Mannitol 15 %, oplossing voor infusie 150 g/l
Registratienummer: RVG 106414
Mannitol 15 %
Baxter B.V.
Deel IB1
1/8
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Mannitol 15 %, oplossing voor infusie 150 g/l.
2.
KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Mannitol: 150 g/l
Elke ml bevat 150 mg mannitol.
Voor een volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE
VORM
Oplossing voor infusie.
Heldere, kleurloze oplossing zonder zichtbare deeltjes.
Osmolariteit: 823 mosmol/l (bij benadering)
pH: 4,5 – 7,0
4. KLINISCHE
GEGEVENS
4.1. Therapeutische
indicaties
Mannitol 15 % is als osmotisch diureticum geïndiceerd in de volgende gevallen:
• bevordering van diurese in de vroege fase van acute nierinsufficiëntie, voordat irreversibele
oligurische nierinsufficiëntie vastgesteld wordt;
• vermindering van intracraniale druk en hersenvolume;
• vermindering van verhoogde intraoculaire druk wanneer geen enkele andere behandeling effect
heeft;
• sommige gevallen van intoxicatie.
4.2. Dosering en wijze van toediening
Dosering De dosering is afhankelijk van de leeftijd, het gewicht en de klinische toestand van de patiënt alsook van
gelijktijdige behandelingen.
Volwassenen
Acute nierinsufficiëntie
De dosis voor volwassenen ligt doorgaans tussen 330 en 1330 ml gedurende 24 uur, met een dosisbeperking
van 330 ml per toediening. In de meeste gevallen zorgt een dosis van ongeveer 660 ml per 24 uur voor een
adequate respons. De toedieningssnelheid wordt doorgaans aangepast om een diurese van ten minste 30 tot
50 ml per uur te behouden. De maximale toedieningssnelheid mag in noodgevallen
slechts 5 minuten 30 ml
per minuut bedragen. Na 5 minuten moet de toedieningssnelheid opnieuw worden aangepast aan de normale
snelheid van 0,5 tot 0,8 ml per minuut.
Version 1.1
Mannitol 15 %
Baxter B.V.
Deel IB1
2/8
Patiënten met uitgesproken oligurie of vermoedelijke nierinsufficiëntie moeten eerst een testdosis van
ongeveer 1,3 ml/kg lichaamsgewicht toegediend krijgen gedurende 5 minuten. De respons op de testdosis
wordt als adequaat beschouwd als ten minste 30 tot 50 ml/h urine uitgescheiden wordt gedurende 2 tot 3 uur.
In geval van een ontoereikende respons mag nog een testdosis worden toegediend. Als ook op de tweede
testdosis geen adequate respons bereikt wordt, moet de behandeling met mannitol worden stopgezet.
Vermindering van intracraniale druk, hersenvolume en intraoculaire druk
De dosis bedraagt doorgaans 10 tot 13 ml/kg lichaamsgewicht, toegediend gedurende 30 tot 60 minuten. In
geval van preoperatief gebruik moet de dosis één tot anderhalf uur vóór de chirurgische ingreep worden
toegediend om een maximaal effect te verkrijgen.
Intoxicaties
Bij geforceerde diurese moet de dosis mannitol worden aangepast om een diurese van ten minste 100 ml/h te
behouden. Er moet naar een positieve vochtbalans van 1 tot 2 l per 24 uur worden gestreefd. Een initiële
oplaaddosis van ongeveer 165 ml mag worden toegediend gedurende 5 minuten.
Kinderen
In geval van nierinsufficiëntie moet een testdosis van 1,3 ml/kg worden toegediend gedurende 5 minuten. De
behandelingsdosis is ongeveer 13 ml/kg. Voor een verhoogde intracraniale en intraoculaire druk mag deze
dosis gedurende 30 tot 60 minuten worden toegediend, zoals bij volwassenen.
Ouderen
De dosering is afhankelijk van het gewicht, de klinische en biologische toestand van de patiënt alsook
gelijktijdige behandelingen. De gebruikelijke dosis is dezelfde als bij volwassenen (330 tot 1330 ml
gedurende 24 uur), met een dosisbeperking van 330 ml per toediening. Het vermogen van de patiënt om
volumebelasting te verdragen alsook de verwachte kans op beïnvloeding van de nierfunctie moeten
zorgvuldig worden overwogen voordat de behandeling met Mannitol 15 % wordt gestart.
Wijze van toediening
De oplossing wordt via intraveneuze weg toegediend met steriele en pyrogeenvrije apparatuur. De
toedieningsset moet voorzien zijn van een filter. Hypertone oplossingen moeten worden toegediend via een
grote perifere ader of bij voorkeur via een centrale ader.
