Exmedica
 




Delen via:




Bestanden

    Home > Bestanden

Paroxetine Aurobindo 30 mg filmomhulde tabletten, filmomhulde tabletten

Download: IB-tekst PDF
Registratienummer: RVG 34945
Registratiehouder: Aurobindo Pharma


DK/H/1135/01-02/DC

SAMENVATTING VAN DE PRODUCTKENMERKEN

1.

NAAM VAN HET GENEESMIDDEL

Paroxetine Aurobindo 20 mg, filmomhulde tabletten
Paroxetine Aurobindo 30 mg, filmomhulde tabletten


2.
KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

Elke filmomhulde tablet bevat 20 mg paroxetine (in de vorm van paroxetinehydrochloride
hemihydraat).
Hulpstof: watervrije lactose 9,5 mg/omhulde tablet.

Elke filmomhulde tablet bevat 30 mg paroxetine (in de vorm van paroxetinehydrochloride
hemihydraat).
Hulpstof: watervrije lactose 14,25 mg/omhulde tablet.

Voor een volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.


3.
FARMACEUTISCHE VORM

Filmomhulde tablet.

20 mg:

wit gekleurde, filmomhulde, capsulevormige, dubbelbolronde tabletten, waarin aan één kant '56' is
aangebracht en met aan de andere kant een 'C' met een diepe breuklijn.

De omhulde tablet kan in gelijke helften worden verdeeld.

30 mg:
blauw gekleurde, filmomhulde, capsulevormige, dubbelbolronde tabletten waarin aan één kant
een 'F' en aan de andere kant '12' is gegraveerd.


4.
KLINISCHE GEGEVENS

4.1 Therapeutische indicaties


Behandeling van



- een ernstige depressieve episode


- een obsessieve-compulsieve stoornis (OCS)

-
een
paniekstoornis
met
en zonder agorafobie


- sociale angststoornissen/sociale fobie

-
gegeneraliseerde
angststoornis


- posttraumatische stressstoornis.

4.2

Dosering en wijze van toediening

Het wordt aanbevolen om paroxetine eenmaal daags 's ochtends tijdens de maaltijd in te nemen.


De filmomhulde tabletten moeten worden doorgeslikt en er mag niet op worden gekauwd.

Aurobindo Pharma Limited
Page 1

DK/H/1135/01-02/DC


Ernstige depressieve episodes
De aanbevolen dosis is 20 mg per dag. Over het algemeen treedt na één week bij de patiënt
verbetering op, maar dit kan ook pas vanaf de tweede week van de behandeling duidelijk worden.

Net als bij andere antidepressiva moet de dosering worden geëvalueerd en indien nodig binnen 3
tot 4 weken na de start van de behandeling worden aangepast en daarna wanneer dat klinisch
nodig wordt gevonden. Bij sommige patiënten met onvoldoende respons op 20 mg kan de dosis
geleidelijk aan met telkens 10 mg worden verhoogd tot maximaal 50 mg per dag, op geleide van
de respons van de patiënt.

Patiënten met een depressie moeten gedurende een voldoende lange periode van tenminste 6
maanden behandeld worden om er zeker van te zijn dat ze symptoomvrij zijn.

Obsessieve compulsieve stoornis (OCS)
De aanbevolen dosis is 40 mg per dag. De patiënt moet beginnen met 20 mg/dag en de dosis kan
geleidelijk aan met telkens 10 mg worden verhoogd tot aan de aanbevolen dosis. Als na een
aantal weken bij de aanbevolen dosering onvoldoende respons optreedt, kunnen sommige
patiënten baat hebben bij een geleidelijke verhoging van hun dosering tot maximaal 60 mg/dag.

Patiënten met OCS moeten lang genoeg worden behandeld om er zeker van te zijn dat ze
symptoomvrij zijn. Deze periode kan verscheidene maanden of zelfs langer duren (zie rubriek
5.1).

