine, fenacetine,
estradiol, amoxicilline,
budesonide,
diclofenac,
metronidazol,
naproxen,
piroxicam, of antacida. De absorptie van omeprazol wordt niet
beïnvloed door alcohol.
4.6 Zwangerschap en borstvoeding
Een beperkt aantal epidemiologische studies geeft geen aanwijzingen voor nadelige effecten op
de zwangerschap of een toename van het aantal algemene misvormingen. Er is echter
onvoldoende informatie met betrekking tot specifieke afwijkingen.
Bij ratten worden omeprazol en zijn metabolieten in de melk uitgescheiden.
Er zijn onvoldoende gegevens met betrekking tot blootstelling van baby's via borstvoeding. De
omeprazol-concentratie in de moedermelk is ongeveer 6% van de maximale plasma concentratie
in de moeder.
Gebruik van omeprazol tijdens de zwangerschap en borstvoeding vereist een zorgvuldige
afweging ten aanzien van de voordelen en de risico's.
6/12
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Er zijn geen studies uitgevoerd naar de gevolgen op de rijvaardigheid en het vermogen om
machines te bieden tijdens gelijktijdig gebruik van omeprazol. Er kunnen echter bijwerkingen
optreden, zoals duizeligheid, slaperigheid en minder scherp zien (zie rubriek 4.8). Deze
omstandigheden kunnen van nadelige invloed zijn op de rijvaardigheid en het vermogen om
machines te bedienen.
4.8 Bijwerkingen
De volgende definities zijn van toepassing op de incidentie van de bijwerkingen:
- zeer vaak (>1/10)
- vaak (>1/100, <1/10)
- soms (>1/1,000, <1/100)
- zelden (>1/10,000, <1/1,000)
- zeer zelden (<1/10,000), onbekend (kan niet berekend worden op basis van de beschikbare
gegevens)
Bloed- en
Zelden:
lymfestelselaandoeningen
hypochrome, microcytaire anemie bij kinderen.
Zeer zelden:
veranderingen in bloedbeeld, reversibele
trombocytopenie, leukopenie of pancytopenie en
agranulocytose.
Immuunsysteemaandoeningen
Zeer zelden:
urticaria, verhoogde lichaamstemperatuur, angioedeem,
bronchoconstrictie, anafylactische shock, allergische
vasculitis en koorts.
Zenuwstelselaandoeningen Vaak:
slaperigheid, slaapstoornissen (slapeloosheid),
duizeligheid, hoofdpijn en duizeligheid. Deze klachten
verbeteren gewoonlijk bij voortgezette behandeling.
Zelden:
paresthesie en licht gevoel in het hoofd. Geestelijke
verwarring en hallucinaties in overwegend ernstig zieke of
oudere patiënten.
Zeer zelden:
agitatie en depressiviteit bij overwegend ernstig zieke of
oudere patiënten.
Oogaandoeningen Soms:
stoornissen (wazig zien, verlies van visuele scherpte of
gereduceerd gezichtsveld). Deze aandoeningen
verdwijnen gewoonlijk na staken van de therapie.
Evenwichtsorgaan- en
Soms:
ooraandoeningen
gehoorstoornissen (bijv. tinnitus). Deze aandoeningen
verdwijnen gewoonlijk na staken van de therapie.
Maagdarmstelselaandoeningen Vaak:
diarree, obstipatie, flatulentie (mogelijk met pijn in
onderbuik), misselijkheid en braken, In de meeste van
deze gevallen verminderen de symptomen indien de
therapie wordt voortgezet.
Soms:
7/12
smaakstoornissen. Deze aandoeningen verdwijnen
gewoonlijk na staken van de therapie.
Zelden:
bruin-zwarte verkleuring van de tong bij gelijktijdige
toediening van clarithromycine en benigne glandulaire
cysten: beide waren reversibel na staken van de
behandeling.
Zeer zelden:
droge mond, stomatitis, candidiasis of pancreatitis.
Lever- en galaandoeningen
Soms:
veranderingen in lever enzymwaarden (die verdwijnen na
stopzetting van de behandeling).
