Exmedica
 




Delen via:




Bestanden

    Home > Bestanden

Pariet 20 mg, maagsapresistente tabletten

Download: IB-tekst PDF
Registratienummer: RVG 32328//23211
RVG 34385//23211
Registratiehouder: Euro Registratie Collectief


SPC Pariet
13/08/2008
1/9



1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL


PARIET 10 mg

PARIET 20 mg

2.
KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING



10 mg rabeprazolnatrium overeenkomend met 9,42 mg rabeprazol

20 mg rabeprazolnatrium overeenkomend met 18,85 mg rabeprazol

Voor een volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.

3. FARMACEUTISCHE
VORM

Maagsapresistente
tabletten

10 mg tablet: roze, filmomhulde biconvexe tablet met aan een zijde de opdruk `E241'.

20 mg tablet: gele, filmomhulde biconvexe tablet met aan een zijde de opdruk `E243'.

4. KLINISCHE
GEGEVENS

4.1 Therapeutische
indicaties


PARIET-tabletten zijn geïndiceerd voor de behandeling van:
· actief ulcus duodeni;
· actief benigne ulcus ventriculi;
· symptomatisch eroderende of ulceratieve gastro-oesofageale reflux (GOR);
· langdurige behandeling van gastro-oesofageale reflux (onderhoudsdosis t.b.v. GOR);
· symptomatische behandeling van matige tot zeer ernstige gastro-oesofageale reflux
(symptomatische GOR);
· Zollinger-Ellison
syndroom.
Eradicatie van Helicobacter pylori in combinatie met geschikte antibacteriële therapie bij
patiënten met peptische ulcera (zie rubriek 4.2).

4.2

Dosering en wijze van toediening

Volwassenen/ouderen

Actief ulcus duodeni en actief benigne ulcus ventriculi: De aanbevolen orale dosis voor zowel
actief ulcus duodeni als actief benigne ulcus ventriculi is 20 mg, eenmaal daags `s morgens
in te nemen.


De meeste patiënten met actief ulcus duodeni genezen binnen vier weken. Een aantal
patiënten behoeft mogelijk echter vier extra weken therapie om te genezen. De meeste
patiënten met actief benigne ulcus ventriculi genezen binnen zes weken. Ook in dit geval
behoeft een aantal patiënten mogelijk echter zes weken extra therapie om te genezen.


Eroderende of ulceratieve gastro-oesofageale reflux (GOR): De aanbevolen orale dosis voor
deze aandoening is 20 mg, gedurende vier tot acht weken eenmaal daags in te nemen.

Langdurige behandeling van gastro-oesofageale reflux (onderhoudsdosis t.b.v. GOR): Voor
langdurige behandeling kan op geleide van klachten van de patiënt een onderhoudsdosis
PARIET van 20 of 10 mg eenmaal daags worden gebruikt.


Symptomatische behandeling van matige tot zeer ernstige gastro-oesofageale reflux
(symptomatische GOR):
bij patiënten zonder oesofagitis eenmaal daags 10 mg. Als de
symptomen na vier weken behandeling niet onder controle zijn, dient de patiënt verder te
worden onderzocht. Nadat de symptomen zijn verdwenen kunnen ze vervolgens onder


SPC Pariet
13/08/2008
2/9

controle gehouden worden door, alleen indien nodig, eenmaal daags 10 mg toe te dienen als
de klachten terugkomen.


Zollinger-Ellison syndroom: de aanbevolen startdosis is 60 mg eenmaal daags. De dosis mag
verhoogd worden naar 120 mg per dag op basis van de individuele behoefte van de patiënt.
Eenmaal daagse doseringen tot 100 mg mogen worden gegeven. Het is aan te bevelen een
dosis van 120 mg te verdelen in 60 mg tweemaal daags. De behandeling dient voortgezet te
worden zolang dit klinisch noodzakelijk is.


Eradicatie van H. pylori: patiënten met een H. pylori-infectie moeten behandeld worden met
een eradicatietherapie. De volgende combinatie wordt aanbevolen (toediening gedurende 7
dagen):
-
PARIET 20 mg tweemaal per dag + claritromycine 500 mg tweemaal per dag +
amoxicilline 1 g tweemaal per dag.