Paniekstoornis
De aanbevolen dosis is 40 mg per dag. De patiënt moet beginnen met 10 mg/dag en de dosis kan
op geleide van de respons van de patiënt geleidelijk aan telkens met 10 mg worden verhoogd tot
aan de aanbevolen dosis. Om de potentiële verslechtering van de panieksymptomen die
gewoonlijk aan het begin van de behandeling van deze stoornis wordt gezien te minimaliseren,
wordt een lage eerste startdosis aanbevolen. Als na een aantal weken op de aanbevolen dosis
onvoldoende respons wordt gezien kunnen sommige patiënten baat hebben bij het geleidelijk aan
verhogen van de dosis tot aan maximaal 60 mg/dag.

Patiënten met een paniekstoornis moeten lang genoeg worden behandeld om er zeker van te zijn
dat zij symptoomvrij zijn. Deze periode kan verscheidene maanden of zelfs langer duren (zie
rubriek 5.1).

Sociale angststoornissen/sociale fobie
De aanbevolen dosis is 20 mg per dag. Als na een aantal weken op de aanbevolen dosis
onvoldoende respons wordt gezien, kunnen sommige patiënten baat hebben bij het geleidelijk aan
met telkens 10 mg verhogen van de dosis tot maximaal 50 mg/dag. Langdurig gebruik moet
regelmatig worden geëvalueerd (zie rubriek 5.1).


Gegeneraliseerde angststoornis
De aanbevolen dosis is 20 mg per dag. Als na een aantal weken op de aanbevolen dosis
onvoldoende respons wordt gezien, kunnen sommige patiënten baat hebben bij het geleidelijk aan
met telkens 10 mg verhogen van de dosis tot maximaal 50 mg/dag. Langdurig gebruik moet
regelmatig worden geëvalueerd (zie rubriek 5.1).

Posttraumatische stressstoornis
De aanbevolen dosis is 20 mg per dag. Als na een aantal weken op de aanbevolen dosis
onvoldoende respons wordt gezien, kunnen sommige patiënten baat hebben bij het geleidelijk aan
met telkens 10 mg verhogen van de dosis tot maximaal 50 mg/dag. Langdurig gebruik moet
regelmatig worden geëvalueerd (zie rubriek 5.1).




Aurobindo Pharma Limited
Page 2

DK/H/1135/01-02/DC

Bijzondere populaties

Gebruik bij ouderen
Bij oudere patiënten komen verhoogde plasmaconcentraties van paroxetine voor, maar het
concentratiebereik laat een overlapping zien met de concentraties die bij jongere patiënten
worden gezien. De dosering moet beginnen met de startdosis voor volwassenen. Het verhogen
van de dosis kan bij sommige patiënten nuttig zijn, maar de maximale dosis mag niet hoger zijn
van 40 mg per dag.

Kinderen en adolescenten (7-17 jaar)
Paroxetine mag niet worden gebruikt voor de behandeling van kinderen en adolescenten omdat in
gecontroleerd klinisch onderzoek is vastgesteld dat paroxetine in verband wordt gebracht met een
verhoogd risico op suïcidaal gedrag en vijandigheid. Bovendien is de werkzaamheid in deze
onderzoeken niet afdoende aangetoond (zie rubriek 4.4 en rubriek 4.8).

Kinderen jonger dan 7 jaar
Het gebruik van paroxetine is niet onderzocht bij kinderen jonger dan 7 jaar. Paroxetine mag niet
worden gebruikt zolang de veiligheid en werkzaamheid in deze leeftijdsgroep niet zijn
vastgesteld.


Patiënten met een nier- of leverfunctiestoornis
Er treedt een verhoogde plasmaconcentratie van paroxetine op bij patiënten met een ernstige
nierfunctiestoornis (creatinineklaring minder dan 30 ml/min) of bij patiënten met een
leverfunctiestoornis. Daarom moet de dosering worden beperkt tot de lagere doses uit het gehele
dosisbereik.