4.3. Contra-indicaties
Mannitol 15 % is gecontra-indiceerd bij patiënten met:
• reeds bestaande hyperosmolariteit van het plasma;
• ernstige dehydratie;
• vastgestelde anurie;
• ernstige hartinsufficiëntie;
• ernstige longstuwing of ernstig longoedeem;
• actieve intracraniale bloeding, behalve tijdens craniotomie.
Version 1.1
Mannitol 15 %
Baxter B.V.
Deel IB1
3/8
4.4. Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Mannitol moet voorzichtig worden toegediend aan patiënten met ernstige nierinsufficiëntie. Uitsluitend als
toereikende diurese bereikt is, mag een testdosis worden toegediend en de behandeling met mannitol worden
voortgezet (zie rubriek 4.2., “Dosering en wijze van toediening”).
Patiënten met een reeds bestaande nieraandoening of patiënten die potentieel nefrotoxische geneesmiddelen
toegediend krijgen, lopen een verhoogd risico op nierinsufficiëntie na toediening van mannitol. De
serumosmolaliteit, diurese en nierfunctie moeten bijzonder zorgvuldig worden bewaakt.
Het zuur-base-evenwicht, de nierfunctie en de serumosmolariteit moeten zorgvuldig worden bewaakt als
mannitol wordt gebruikt.
Als de serumosmolariteit bij de patiënt tijdens de behandeling toeneemt, kunnen de effecten van mannitol op
de diurese en de afname van de intracraniale en intraoculaire druk beïnvloed worden.
Patiënten die mannitol toegediend krijgen, moeten worden gecontroleerd en gevolgd op een verslechtering
van de nier-, hart- of longfunctie. In geval van bijwerkingen moet de behandeling worden stopgezet.
Alvorens Mannitol 15 % snel toe te dienen, moet de cardiovasculaire toestand van de patiënt zorgvuldig
worden onderzocht omdat plotselinge expansie van het extracellulaire volume kan leiden tot plotseling
optredend congestief hartfalen.
Door verplaatsing van natriumvrije intracellulaire vloeistof naar het extracellulaire compartiment na infusie
van mannitol kan de natriumconcentratie in het serum dalen en reeds bestaande hyponatriëmie verergeren.
Het verlies van
natrium en
kalium in de urine neemt toe. Mannitol kan ontoereikende hydratie en
hypovolemie maskeren en verergeren. De vocht- en elektrolytenbalans moet zorgvuldig worden bewaakt.
Er kan ophoping van mannitol optreden als de diurese blijft afnemen tijdens de toediening, wat bestaand of
latent congestief hartfalen kan verergeren.
4.5. Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Versterking van de effecten van mannitol
Bij gelijktijdig gebruik van andere diuretica is het mogelijk dat de effecten van mannitol versterkt worden en
de dosis moet worden aangepast.
Remming van de effecten van mannitol
Aangezien mannitol de hoeveelheid via de urine uitgescheiden
lithium doet toenemen, kan gelijktijdig
gebruik van mannitol de respons op lithium beïnvloeden.
Nefrotoxiciteit van geneesmiddelen vanwege verstoringen van de vochtbalans die verband houden met
mannitol
Hoewel een interactie bij de mens onwaarschijnlijk is, moeten patiënten die gelijktijdig
ciclosporine toegediend krijgen, nauwkeurig worden gecontroleerd en gevolgd op tekenen van nefrotoxiciteit.
Version 1.1
Mannitol 15 %
Baxter B.V.
Deel IB1
4/8
Andere interacties kunnen optreden met aminoglycosiden (versterking van hun ototoxische effecten door
mannitol), tubocurarine en depolariserende neuromusculaire blokkers (versterking van hun effecten door
mannitol), orale antistollingsmiddelen (mannitol kan hun effecten verminderen door de concentratie aan
stollingsfactoren secundair aan dehydratie te verhogen) en
digoxine (als hypokaliëmie optreedt na
behandeling met mannitol, bestaat er een risico op digoxinetoxiciteit).
4.6. Zwangerschap en borstvoeding
Er bestaan geen relevante gepubliceerde gegevens over het gebruik van mannitol bij zwangere vrouwen.
Er zijn geen relevante gepubliceerde gegevens beschikbaar uit dieronderzoek naar het effect van mannitol op
de zwangerschap en/of de ontwikkeling van het embryo/de foetus en/of de bevalling en/of de postnatale
ontwikkeling.
Mannitol mag niet tijdens de zwangerschap worden gebruikt, tenzij strikt noodzakelijk.