Er is geen aantoonbaar effect van het tijdstip van de dag of voedselinname op de activiteit
van rabeprazolnatrium. PARIET-tabletten kunnen dus onafhankelijk van de maaltijd worden
ingenomen. Ter bevordering van de therapietrouw verdient het echter aanbeveling, voor
indicaties die een eenmaal daagse behandeling vereisen, PARIET-tabletten `s morgens vóór
het eten in te nemen.


Men dient de patiënt erop te wijzen dat PARIET-tabletten niet mogen worden gekauwd of
verpulverd maar heel moeten worden doorgeslikt.


Nier- en leverinsufficiëntie:

Voor patiënten met nier- of leverinsufficiëntie zijn geen aanpassingen van de dosis vereist.


Zie rubriek 4.4 `Bijzondere waarschuwingen en bijzondere voorzorgen bij gebruik' voor het
gebruik van PARIET bij de behandeling van patiënten met ernstige leverinsufficiëntie.

Kinderen:

PARIET wordt niet aanbevolen voor gebruik bij kinderen, aangezien er geen ervaring is met
het gebruik bij deze groep.

4.3 Contra-indicaties


PARIET is gecontraïndiceerd bij patiënten met bekende overgevoeligheid voor
rabeprazolnatrium of voor hulpstoffen die in de samenstelling gebruikt zijn. PARIET is
gecontraïndiceerd tijdens de zwangerschap en het geven van borstvoeding.

4.4
Speciale waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik


Een symptomatische respons op rabeprazolnatrium wil niet zeggen dat geen gastrische of
oesofageale maligniteit aanwezig is. De mogelijkheid van maligniteit moet derhalve vóór
aanvang van de behandeling met PARIET worden uitgesloten.



Patiënten die langdurig worden behandeld (vooral bij gebruik langer dan een jaar) moeten
onder geregeld toezicht blijven.


Een risico van kruisovergevoeligheid met andere protonpompremmers of gesubstitueerde
benzimidazolen kan niet worden uitgesloten.


Men dient de patiënten erop te wijzen dat PARIET-tabletten niet mogen worden gekauwd of
verpulverd maar heel moeten worden doorgeslikt.


PARIET wordt niet aanbevolen voor gebruik bij kinderen aangezien er geen ervaring is met
het gebruik bij deze groep.





SPC Pariet
13/08/2008
3/9



Er zijn postmarketingmeldingen gedaan van bloeddyscrasieën (trombocytopenie en
neutropenie). In de meeste gevallen waarin geen andere etiologie kan worden gevonden,
waren de voorvallen ongecompliceerd en verdwenen na het stoppen met rabeprazol.


Afwijkingen in de leverenzymen zijn waargenomen in klinische studies en zijn ook na de
toelating op de markt gerapporteerd. In de meeste gevallen waarin geen andere etiologie kan
worden gevonden, waren de voorvallen ongecompliceerd en verdwenen na het stoppen met
rabeprazol.


In een onderzoek waarbij patiënten met lichte tot matige leverinsufficiëntie werden
vergeleken met, wat geslacht en leeftijd betreft, corresponderende controlegroepen, werden
geen aanwijzingen voor significante veiligheidsproblemen in verband met het geneesmiddel
waargenomen. Omdat er echter geen klinische gegevens zijn betreffende het gebruik van
PARIET bij de behandeling van patiënten met ernstige leverdysfunctie, wordt de
voorschrijvend arts geadviseerd de nodige voorzichtigheid in acht te nemen wanneer
dergelijke patiënten voor het eerst op een behandeling met PARIET worden ingesteld.


Gelijktijdige toediening van PARIET met atazanavir wordt niet aanbevolen (zie rubriek 4.5).

4.5
Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie


Rabeprazolnatrium veroorzaakt een ingrijpende en langdurige remming van de
maagsapsecretie. Er was sprake van een mogelijke interactie met verbindingen die een pH-
afhankelijke absorptie hebben. Gelijktijdige toediening van rabeprazolnatrium met
ketoconazol of itraconazol kan leiden tot een significante vermindering van de
plasmaspiegels van de antischimmelmiddelen. Daarom kan het nodig zijn om patiënten te
volgen om na te gaan of een dosisaanpassing van ketoconazol of itraconazol nodig is.