Ontwenningsverschijnselen die zich voordeden na het staken van het gebruik van
paroxetine

Een abrupte staking van de behandeling moet worden vermeden. Bij het stoppen van de
behandeling met paroxetine moet de dosis geleidelijk aan worden verminderd gedurende een
periode van minimaal een tot twee weken om het risico op ontwenningverschijnselen te
verkleinen (zie de rubrieken 4.4 en 4.8). Bij het afbouwregime dat in klinisch onderzoek wordt
gebruikt, hoorde ook een daling van de dagelijkse dosis met steeds 10 mg per week. Als na een
verlaging van de dosis of na het staken van de behandeling onverdraagbare symptomen optreden,
kan het hervatten van de eerder voorgeschreven dosis worden overwogen. Vervolgens kan de arts
de dosis blijven verlagen, maar dan in een langzamer tempo.

4.3
Contra-indicaties

· Overgevoeligheid voor paroxetine of voor één van de hulpstoffen.
· Paroxetine is gecontra-indiceerd in combinatie met monoamineoxidaseremmers (MAO-
remmers). In uitzonderlijke situaties kan linezolid (een antibioticum dat een reversibele niet-
selectieve MAO-remmer is) in combinatie met paroxetine worden gegeven mits er gelegenheid is
tot het zorgvuldig observeren van symptomen van serotoninesyndroom en het controleren van de
bloeddruk (zie rubriek 4.5).

De behandeling met paroxetine kan worden gestart:
- twee weken na staken van de behandeling met een irreversibele MAO-remmer, of

-
minimaal 24 uur na staken van de behandeling met een reversibele MAO-remmer (bv.
Moclobemide, linezolid) (zie de rubrieken 4.4 en 4.5).

Er moet minimaal één week voorbijgaan tussen het staken van de behandeling met paroxetine en
het starten van de behandeling met een MAO-remmer.

· Paroxetine mag niet in combinatie met thioridazine worden gebruikt, omdat, net als bij andere
geneesmiddelen die het leverenzym CYP450 2D6 remmen, paroxetine de plasmaspiegels van
thioridazine kan verhogen (zie rubriek 4.5). Toediening van alleen thioridazine kan leiden tot een

Aurobindo Pharma Limited
Page 3

DK/H/1135/01-02/DC

verlenging van de QTc-interval met daarmee samenhangende ernstige ventriculaire aritmie, zoals
torsades de pointes en plotseling overlijden.
· Paroxetine mag niet worden gebruikt in combinatie met pimozide (zie rubriek 4.5).

4.4

Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Gebruik door kinderen en adolescenten die jonger zijn dan 18 jaar
Paroxetine Aurobindo mag niet worden gebruikt voor de behandeling van kinderen en
adolescenten jonger dan 18 jaar. Suïcidegerelateerd gedrag (suïcidepogingen en suïcidale
gedachten) en vijandigheid (voornamelijk agressie, oppositioneel gedrag en boosheid) werden
vaker in klinisch onderzoek waargenomen bij kinderen en adolescenten die met antidepressiva
werden behandeld dan bij degenen die met een placebo werden behandeld. Als op basis van de
klinische noodzaak toch tot behandeling wordt besloten, moet de patiënt zorgvuldig worden
gecontroleerd op het ontstaan van suïcidale symptomen. Bovendien ontbreken voor kinderen en
adolescenten gegevens over de veiligheid op lange termijn voor wat betreft groei, maturatie,
cognitieve- en gedragsontwikkeling.

Monoamino-oxidaseremmers (MAO-remmers)
Twee weken na het stoppen van de behandeling met een irreversibele MAO-remmer of 24 uur na
het stoppen van de behandeling met een reversibele MAO-remmer mag met de benodigde
voorzichtigheid worden gestart met de behandeling met paroxetine. De dosering van paroxetine
moet geleidelijk aan worden verhoogd totdat een optimale respons is bereikt (zie de rubrieken 4.3
en 4.5).

Suïcide/ suïcidale gedachten of verergering van de aandoening

Depressie wordt geassocieerd met een verhoogd risico op suïcidale gedachten, zelfverwonding en
suïcide (aan suïcide gerelateerde gebeurtenissen). Dit risico blijft bestaan tot een significante
remissie optreedt. Omdat het mogelijk is dat gedurende de eerste paar weken of langer geen
verbetering optreedt, moeten patiënten zeer goed gevolgd worden tot een dergelijke verbetering
wel optreedt. Het is algemene klinische ervaring dat het risico op suïcide in de vroege stadia van
het herstel kan toenemen.