Zeer zelden:
hepatitis met of zonder geelzucht, leverfalen en
encefalopathie bij patiënten met bestaande ernstige
leverziekte.
Huid- en
Soms:
onderhuidaandoeningen:
jeuk, huid erupties, alopecia, erythema multiforme of
lichtovergevoeligheid en toegenomen zweetneiging.
Zeer zelden:
Stevens-Johnson-syndroom of toxische epidermale
necrolyse.
Skeletspierstelsel- en
Zelden:
bindweefselaandoeningen
spierzwakheid, myalgie en gewrichtspijn.
Nier- en
Zeer zelden:
urinewegaandoeningen
nefritis (interstitiële nefritis)
Algemene aandoeningen en
Soms:
toedieningsplaatsstoornissen
perifeer oedeem (welke verdwijnt na staken van de
therapie)
Zeer zelden:
hyponatriëmie, gynaecomastie.
4.9 Overdosering
Er is geen informatie beschikbaar over de effecten van overdosering met omeprazol bij de mens.
Zowel eenmalige hoge doseringen tot 160 mg per dag, dagelijkse doseringen tot 400 mg,
eenmalige intraveneuze doseringen tot 80 mg en dagelijkse intraveneuze doseringen tot 200 mg
per dag respectievelijk 520 mg in 3 dagen, werden getolereerd zonder bijwerkingen.
5 FARMACOLOGISCHE
EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische
eigenschappen
Farmacotherapeutische groep: protonpompremmers, ATC-code: A02B C 01
Omeprazol, een gesubstitueerd benzimidazol, is een remmer van de gastrische protonpomp:
omeprazol remt direct en dosisafhankelijk het enzym H+/K+-ATPase, dat verantwoordelijk is
voor maagzuursecretie door de pariëtale cellen van de maagwand. Vanwege de selectieve
werking intracellulair, en de geringe affiniteit voor andere membraangebonden receptoren
(zoals de histamine H2, muscarine M1 of gastrinereceptoren), behoort omeprazol tot een
afzonderlijke klasse maagzuurremmers, die de laatste stap van de zuurproductie blokkeren.
8/12
Als gevolg van het werkingsmechanisme remt omeprazol zowel de basale als gestimuleerde
maagzuursecretie, ongeacht de soort stimulus. Op die manier leidt gebruik van omeprazol tot
een stijging van de pH en een daling van de hoeveelheid geproduceerd maagzuur.
Als zwakke base cumuleert de prodrug omeprazol in de buurt van de pariëtaalcellen en wordt
slechts actief als remmer van H+/K+-ATPase na protonering van het molecuul en omzetting.
In een
zure omgeving met een pH van minder dan 4 wordt omeprazol geprotoneerd en
vervolgens omgezet in omeprazolsulfenamide, de actieve verbinding. In vergelijking tot de
plasmahalfwaardetijd van omeprazol base, blijft omeprazolsulfenamide langere tijd in de cel
(zie rubriek 5.2.). Een voldoende lage pH-waarde wordt alleen in de pariëtale cellen van de
maag gevonden; dit verklaart de hoge specificiteit van omeprazol: alleen omeprazolsulfenamide
bindt aan enzym en remt de activiteit.
Indien het enzymsysteem wordt geremd, stijgt de pH-waarde en cumuleert minder omeprazol
c.q. wordt minder omeprazol omgezet in de pariëtaalcellen van de maag. Aldus wordt de
cumulatie van omeprazol gereguleerd door een soort feedbackmechanisme.
Na langdurig gebruik veroorzaakt omeprazol ten gevolge van zuurremming een beperkte
toename van gastrine. Een lichte tot matige toename van ECL-cellen treedt op bij langdurige
behandeling. Carcinoïden, zoals gevonden bij proefdieren (zie rubriek 5.3.), zijn bij de mens
vooralsnog niet gemeld.