Er zijn klinische onderzoeken uitgevoerd waarbij gelijktijdig met PARIET ook antacida werden
toegediend. In een specifiek geneesmiddel-geneesmiddel interactie onderzoek werd geen
interactie met vloeibare antacida waargenomen.


Gelijktijdige toediening van atazanavir 300 mg/ritonavir 100 mg met omeprazol (40 mg
eenmaal daags) of atazanavir 400 mg met lansoprazol (60 mg eenmaal daags) aan gezonde
vrijwilligers leidde tot een aanmerkelijke vermindering in atazanavirblootstelling. De absorptie
van atazanavir is afhankelijk van de pH. Hoewel niet onderzocht, worden dezelfde resultaten
verwacht met andere protonpompremmers. Daarom dienen PPI's, met inbegrip van
rabeprazol, niet gelijktijdig te worden toegediend met atazanavir (zie rubriek 4.4).

4.6
Zwangerschap en borstvoeding


Gebruik bij zwangerschap:

Er zijn geen gegevens beschikbaar over de veiligheid van rabeprazol tijdens de
zwangerschap bij de mens. Voortplantingsstudies bij ratten en konijnen hebben geen
aanwijzingen opgeleverd van een verminderde vruchtbaarheid of schade aan de foetus ten
gevolge van rabeprazolnatrium, hoewel bij ratten wel een geringe overdracht tussen de
placenta en de foetus optreedt. PARIET is tijdens de zwangerschap gecontraïndiceerd.


Gebruik bij borstvoeding:

Het is niet bekend of rabeprazolnatrium bij de mens via de moedermelk wordt uitgescheiden.
Er zijn geen onderzoeken uitgevoerd bij vrouwen die borstvoeding gaven. Rabeprazolnatrium
wordt bij de rat echter uitgescheiden door de mammaklieren. PARIET mag derhalve niet
worden gebruikt tijdens het geven van borstvoeding.


SPC Pariet
13/08/2008
4/9

4.7

Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen


Gezien de farmacodynamische eigenschappen en het bijwerkingenprofiel is het
onwaarschijnlijk dat PARIET de rijvaardigheid nadelig beïnvloedt of het vermogen om
machines te bedienen aantast. Als de waakzaamheid echter vermindert ten gevolge van
somnolentie, dan verdient het aanbeveling geen vervoermiddel te besturen of ingewikkelde
machines te bedienen.

4.8 Bijwerkingen


De meest gemelde bijwerkingen gedurende gecontroleerd klinisch onderzoek met
rabeprozol, waren: hoofdpijn, diarree, buikpijn, astenie, flatulentie, huiduitslag en droge
mond. De meeste tijdens klinisch onderzoek waargenomen bijwerkingen waren mild of matig
ernstig en van voorbijgaande aard.


De volgende bijwerkingen zijn gemeld in klinisch onderzoek en tijdens postmarketing-
ervaring.



SPC Pariet
13/08/2008
5/9

De bijwerkingen worden als volgt uitgedrukt: vaak (>1/100, <1/10); soms (>1/1000, <1/100);
zelden (>1/10.000, <1/1000); zeer zelden (<1/10.000).

Orgaanklasse Vaak
Soms Zelden
Zeer
zelden
Onbekend
Infecties en
Infectie




parasitaire


aandoeningen
Bloed- en

Neutropenie


lymfestelselaandoe-
Leukopenie
ningen
Trombocytopenie
Leukocytose
Immuunsysteem-

Overgevoeligheid


aandoeningen
1,2
Voedings- en

Anorexie

Hyponatre-
stofwisselings-
mie
stoornissen
Psychische
Slapeloosheid Nervositeit Depressie
Verwardheid
stoornissen