Andere psychiatrische condities waarvoor paroxetine wordt voorgeschreven kunnen ook
geassocieerd worden met een toegenomen risico op aan sucide gerelateerde gebeurtenissen.
Bovendien kunnen deze condities comorbide zijn met episodes van depressie in engere zin.
Dezelfde voorzorgsmaatregelen die in acht worden gonomen bij de behandeling van patiënten
met ernstige depressieve stoornis moeten daarom in acht worden genomen bij de behandeling van
patiënten met andere psychiatrische aandoeningen.

Van patiënten met een voorgeschiedenis van aan suïcide gerelateerde gebeurtenissen, of patiënten
die voorafgaand aan het begin van de behandeling een significante mate van suïcidale ideeën
vertonen, is bekend dat ze een groter risico lopen op het ontwikkelen van suïcidale gedachten of
suïcidepogingen en deze patiënten moeten tijdens de behandeling zeer goed gevolgd worden. Een
meta-analyse van placebo-gecontroleerde klinische onderzoeken naar antidepressiva bij
volwassen patiënten met psychiatrische stoornissen toonde een toegenomen risico op suïcidaal
gedrag bij het gebruik van antidepressiva aan vergeleken met placebo bij patiënten jonger dan 25
jaar oud (zie de rubrieken 5.1).

Patiënten, in het bijzonder hoog-risico patiënten, dienen nauwkeurig gevolgd te worden tijdens
behandeling met deze geneesmiddelen, in het bijzonder in het begin van de behandeling en na
dosisaanpassingen. Patiënten (en zorgverleners van patiënten) moeten op de hoogte worden
gebracht van de noodzaak om te letten op elke klinische verergering, suïcidaal gedrag of suïcidale
gedachten en ongewone gedragsveranderingen en de noodzaak om onmiddellijk medisch advies
in te winnen als deze symptomen zich voordoen.


Acathisie/psychomotorische rusteloosheid
Het gebruik van paroxetine is in verband gebracht met de ontwikkeling van acathisie, dat wordt

Aurobindo Pharma Limited
Page 4

DK/H/1135/01-02/DC

gekenmerkt door een innerlijk gevoel van rusteloosheid en psychomotorische onrust,
bijvoorbeeld niet in staat zijn om stil te zitten of stil te staan, wat gewoonlijk samenhangt met
subjectieve onrust. De kans dat dit optreedt is het grootst tijdens de eerste paar weken van de
behandeling. Bij patiënten die deze symptomen ontwikkelen, kan het verhogen van de dosis
schadelijk zijn.

Serotoninesyndroom/neuroleptisch maligne syndroom
In zeldzame gevallen kan de ontwikkeling van serotoninesyndroom of neuroleptisch maligne
syndroomachtige voorvallen optreden in verband met behandeling met paroxetine, met name
indien gegeven in combinatie met andere serotonergica en/of neuroleptica. Omdat deze
syndromen kunnen leiden tot potentieel levensbedreigende aandoeningen moet de behandeling
met paroxetine worden gestaakt indien dergelijke voorvallen (gekenmerkt door clusters van
symptomen als hyperthermie, rigiditeit, myoclonus, autonome instabiliteit met mogelijk snelle
schommelingen van de vitale functies, veranderingen van de geestestoestand waaronder
verwarring, geïrriteerdheid, extreme agitatie die leidt tot delirium en coma) optreden en moet
ondersteunende symptoombehandeling geïnitieerd worden. Paroxetine mag niet worden gebruikt
in combinatie met serotonine-precursors (zoals L-tryptofaan, oxitriptan) vanwege het risico op
serotonerg syndroom (zie de rubrieken 4.3 en 4.5).

Manie
Zoals bij alle antidepressiva moet ook paroxetine met de benodigde voorzichtigheid worden
gebruikt bij patiënten met een voorgeschiedenis van manie. Het gebruik van paroxetine moet
worden gestaakt zodra een patiënt in een manische fase komt.