De meeste klinische studies in gecontroleerde gerandomiseerde klinische trials geven aan dat
met een combinatie gedurende 1 week van tweemaal daags 20 mg omeprazol en twee
antibiotica in meer dan 80% eradicatie van
Helicobacter pylori wordt bereikt bij patiënten met
maagdarmulcera. Zoals te verwachten werd een significant lagere eradicatie gevonden bij
patiënten van wie bij aanvang van de therapie met metronidazol-resistente
Helicobacter pylori uit de maag was geïsoleerd. Vandaar dat plaatselijke gegevens over resistentie en lokale
therapeutische richtlijnen in betrekking dienen te worden genomen bij de keuze voor een
geschikte combinatie van geneesmiddelen ter eradicatie van
Helicobacter pylori. Verder moet
bij patiënten met een persisterende infectie met een mogelijke secundaire ontwikkeling van
resistentie (van primair gevoelige stammen) in betrekking worden genomen bij de keuze voor
een nieuwe behandelingsmethode.
Voorts is klinisch bewezen dat na een succesvolle eradicatietherapie bij patiënten met peptische
ulcera, het aantal recidieven van duodenale ulcera en hoogstwaarschijnlijk ook van ventriculaire
ulcera uitzonderlijk laag is in vergelijking met het natuurlijke beloop van de ziekte met een
voortgaande infectie.
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Absorptie
Omeprazol is niet zuurbestendig en wordt oraal toegediend in de vorm van maagzuurresistente
korreltjes in hardgelatine capsules. Absorptie vindt plaats in de dunne darm. Piek-
plasmaconcentraties van omeprazol worden binnen 1 tot 3 uur na toediening bereikt. De
biologische beschikbaarheid van een enkele orale dosis omeprazol is ca. 35%. Bij herhaalde
toediening neemt de biologische beschikbaarheid toe tot ca. 60%.
9/12
Distributie
Het verdelingsvolume van omeprazol in het lichaam is relatief beperkt (0,3 l/kg
lichaamsgewicht) en komt overeen met het extracellulaire volume. Ongeveer 95% is gebonden
aan eiwit.
Eliminatie
Omeprazol wordt volledig gemetaboliseerd, hoofdzakelijk in de lever door CYP 2C19.
Na intraveneus toegediende omeprazol van 40 mg gedurende 5 dagen stijgt de absolute
biologische beschikbaarheid met 50%; dit kan worden verklaard door een verminderde
hepatische klaring ten gevolge van saturatie van CYP 2C19. In het plasma worden sulfon-, het
sulfide-, en hydroxy-omeprazol aangetroffen. Deze metabolieten hebben geen significant effect
op de zuursecretie. Ongeveer 20% van de toegediende dosis wordt via de feces uitgescheiden en
de overgebleven 80% wordt via de urine als metabolieten uitgescheiden. Twee belangrijke
metabolieten in de urine zijn hydroxy-omeprazol en het corresponderende carbonzuur. De
plasmahalfwaardetijd bedraagt circa 40 minuten en de totale plasmaklaring is 0,3 tot 0,6 l/min.
Verband tussen plasmaconcentratie en effect
Omeprazol cumuleert als zwakke base in het zure milieu van het intracellulaire kanaalsysteem
van de pariëtaalcellen. In deze zure omgeving wordt omeprazol geprotoneerd en omgezet in de
actieve verbinding omeprazolsulfenamide. De actieve substantie bindt covalent aan de
protonpomp van de maag (H+/K+-ATPase), gelegen aan de secretoire zijde van de
pariëtaalcellen en het remt zijn activiteit. De duur van de remming van de zuursecretie is
hierdoor substantieel langer dan de periode dat omeprazol base aanwezig is in het plasma. De
mate zuursecretieremming is direct gecorreleerd aan het gebied onder de plasmaconcentratie
tijdcurve (AUC), maar niet met de plasmaconcentratie op elk willekeurig tijdstip.
Speciale patiëntenpopulaties
Ouderen
De biologische beschikbaarheid van omeprazol is bij ouderen licht verhoogd en de
eliminatiesnelheid licht verminderd. Maar individuele waarden zijn bijna gelijk aan die van
jonge gezonde patiënten en er is geen indicatie dat ouderen een verminderde tolerantie hebben
voor omeprazol in normale dosering.