Zenuwstelselaan-
Hoofdpijn
Slaperigheid


doeningen
Duizeligheid
Oogaandoeningen

Visusstoornissen

Bloedvataandoenin-



Perifeer
gen
oedeem
Ademhalingsstel-
Hoest
Bronchitis



sel-, borstkas- en
Faryngitis
Sinusitis
mediastinumaan-
Rhinitis
doeningen
Maagdarmstelsel-
Diarree
Dyspepsie
Gastritis


aandoeningen
Misselijkheid
Droge mond
Stomatitis
Braken
Oprispingen
Smaakstoornis-
Buikpijn

sen
Obstipatie
Flatulentie
Lever- en

Hepatitis


galaandoeningen
Geelzucht
Hepatische
encefalopathie3
Huid- en onderhuid-
Rash
Pruritus
Erythema

aandoeningen
Erytheem2
Transpireren
multiforme,
Bulleuze reacties2 toxische
epidermale
necrolyse
(TEN),
Stevens-
Johnson
syndroom
(SJS)
Skeletspierstelsel-
Aspecifieke
Myalgie



en bindweefsel-
pijn
Beenkramp
aandoeningen
Rugpijn
Artralgie
Nier- en urineweg-
Urineweg-
Interstitiële nefritis

aandoeningen
infectie


SPC Pariet
13/08/2008
6/9

Orgaanklasse Vaak
Soms Zelden
Zeer
zelden
Onbekend
Voortplantingsstel-



Gynecomas-
sel- en
tie
borstaandoeningen
Algemene
Asthenie
Pijn op de



aandoeningen en
Griepachtige
borst
toedieningsplaats-
ziekte
Rillingen
stoornissen
Pyrexie
Onderzoeken
Verhoogde
Gewichtstoename

lever-
enzymen3

1 Omvat ook gezwollen gezicht, hypotensie en dyspnoe
2 Erytheem, bulleuze reacties en overgevoeligheidsreacties verdwijnen doorgaans na het stoppen van
de behandeling.
3 Incidentele meldingen van hepatische encefalopathie zijn ontvangen van patiënten met een
onderliggende cirrose. De arts wordt geadviseerd de nodige voorzichtigheid in acht te nemen als Pariet
voor het eerst gestart wordt bij de behandeling van patiënten met ernstige leverfunctiestoornissen (zie
rubriek 4.4).


4.9 Overdosering


De ervaring met opzettelijke of toevallige overdosering is beperkt. De maximale vastgestelde
blootstelling was niet hoger dan 60 mg tweemaal daags of 160 mg eenmaal daags. De
effecten zijn in het algemeen minimaal en komen overeen met het bekende
bijwerkingenprofiel. Zij zijn reversibel zonder verdere medische tussenkomst. Er is geen
specifiek antidotum bekend. Rabeprazolnatrium bindt zich in hoge mate aan eiwitten en kan
daardoor niet gemakkelijk worden gedialyseerd. De behandeling dient, zoals in alle gevallen
van overdosering, symptomatisch te zijn met gebruik van algemene ondersteunende
maatregelen.

5. FARMACOLOGISCHE

EIGENSCHAPPEN

5.1 Farmacodynamische
eigenschappen


Farmacotherapeutische groep: Spijsverteringskanaal en metabolisme, geneesmiddelen voor
maagzweren en gastro-oesofageale refluxziekte (GORD), protonpompremmers, ATC-code:
A02BC04


Werkingsmechanisme: Rabeprazol behoort tot de klasse van secretieremmende
verbindingen, de gesubstitueerde benzimidazolen, die geen anticholinerge of H2-
histamineantagonistische eigenschappen hebben maar de maagsapsecretie onderdrukken
door specifieke remming van het enzym H+/K+-ATPase (de zuur- of protonpomp). Het effect
is dosisafhankelijk en leidt tot remming van zowel de basale als de gestimuleerde
zuursecretie, ongeacht de stimulans. Uit dierproeven blijkt dat rabeprazolnatrium na
toediening snel uit het plasma en de tunica mucosa ventriculi verdwijnt. Rabeprazol is een
zwakke base en wordt na alle doses snel geabsorbeerd en geconcentreerd in de zure
omgeving van de pariëtale cellen. Rabeprazol wordt door protonering omgezet in de actieve
sulfonamidevorm en reageert vervolgens met cysteïne dat op de protonpomp beschikbaar is.