Er is geen informatie over de uitscheiding van mannitol in de moedermelk.
4.7. Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Niet van toepassing.
4.8. Bijwerkingen
Symptomen (LLT-termen
Frequentie
Systeemorgaanklasse
MedDRA 6.1)
verstoringen van vocht- en
Soms
Voedings- en stofwisselingsstoornissen
elektrolytenbalans
(> 1/1000 –
Bloedvataandoeningen hypotensie
< 1/100)
Bloedvataandoeningen tromboflebitis
Zelden
Immuunsysteemaandoeningen allergische
reactie
(> 1/10 000 –
Immuunsysteemaandoeningen anafylactische
shock
< 1/1000)
Voedings- en stofwisselingsstoornissen
dehydratie
Voedings- en stofwisselingsstoornissen
oedeem
Zenuwstelselaandoeningen hoofdpijn
Zenuwstelselaandoeningen convulsies
Zenuwstelselaandoeningen duizeligheid
Zenuwstelselaandoeningen verhoogde intracraniale druk
Oogaandoeningen wazig
zien
Hartaandoeningen cardiale
aritmieën
Bloedvataandoeningen hypertensie
Ademhalingsstelsel-, borstkas- en
longstuwing
mediastinumaandoeningen
Ademhalingsstelsel-, borstkas- en
longoedeem
mediastinumaandoeningen
Ademhalingsstelsel-, borstkas- en
rinitis
mediastinumaandoeningen
Maag-darmstelselaandoeningen droge
mond
Huid- en onderhuidaandoeningen
huidnecrose
Maagdarmstelselaandoeningen
dorst
Maagdarmstelselaandoeningen
misselijkheid
Version 1.1
Mannitol 15 %
Baxter B.V.
Deel IB1
5/8
Symptomen (LLT-termen
Frequentie
Systeemorgaanklasse
MedDRA 6.1)
Maagdarmstelselaandoeningen
braken
Huid- en onderhuidaandoeningen
urticaria
Skeletspierstelsel- en
krampen
bindweefselaandoeningen
Nier- en urinewegaandoeningen
overmatige diurese
Nier- en urinewegaandoeningen
osmotische nefrose
Nier- en urinewegaandoeningen
urineretentie
Algemene aandoeningen en
koude rillingen
toedieningsplaatsstoornissen
Algemene aandoeningen en
(angineuze) pijn op de borst
toedieningsplaatsstoornissen
Algemene aandoeningen en
koorts
toedieningsplaatsstoornissen
Zeer zelden
Hartaandoeningen congestief
hartfalen
(< 1/10 000)
Nier- en urinewegaandoeningen
acute nierinsufficiëntie
4.9. Overdosering
Als overdosis vermoed wordt, moet de behandeling met mannitol onmiddellijk worden stopgezet.
Langdurige toediening of snelle infusie van grote hoeveelheden hyperosmotische oplossingen kan aanleiding
geven tot circulatoire overbelasting en acidose. Hoofdpijn, misselijkheid en koude rillingen zonder wijziging
van de lichaamstemperatuur kunnen de eerste tekenen/symptomen zijn. Verwardheid, lusteloosheid,
convulsies, stupor en coma kunnen volgen.
De behandeling is symptomatisch en ondersteunend, waarbij de vocht- en elektrolytenbalans bewaakt wordt.
Hemodialyse kan nuttig zijn.
5. FARMACOLOGISCHE
EIGENSCHAPPEN
5.1. Farmacodynamische
eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: oplossingen voor osmotische diurese.
ATC-code: B 05BC01.
Mannitol, een koolhydraat, blijft gelokaliseerd in het extracellulaire compartiment. Het heeft een osmotisch
effect, zodat vloeistof zich verplaatst van het intracellulaire naar het extracellulaire compartiment.
Mannitol is gemakkelijk filtreerbaar ter hoogte van de nierglomerulus en minder dan 10 % wordt vanuit het
nierbuisje gereabsorbeerd. Mannitol heeft een osmotisch effect in de nierbuisjes, waardoor de reabsorptie
van water uit het glomerulusfiltraat afneemt en diurese optreedt. Daarbij bevordert mannitol de diurese
tijdens oligurie/anurie of in gevallen waar de patiënt het risico loopt op acute nierinsufficiëntie. Mannitol
verhoogt tevens de uitscheiding van elektrolyten, vooral natrium, kalium en chloride. Ook de uitscheiding
van via de nieren uitgescheiden stoffen zoals salicylaten en barbituraten wordt verhoogd.