Botfractuur
Uit epidemiologisch onderzoek blijkt dat patiënten die bepaalde antidepressiva gebruiken, met
inbegrip van SSRI's zoals paroxetine, een verhoogd risico hebben op botfracturen. Het risico
treedt op tijdens de behandeling en is het grootst in de eerste maanden.

Nier- en leverfunctiestoornissen
Voorzichtigheid is geboden bij patiënten met een ernstige nierfunctiestoornis of bij patiënten met
een leverfunctiestoornis (zie rubriek 4.2).

Diabetes
Bij patiënten met diabetes kan behandeling met een selectieve serotonineheropnameremmer
(SSRI) de glykemische regulering beïnvloeden. Hierdoor kan het nodig zijn dat de dosering
insuline en/of hypoglykemische geneesmiddelen moet worden aangepast.

Epilepsie

Zoals bij alle antidepressiva moet ook paroxetine met de benodigde voorzichtigheid worden
gebruikt bij patiënten met epilepsie.

Epileptische aanvallen
In het algemeen is de incidentie van epileptische aanvallen minder dan 0,1% bij patiënten die met
paroxetine worden behandeld. Het gebruik van het geneesmiddel moet worden gestaakt bij elke
patiënt die epileptische aanvallen ontwikkelt.

Elektroconvulsietherapie (ECT)
Er is weinig klinische ervaring opgedaan met gelijktijdige toediening van paroxetine en ECT.

Glaucoom
Paroxetine kan, net als andere SSRI's, mydriasis veroorzaken en moet het met de benodigde
voorzichtigheid worden gebruikt bij patiënten met nauwehoekglaucoom of met glaucoom in de
voorgeschiedenis.


Hartaandoeningen

Bij patiënten met hartaandoeningen moeten de gebruikelijke voorzorgsmaatregelen in acht

Aurobindo Pharma Limited
Page 5

DK/H/1135/01-02/DC

worden genomen.


Hyponatriëmie
Hyponatriëmie is in zeldzame gevallen gemeld, voornamelijk bij ouderen. Bij patiënten met een
verhoogd risico van hyponatriëmie, bijvoorbeeld door gelijktijdig gebruik van andere
geneesmiddelen en cirrose, is voorzichtigheid geboden. De hyponatriëmie verdwijnt gewoonlijk
weer na het staken van het gebruik van paroxetine.

Bloedingen
Bij gebruik van SSRI's is melding gemaakt cutane bloedingsafwijkingen, zoals ecchymose en
purpura. Er zijn ook andere hemorragische manifestatievormen gemeld, zo is er een
maagdarmbloeding gemeld. Bij oudere patiënten kan het risico verhoogd zijn.

Voorzichtigheid wordt geadviseerd bij patiënten die SSRI's gebruiken, met name bij gelijktijdig
gebruik van orale anticoagulantia, van geneesmiddelen waarvan bekend is dat zij de
trombocytfunctie beïnvloeden of van andere geneesmiddelen die het risico van een bloeding
kunnen vergroten (bv. atypische antipsychotica zoals clozapine, fenothiazines, de meeste
tricyclische antidepressiva, acetylsalicylzuur, NSAID's, COX-2-remmers) en bij patiënten met
een bloedingsstoornis in hun voorgeschiedenis of aandoeningen waarbij een grotere kans op
bloedingen bestaat.

Interactie met tamoxifen
Paroxetine kan de werkzaamheid van tamoxifen verminderen (zie rubriek 4.5). De
voorschrijvende artsen wordt aangeraden om een ander antidepressivum te gebruiken met
minimale CYP2D6-activiteit.

Alcohol
Hoewel paroxetine de dempende werking van alcohol op de psychische en motorische
vaardigheden niet versterkt, wordt gelijktijdig gebruik van paroxetine en alcohol afgeraden.


Ontwenningsverschijnselen die zich voordeden bij het staken van de behandeling met
paroxetine

Het komt vaak voor dat er na het staken van de behandeling ontwenningssymptomen optreden,
met name wanneer de staking abrupt is (zie rubriek 4.8). Tijdens klinisch onderzoek deden zich
na het staken van de behandeling bij ongeveer 30% van de patiënten die met paroxetine werden
behandeld bijwerkingen voor terwijl dit 20% was bij de patiënten die met een placebo werden
behandeld. Het optreden van ontwenningsverschijnselen is niet hetzelfde als het veroorzaken van
verslaving of afhankelijkheid door een geneesmiddel.