Secretieremmende werking: Na orale toediening van een rabeprazolnatriumdosis van 20 mg
vangt het secretieremmende effect binnen een uur aan en bereikt binnen twee tot vier uur
een maximum. De remming van de basale en door voedsel opgewekte zuursecretie 23 uur
na de eerste dosis rabeprazolnatrium is respectievelijk 69% en 82% en deze remming duurt
maximaal 48 uur voort. Het remmende effect van rabeprazolnatrium op de zuursecretie
neemt bij herhaalde eenmaaldaagse doses een weinig toe en bereikt na drie dagen een


SPC Pariet
13/08/2008
7/9

dynamisch evenwicht. Nadat het gebruik van het geneesmiddel wordt gestaakt, keert de
secretieactiviteit gedurende een periode van 2 tot 3 dagen weer terug naar normaal.


Effect op gastrine in serum: In klinische onderzoeken kregen patiënten gedurende maximaal
43 maanden eenmaal daags 10 of 20 mg rabeprazolnatrium toegediend. De
gastrineconcentratie in serum nam gedurende de eerste 2 tot 8 weken toe, als weerslag van
de remmende werking op de zuursecretie en bleef stabiel tijdens voortzetting van de
behandeling. De gastrinewaarden keerden gewoonlijk binnen 1 tot 2 weken na onderbreking
van de therapie weer terug tot het niveau van vóór de behandeling.


In maagbiopten afkomstig uit het antrum en de fundus van meer dan 500 patiënten die
gedurende maximaal 8 weken rabeprazol of een vergelijkbare behandeling ontvingen, waren
geen veranderingen waarneembaar in de histologie van ECL-cellen, mate van gastritis,
incidentie van atrofische gastritis, intestinale metaplasie of distributie van een infectie met H.
pylori
. Bij meer dan 250 patiënten die tijdens continue therapie over een periode van 36
maanden werden gevolgd, werd geen significante wijziging in de basislijnresultaten
waargenomen.


Overige effecten: Er zijn vooralsnog geen systemische effecten van rabeprazolnatrium op het
centrale zenuwstelsel, cardiovasculaire of ademhalingssysteem gevonden.
Rabeprazolnatrium, oraal toegediend in een dosis van 20 mg gedurende 2 weken, had geen
effect op de functie van de schildklier, op het koolhydraatmetabolisme of op de circulerende
concentraties van parathyroïdhormoon, cortisol, oestrogeen, testosteron, prolactine,
cholecystokininesecretie, glucagon, follikelstimulerend hormoon (FSH), luteïniserend
hormoon (LH), renine, aldosteron of somatotrofine.

Onderzoekingen bij vrijwilligers toonden aan dat rabeprazolnatrium geen klinisch significante
interacties heeft met amoxicilline. Rabeprazol heeft geen negatieve invloed op de
plasmaconcentraties van amoxicilline of claritromycine wanneer het samen wordtingenomen
ter eradicatie van een H. pylori-infectie hoog in het maag-darmkanaal.

5.2 Farmacokinetische

eigenschappen


Absorptie: PARIET is een maagsapresistente formulering van rabeprazolnatrium in
tabletvorm. Deze formulering is noodzakelijk omdat rabeprazol instabiel is in een zuur
milieu. De absorptie van rabeprazol begint derhalve pas nadat het tablet de maag heeft
verlaten. De absorptie is snel. De piekplasmawaarde (Cmax.) van rabeprazol wordt ongeveer
3,5 uur na een dosis van 20 mg bereikt. De piekplasmawaarde van rabeprazol en de AUC
verlopen lineair over een dosisbereik van 10 mg tot 40 mg. De absolute biologische
beschikbaarheid van een orale dosis van 20 mg (vergeleken met intraveneuze toediening) is
ongeveer 52%, voor een belangrijk deel door de pre-systemische metabolisering. De
biologische beschikbaarheid lijkt bovendien niet toe te nemen na herhaalde toediening. Bij
gezonde vrijwilligers bedraagt de plasma-eliminatiehalfwaardetijd ongeveer één uur
(variatie: 0,7 tot 1,5 uur) en de totale lichaamsklaring wordt geschat op 283±98 ml/min. Er
was geen klinisch relevante interactie met voedsel. De absorptie van rabeprazolnatrium
wordt niet beïnvloed door voedsel of het dagelijkse tijdstip van inname van de behandeling.