Onder normale omstandigheden passeert mannitol niet de intacte bloed-hersenbarrière. Mannitol blijft
gelokaliseerd in het plasma, waar het een osmotische druk uitoefent waardoor vloeistof het hersenweefsel
verlaat en zowel het hersenvolume als de intracraniale druk afnemen.
Mannitol dringt niet door tot in de ogen. Het verlaagt de intraoculaire druk vanwege zijn osmotisch effect.
Version 1.1
Mannitol 15 %
Baxter B.V.
Deel IB1
6/8
5.2. Farmacokinetische
eigenschappen
Bij intraveneuze toediening wordt mannitol hoofdzakelijk in niet-gemetaboliseerde vorm verwijderd via de
glomeruli. Slechts 10 % wordt gereabsorbeerd vanuit het nierbuisje. De eliminatiehalfwaardetijd bij
volwassenen bedraagt ongeveer 2 uur en is langer in geval van nierinsufficiëntie. Van een intraveneus
toegediende dosis wordt 80 % ongewijzigd binnen 3 uur uitgescheiden.
5.3. Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Er zijn geen preklinische gegevens die relevant zijn voor de voorschrijvende arts, afgezien van de gegevens
die zijn opgenomen in andere rubrieken van deze wetenschappelijke bijsluiter.
6. FARMACEUTISCHE
GEGEVENS
6.1. Lijst van hulpstoffen
Water voor injecties.
6.2. Gevallen van onverenigbaarheid
Cefepim,
imipenem,
cilastatine en
filgrastim zijn bijvoorbeeld onverenigbaar met mannitoloplossingen. Deze
opsomming is echter onvolledig.
Vanwege het risico op pseudoagglutinatie mag Mannitol 15 % niet gelijktijdig met, vóór of na de toediening
van bloed worden toegediend via dezelfde infusieapparatuur.
6.3. Houdbaarheid
Houdbaarheid in de beschermverpakking:
• zakken van 250 ml, 500 ml en 1000 ml: 3 jaar.
• zakken van 100 ml: 30 maanden.
Houdbaarheid na opening van de beschermverpakking: toegevoegde geneesmiddelen
Vóór gebruik moeten de chemische en fysische stabiliteit van het toe te voegen geneesmiddel worden
bepaald bij de zuurgraad van de mannitoloplossing in de Viaflo-zak. Uit microbiologisch standpunt moet het
verdunde product onmiddellijk worden gebruikt en moet de infusie binnen 24 uur na toevoeging van een
geneesmiddel worden voltooid, tenzij de verdunning uitgevoerd is onder gecontroleerde en gevalideerde
aseptische omstandigheden.
6.4. Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Niet in de koelkast of de vriezer bewaren.
6.5. Aard en inhoud van de verpakking
De zakken zijn vervaardigd van polyolefine/polyamide plastic (PL 2442), verkregen via co-extrusie, en
bevatten een mannitoloplossing. De zakken bevinden zich in een beschermverpakking van
polyamide/polypropyleen, die uitsluitend dient als fysieke bescherming van de zak.
Version 1.1
Mannitol 15 %
Baxter B.V.
Deel IB1
7/8
De verpakkingsgrootte is 100 ml, 250 ml, 500 ml of 1000 ml.
De kartonnen buitenverpakking bevat:
- 50 zakken van 100 ml,
- 30 zakken van 250 ml,
- 20 zakken van 500 ml,
- 10 zakken van 1000 ml.
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6. Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
De oplossing is bedoeld voor intraveneuze toediening via een steriele toedieningsset die een filter bevat.
Deze hypertone oplossing moet worden toegediend via een grote perifere ader of bij voorkeur via een
centrale ader. Een snelle infusie via perifere aders kan schadelijk zijn.
Niet gelijktijdig met bloed toedienen.
Uitsluitend gebruiken als de oplossing helder is en geen zichtbare deeltjes bevat, en de zak onbeschadigd is.
Onmiddellijk toedienen na inbrenging van de toedieningsset.
Bij koelere temperaturen kan mannitol kristalliseren. Gekristalliseerd mannitol moet opnieuw worden
opgelost door de oplossing in een waterbad van 50°C tot 70°C op te warmen en regelmatig krachtig te
schudden. DE OPLOSSING VÓÓR DE INFUSIE TOT 37°C LATEN AFKOELEN.
De zak pas vlak vóór gebruik uit de beschermverpakking nemen. De binnenverpakking zorgt ervoor dat de
steriliteit van het product behouden blijft.