Het risico van ontwenningsverschijnselen kan afhankelijk zijn van verscheidene factoren,
inclusief de duur van de therapie, de dosis en de snelheid waarmee de dosis wordt afgebouwd.

Na het staken van de behandeling met paroxetine zijn de volgende symptomen gemeld:
duizeligheid, sensore stoornissen (inclusief paresthesie, elektrische-schoksensaties en tinnitus),
slaapstoornissen (inclusief intense dromen), agitatie of angst, misselijkheid, tremor, verwarring,
zweten, hoofdpijn, diarree, hartkloppingen, emotionele instabiliteit, prikkelbaarheid en
visusstoornissen. Over het algemeen zijn deze symptomen licht tot matig van aard. Bij sommige
patiënten kan de intensiteit ervan echter ernstige vormen aannemen. Ze treden gewoonlijk op
binnen de eerste paar dagen na het staken van de behandeling, maar er zijn zeer zeldzame
meldingen van dergelijke symptomen bij patiënten die per ongeluk een dosis hebben
overgeslagen. Over het algemeen zijn deze symptomen van beperkte duur en gewoonlijk
verdwijnen ze vanzelf binnen 2 weken, hoewel ze bij sommige mensen langer kunnen aanhouden
(2-3 maanden of langer). Daarom is het raadzaam bij het staken van de behandeling het gebruik
van paroxetine geleidelijk aan gedurende een periode van verscheidene weken of maanden af te
bouwen, in overeenstemming met de behoeften van de patiënt (zie 'Ontwenningsverschijnselen
die zich voordeden bij het staken van het gebruik van paroxetine' in rubriek 4.2).


Aurobindo Pharma Limited
Page 6

DK/H/1135/01-02/DC

Paroxetine Aurobindo bevat een kleine hoeveelheid lactose. Patiënten met zeldzame erfelijke
aandoeningen als galactose-intolerantie, Lapp-lactasedeficiëntie of glucosegalactosemalabsorptie
mogen dit geneesmiddel niet gebruiken.
4.5
Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

Serotonerge geneesmiddelen
Net als bij het gebruik van andere SSRI's kan gelijktijdige toediening met serotonerge
geneesmiddelen leiden tot een incidentie van met 5-HT samenhangende effecten
(serotoninesyndroom: zie de rubrieken 4.3 en 4.4).

Voorzichtigheid is geboden bij de combinatie van paroxetine en serotonerge geneesmiddelen
(zoals L-tryptofaan, triptanen, tramadol, linezolid, SSRI's, lithium, pethidine en middelen die
sint-janskruid - Hypericum perforatum ­ bevatten); zorgvuldige controle is noodzakelijk.
Voorzichtigheid is ook geboden met fentanyl, gebruikt voor algemene anesthesie of voor
de behandeling van chronische pijn. Gelijktijdig gebruik van paroxetine en MAO-remmers is
gecontra-indiceerd wegens de kans op het serotoninesyndroom (zie rubriek 4.3).

Pimozide
Verhoogde pimozidespiegels (gemiddeld 2,5 maal de bovengrens van normaal) zijn aangetoond
in een onderzoek met een eenmalige lage dosis pimozide (2 mg) bij gelijktijdige toediening van
60 mg paroxetine. Dit kan worden verklaard door de bekende CYP2D6-remmende eigenschappen
van paroxetine, en gezien de smalle therapeutische index van pimozide en daar bekend is dat
pimozide de QT-interval kan verlengen is gelijktijdige toediening van pimozide en paroxetine
gecontraïndiceerd (zie rubriek 4.3).

Geneesmiddelmetaboliserende enzymen
Het metabolisme en de farmacokinetiek van paroxetine kunnen worden beïnvloed door de
inductie of inhibitie van geneesmiddelmetaboliserende enzymen.