Distributie: Rabeprazol wordt bij de mens voor ongeveer 97% gebonden aan plasma-eiwit.


Metabolisme en eliminatie: Rabeprazolnatrium wordt, evenals andere vertegenwoordigers
van de klasse van protonpompremmers (PPI), gemetaboliseerd via cytochroom-P450
(CYP450), het leverenzymsysteem dat geneesmiddelen metaboliseert. In vitro studies met
menselijke lever microsomen geven aan dat rabeprazolnatrium gemetaboliseerd wordt door
isoenzymen van CYP450 (CYP2C19 en CYP3A4). In deze studies induceert noch remt
rabeprazol CYP3A4 bij te verwachten humane plasmaconcentraties; en ofschoon in vitro
studies niet altijd voorspellend zijn voor de in vivo status geven deze bevindingen aan dat er
geen interactie is te verwachten tussen rabeprazol en ciclosporine. Bij de mens zijn de
thioëther (M1) en carbonzuur (M6) de belangrijkste plasmametabolieten, terwijl de sulfon
(M2), desmethylthioëther (M4) en het mercapturinezuurconjugaat (M5) minder belangrijke
metabolieten zijn die in lagere concentraties worden waargenomen. Alleen de


SPC Pariet
13/08/2008
8/9

desmethylmetaboliet (M3) heeft een geringe secretieremmende activiteit maar komt niet
voor in plasma.


Na een enkele orale dosis van 20 mg rabeprazolnatrium gelabeld met 14C werd geen
ongewijzigd geneesmiddel in de urine uitgescheiden. Ongeveer 90% van de dosis werd via
de urine geëlimineerd in de vorm van twee metabolieten: een mercapturinezuurconjugaat
(M5) en een carbonzuur (M6), naast twee onbekende metabolieten. De rest van de dosis
werd in de faeces teruggevonden.


Sekse: De farmacokinetische parameters na toediening van een enkele dosis
rabeprazolnatrium van 20 mg verschillen na aanpassing voor lichaamsgewicht en lengte niet
significant tussen de seksen.


Nierdisfunctie: Bij patiënten met stabiel nierfalen in het laatste stadium die
onderhoudsdialyse ondergingen (creatinineklaring 5 ml/min./1,73 m2) leek de verdeling van
rabeprazol sterk op die bij gezonde vrijwilligers. De AUC en Cpl.max. was bij deze patiënten
ongeveer 35% lager dan bij gezonde vrijwilligers. De gemiddelde halfwaardetijd van
rabeprazol was bij gezonde vrijwilligers 0,82 uur, 0,95 uur bij patiënten tijdens nierdialyse en
3,6 uur na nierdialyse. De klaring van het geneesmiddel bij patiënten met
nierfunctiestoornissen die onderhoudsdialyse vereisen, was ongeveer tweemaal zo groot als
bij gezonde vrijwilligers.


Leverdisfunctie: Bij patiënten met lichte tot matige chronische leverfunctiestoornissen
verdubbelde de AUC vergeleken bij gezonde vrijwilligers na toediening van een enkele dosis
rabeprazol van 20 mg en er was sprake van een twee- tot drievoudige toename in de
halfwaardetijd van rabeprazol. Na een dagelijkse dosis van 20 mg gedurende 7 dagen was
de AUC echter slechts met een factor 1,5 toegenomen en de Cmax. slechts met een factor 1,2.
Bij patiënten met leverfunctiestoornissen bedroeg de halfwaardetijd van rabeprazol 12,3 uur
vergeleken met 2,1 uur bij gezonde vrijwilligers. De farmacodynamische respons bij de twee
groepen (bepaling van pH in de maag) was klinisch vergelijkbaar.