Kinderen
Bij behandeling van kinderen van 2 jaar oud met de aanbevolen doses zijn de resulterende
plasmaconcentraties gelijk aan die van volwassenen.
Verminderde nierfunctie
De farmacokinetiek van omeprazol bij patiënten met nierinsufficiëntie en bij gezonde mensen is
vergelijkbaar. Maar omdat renale eliminatie de belangrijkste vorm van excretie van de
metabolieten van omeprazol is, wordt de eliminatiesnelheid gereduceerd tot een niveau die
overeenkomt met de reductie van de nierfunctie. Cumulatie kan worden voorkomen, indien
omeprazol eenmaal daags wordt gegeven.
Verminderde leverfunctie
Bij patiënten met een chronische leverziekte is de klaring van omeprazol verminderd en de
plasmahalfwaardetijd kan toegenomen zijn tot circa 3 uur. De biologische beschikbaarheid kan
bij deze patiënten meer dan 90% zijn. De toediening van omeprazol in de dosering van 20 mg
per dag gedurende 4 weken werd goed verdragen en er werd geen cumulatie van omeprazol of
van zijn metabolieten waargenomen.
10/12
Trage metaboliseerders voor CYP2C19
Bij een klein percentage van de patiënten (trage metaboliseerders voor CYP 2 C19) met
genetisch bepaalde code voor een niet-functioneel enzym CYP 2C19, werd een verminderde
eliminatie van omeprazol waargenomen. In deze gevallen kan de eindeliminatie-halfwaardetijd
ongeveer 3 keer zo lang zijn als de normale waarden en het gebied onder de plasmaconcentratie
tijdcurve (AUC) kan 10 keer zo hoog worden.
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Niet-klinische gegevens duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn
afkomstig van conventioneel onderzoek op het gebied van veiligheidsfarmacologie, toxiciteit bij
herhaalde dosering, genotoxiciteit en reproductietoxiciteit.
ECL-cel hyperplasie in de maag en carcinoïden zijn waargenomen in studies bij muizen die
levenslang behandeld werden met omeprazol of partiële fundectomie hadden ondergaan. Deze
veranderingen zijn het resultaat van continue hypergastrinemie als gevolg van zuurremming.
6 FARMACEUTISCHE
GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Capsule inhoud:
Suikerbolletjes (bestaande uit maïszetmeel en sucrose)
Natriumlaurylsulfaat
Watervrij dinatriumfosfaat
Mannitol Hypromellose Macrogol 6000
Talk,
Polysorbaat 80
Titaandioxide (E171)
Methacrylzuur - ethylacrylaat copolymeer (1:1) dispersie 30 procent
Capsulewand:
Capsules van 10 en 20 mg:
Gelatine
Chinoline geel
Titaandioxide
Capsules van 40 mg:
Gelatine
Indigo karmijn
Titaandioxide
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Niet van toepassing
11/12
6.3 Houdbaarheid
3 jaar.
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Bewaren beneden 25°C.
Aluminium/aluminium blister: in originele verpakking bewaren ter bescherming tegen vocht.
Kunststof flacon (HDPE): flacon goed gesloten houden ter bescherming tegen vocht.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
7, 14, 15, 28, 30, 50, 56, 60, 90, 98, 100, 140, 280 en 500 capsules
HDPE flacon met silicagel droogmiddel bevattende in het deksel van propyleen:
5, 7, 14, 15, 28, 30, 50, 56, 60, 90, 100 en 500 capsules
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
Geen speciale vereisten.
7
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
CHEMO IBÉRICA, S.A.
Gran Vía Carlos III 98 7th floor
08028 Barcelona
Spanje
8.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Loprilin 10 mg, maagsapresistente capsules, hard RVG 104534
Loprilin 20 mg, maagsapresistente capsules, hard RVG 104535
Loprilin 40 mg, maagsapresistente capsules, hard RVG 104536
9.
DATUM VAN DE EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERNIEUWING
VAN DE VERGUNNING
3 april 2009
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
12/12