Wanneer paroxetine gelijktijdig met een bekende geneesmiddelmetaboliserende enzymremmer
wordt toegediend, moet worden overwogen paroxetinedoses te geven die aan de onderkant van
het dosisbereik zitten. Een initiële dosisaanpassing wordt niet noodzakelijk geacht wanneer het
geneesmiddel gelijktijdig wordt toegediend met bekende geneesmiddelmetaboliserende
enzyminductoren (zoals carbamazepine, rifampicine, fenobarbital, fenytoïne) of met
fosamprenavir/ritonavir. Elke dosisaanpassing van paroxetine (na initiatie of na het staken van
behandeling met een enzyminductor) moet geschieden op geleide van het klinisch effect
(verdraagzaamheid en werkzaamheid).

Fosamprenavir/ritonavir:
Na gelijktijdige toediening bij gezonde vrijwilligers van tweemaal daags fosamprenavir/ritonavir
700/100 mg en eenmaal daags paroxetine 20 mg gedurende 10 dagen daalden de plasmaspiegels
van paroxetine met ongeveer 55%. De plasmaspiegels van fosamprenavir/ritonavir tijdens
gelijktijdige toediening van paroxetine waren vergelijkbaar met referentiewaarden van andere
onderzoeken, wat erop wijst dat paroxetine geen significant effect heeft op het metabolisme van
fosamprenavir/ritonavir. Er zijn geen gegevens beschikbaar over de effecten op lange termijn van
gelijktijdige toediening gedurende meer dan 10 dagen van paroxetine en fosamprenavir/ritonavir.

Procyclidine
Dagelijkse toediening van paroxetine kan de procyclidinespiegels in plasma significant verlagen.
Indien anticholinerge effecten worden waargenomen moet de dosis procyclidine worden
verlaagd.

Anticonvulsiva
Carbamazepine, fenytoïne, natriumvalproaat. Gelijktijdige toediening lijkt bij patiënten met
epilepsie geen enkel effect te hebben op het farmacokinetisch/farmacodynamisch profiel.


Aurobindo Pharma Limited
Page 7

DK/H/1135/01-02/DC

CYP2D6-remmende werking van paroxetine
Net als andere antidepressiva, inclusief andere SSRI's, remt paroxetine het levercytochroom-
P450-enzym CYP2D6. Remmen van CYP2D6 kan leiden tot verhoogde plasmaconcentraties van
gelijktijdig toegediende geneesmiddelen die door dit enzym worden gemetaboliseerd. Hieronder
vallen bepaalde tricyclische antidepressiva (zoals clomipramine, nortriptyline en desipramine),
fenothiazine neuroleptica (zoals perfenazine en thioridazine, zie rubriek 4.3), risperidon,
atomoxetine, bepaalde Type 1c antiaritmica (zoals propafenon en flecaïnide) en metoprolol. Het
verdient geen aanbeveling paroxetine in combinatie met metoprolol te gebruiken wanneer het
wordt gegeven voor hartinsufficiëntie, vanwege de smalle therapeutische index van metoprolol
bij deze indicatie.

Tamoxifen is een pro-drug die metabool geactiveerd wordt door CYP2D6. Remming van
CYP2D6 door paroxetine kan leiden tot verlaagde plasmaconcentraties van een actieve
metaboliet, waardoor de werkzaamheid van tamoxifen wordt verminderd, vooral bij extensieve
metaboliseerders. De voorschrijvende artsen wordt aangeraden om een ander antidepressivum te
gebruiken met minimale CYP2D6-activiteit.

Alcohol

Net als bij andere psychotrope geneesmiddelen moet aan patiënten worden geadviseerd om
tijdens het gebruik van paroxetine geen alcohol te gebruiken.

Orale anticoagulantia
Een farmacodynamische interactie tussen paroxetine en orale anticoagulantia kan optreden.
Gelijktijdig gebruik van paroxetine en orale anticoagulantia kan leiden tot een hogere
antistollende werking en het bloedingsrisico kan toenemen. Daarom is voorzichtigheid geboden
bij het gebruik van paroxetine bij patiënten die met orale anticoagulantia worden behandeld (zie
rubriek 4.4).