Ouderen: De eliminatie van rabeprazol was bij ouderen enigszins verlaagd. Na een
dagelijkse dosis rabeprazolnatrium van 20 mg gedurende 7 dagen werd, vergeleken met
jonge gezonde vrijwilligers, de AUC ongeveer tweemaal zo groot, nam de Cmax. toe met 60%
en nam de halfwaardetijd toe met ongeveer 30%. Er waren echter geen aanwijzingen voor
accumulatie van rabeprazol.


CYP2C19-polymorfisme: Na een dagelijkse dosis rabeprazolnatrium van 20 mg gedurende 7
dagen waren de AUC en halfwaardetijd bij langzaam metaboliserende CYP2C19-genotypen
respectievelijk 1,9- en 1,6-maal zo groot als de corresponderende parameters bij snel
metaboliserende genotypen terwijl de Cmax slechts 40% was toegenomen.

5.3
Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek


Niet-klinische effecten werden slechts waargenomen bij blootstelling aan doses die de
maximaal toelaatbare dosis bij de mens zodanig te boven gingen dat de veiligheidsrisico's
met betrekking tot de gegevens uit dierproeven bij de mens verwaarloosbaar zijn.


Mutageniteitsonderzoeken gaven eensluidende resultaten. Proeven in een van de muis
afkomstige lymfoomcellijn waren positief maar in vivo-micronucleusproeven en zowel in vitro
als in vivo DNA-reparatieproeven waren negatief. Carcinogeniteitsproeven wezen niet op een
bijzonder gevaar voor de mens.


SPC Pariet
13/08/2008
9/9


6. FARMACEUTISCHE

GEGEVENS

6.1
Lijst van hulpstoffen


Tablet 10 mg

Tabletkern: mannitol (E 421), magnesiumoxide, licht gesubstitueerde hyprolose, hyprolose,
magnesiumstearaat.

Coating van de tabletkern: ethylcellulose, magnesiumoxide.

Maagsapresistente coating: hypromelloseftalaat, tweevoudig geacetyleerde monoglyceriden,
talk (E 553B), titaniumoxide (E 171), rood ijzeroxide (E 172), carnaubawas.

Inktopdruk: witte schellak, zwart ijzeroxide (E 172), gedehydrateerd ethylalcohol, 1-butanol.


Tablet 20 mg

Tabletkern: mannitol (E 421), magnesiumoxide, licht gesubstitueerde hyprolose, hyprolose,
magnesiumstearaat.

Coating van de tabletkern: ethylcellulose, magnesiumoxide.

Maagsapresistente coating: hypromelloseftalaat, tweevoudig geacetyleerde monoglyceriden,
talk (E 553B), titaniumoxide (E 171), geel ijzeroxide (E 172), carnaubawas.

Inktopdruk: witte schellak, rood ijzeroxide (E 172), carnaubawas, glycerine vetzuur ester,
gedehydrateerd ethylalcohol, 1-butanol.

6.2
Gevallen van onverenigbaarheid

Niet van toepassing

6.3 Houdbaarheid
2
jaar



6.4
Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

Bewaren beneden 25 oC. Niet in de koelkast bewaren.


6.5
Aard en inhoud van de verpakking

Doordrukstrips (aluminium/aluminium)


Verpakkingsgrootten: 1, 5, 7, 14, 15, 25, 28, 30, 50, 56, 75, 98 of 120 tabletten


Niet alle verpakkingsgrootten zijn beschikbaar.

6.6

Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen

Geen bijzondere vereisten.


7.
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

Janssen-Cilag B.V.

Dr. Paul Janssenweg 150
Postbus
90240

5000 LT Tilburg

8.
NUMMERS VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

RVG 23210 (tabletten van 10 mg)

RVG 23211 (tabletten van 20 mg)

9.
DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/HERNIEUWING VAN DE
VERGUNNING


Datum van eerste verlening van de vergunning: 8 december 1998

Datum van laatste hernieuwing: 06 mei 2008

10.
DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST

Laatste volledige herziening: 23 september 2008







« Vorige

[Pariet 10 mg, maagsapresistente tabletten]

Volgende »

[Pariet 20 mg, maagsapresistente tabletten]