Plastic zakken mogen niet in serieverbinding worden gebruikt. Dergelijk gebruik kan leiden tot luchtembolie
als gevolg van achterblijvende lucht die uit de eerste zak opgezogen is, voordat de toediening van de
vloeistof uit de tweede zak beëindigd is.
Aan de hand van een aseptische techniek moet de oplossing worden toegediend met steriele apparatuur. Deze
apparatuur moet worden geprimed met de oplossing om te voorkomen dat lucht binnendringt in het systeem.
Toe te voegen geneesmiddelen kunnen vóór of tijdens de infusie worden toegevoegd via de injectiepoort.
Het toegevoegde geneesmiddel moet grondig en zorgvuldig worden gemengd onder aseptische
omstandigheden. Oplossingen met toegevoegde geneesmiddelen moeten onmiddellijk worden gebruikt en
mogen niet worden bewaard.
Toevoeging van andere geneesmiddelen of een onjuiste toedieningstechniek kan koortsreacties veroorzaken
vanwege de mogelijke introductie van pyrogenen. Als er een bijwerking optreedt, moet de infusie
onmiddellijk worden stopgezet.
Vernietigen na eenmalig gebruik.
Niet-gebruikte oplossing vernietigen.
Gedeeltelijk gebruikte zakken niet opnieuw aansluiten.
Version 1.1
Mannitol 15 %
Baxter B.V.
Deel IB1
8/8
1. De beschermverpakking openen
a. Neem de Viaflo-zak pas vlak vóór gebruik uit de beschermverpakking.
b. Controleer op de aanwezigheid van kleine lekken door stevig in de binnenverpakking te knijpen.
Vernietig de oplossing in geval van lekken, aangezien de steriliteit kan zijn aangetast.
c. Controleer of de oplossing helder is en geen vreemde deeltjes bevat. Vernietig de oplossing als die niet
helder is of vreemde deeltjes bevat.
2. De toediening voorbereiden
Steriel materiaal gebruiken voor voorbereiding en toediening.
a. Hang de zak via het oogje omhoog aan de infuusstandaard.
b. Verwijder de plastic beschermhuls van de uitlaatpoort onderaan op de zak:
- Neem met de ene hand de kleine vleugel op de uitlaatpoort vast.
- Neem met de andere hand de grotere vleugel op de beschermhuls vast en draai die van de uitlaatpoort.
- De beschermhuls springt los van de uitlaatpoort.
c. Pas een aseptische techniek toe om de infusie voor te bereiden.
d. Bevestig de toedieningsset. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van de set voor de aansluiting en priming
van de set en de toediening van de oplossing.
3. Technieken voor de injectie van toe te voegen geneesmiddelen
Waarschuwing: Het is mogelijk dat toe te voegen geneesmiddelen onverenigbaar zijn. Controleer vóór
gebruik de verenigbaarheid van het toe te voegen geneesmiddel met zowel de oplossing als de zak.
Geneesmiddelen toevoegen vóór de toediening
a. Desinfecteer de injectiepoort.
b. Gebruik een spuit met een naald van 19 tot 22 gauge om de hersluitende injectiepoort aan te prikken, en
injecteer het toe te voegen geneesmiddel in de zak met oplossing.
c. Meng de oplossing grondig met het geneesmiddel. Tik voorzichtig op de poorten terwijl die rechtop
gehouden worden, en meng het geneesmiddel met de oplossing in geval van geneesmiddelen met een
hoge densiteit zoals
kaliumchloride.
Opgelet: Zakken met toegevoegde geneesmiddelen niet bewaren.
Geneesmiddelen toevoegen tijdens de toediening
a. Sluit de klem op de set.
b. Desinfecteer de injectiepoort.
c. Gebruik een spuit met een naald van 19 tot 22 gauge om de hersluitende injectiepoort aan te prikken, en
injecteer het toe te voegen geneesmiddel in de zak met oplossing.
d. Verwijder de zak van de infuusstandaard en/of houd de zak rechtop.
e. Tik voorzichtig op beide poorten om de aanwezige luchtbellen in de poorten te verwijderen, terwijl de zak
rechtop gehouden wordt.
f. Meng de oplossing grondig met het geneesmiddel.
g. Hang de zak opnieuw omhoog aan de infuusstandaard, open de klem en ga verder met de toediening.
Version 1.1
Mannitol 15 %
Baxter B.V.
Deel IB1
9/8
7.
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Baxter B.V., Kobaltweg 49, NL-3542 CE Utrecht, Nederland
8.
NUMMER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
RVG 106414
9.
DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/HERNIEUWING VAN DE
VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 8 september 2010.
Datum van laatste hernieuwing:
10.
DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Version 1.1