NSAID's en acetylsalicylzuur en andere trombocytenaggregatieremmers
Er kan een farmacodynamische interactie tussen paroxetine en NSAID's/acetylsalicylzuur
optreden. Gelijktijdig gebruik van paroxetine en NSAID's/acetylsalicylzuur kan leiden tot een
verhoogd bloedingsrisico (zie rubriek 4.4).

Voorzichtigheid wordt geadviseerd bij patiënten die SSRI's gebruiken, met name bij gelijktijdig
gebruik van orale anticoagulantia, geneesmiddelen waarvan bekend is dat zij de trombocytfunctie
beïnvloeden of het risico op een bloeding kunnen vergroten (bv. atypische antipsychotica zoals
clozapine, fenothiazines, de meeste tricyclische antidepressiva, acetylsalicylzuur, NSAID's,
COX-2-remmers) en bij patiënten met een bloedingsstoornis in hun voorgeschiedenis of
aandoeningen waarbij een grotere kans op bloedingen bestaat.

4.6
Zwangerschap en borstvoeding


Zwangerschap
In een aantal epidemiologische studies zijn aanwijzingen gevonden voor een verhoogd risico op
aangeboren afwijkingen (vooral cardiovasculaire malformaties zoals ventrikel- en
atriumseptumdefect) bij het gebruik van paroxetine in het eerste trimester van de zwangerschap.
Het mechanisme is onbekend. Uit de gegevens blijkt dat het risico op een baby met een hart- en
vaatdefect na maternale blootstelling aan paroxetine minder is dan 2/100 in vergelijking met een
verwacht percentage voor dergelijke defecten van ongeveer 1/100 in de algemene populatie.

Paroxetine mag alleen tijdens de zwangerschap worden gebruikt indien het strikt geïndiceerd is.
De voorschrijvend arts moet de mogelijkheid van alternatieve behandelingen bij vrouwen die
zwanger zijn of die zwanger willen worden afwegen.
Abrupt staken van de behandeling moet tijdens de zwangerschap worden vermeden (zie '
Ontwenningsverschijnselen die zich voordeden bij het staken van het gebruik van paroxetine',
rubriek 4.2).


Aurobindo Pharma Limited
Page 8

DK/H/1135/01-02/DC

Als het maternaal gebruik van paroxetine wordt gecontinueerd tot in de latere stadia van de
zwangerschap, met name tot in het derde trimester, dan moeten de pasgeborenen worden
geobserveerd.

De volgende symptomen kunnen zich bij de pasgeborenen voordoen na maternaal gebruik van
paroxetine in de latere stadia van de zwangerschap: ademnood, cyanose, apneu, convulsies,
temperatuurinstabiliteit, voedingsproblemen, braken, hypoglykemie, hypertonie, hypotonie,
hyperreflexie, tremor, nervositeit, prikkelbaarheid, lethargie, constant huilen, slaperigheid en
slaapproblemen. Deze symptomen kunnen het gevolg zijn van serotonerge effecten of van
ontwenningsverschijnselen. In een meerderheid van de gevallen begonnen de complicaties
meteen of kort na (< 24 uur) de bevalling.

In epidemiologisch onderzoek zijn aanwijzingen gevonden voor een verhoogd risico op
persisterende pulmonale hypertensie van de pasgeborene (PPHN) bij gebruik van SSRI's door de
moeder, vooral aan het einde van de zwangerschap). Het waargenomen risico was ongeveer 5
gevallen per 1000 zwangerschappen. In de totale populatie treden 1 tot 2 gevallen van PPHN
per 1000 zwangerschappen op.

In experimenteel onderzoek bij dieren werd reproductietoxiciteit waargenomen, maar dit duidde
niet op directe schadelijke effecten voor de zwangerschap, de embryonale/foetale ontwikkeling,
de bevalling of de postnatale ontwikkeling (zie rubriek 5.3).

Borstvoeding
Kleine hoeveelheden paroxetine worden in de borstvoeding uitgescheiden. In gepubliceerd
onderzoek zijn de serumconcentraties bij baby's die borstvoeding kregen niet detecteerbaar (<2
ng/ml) of zeer laag (<4 ng/ml), en er werden bij deze baby's werden geen aanwijzingen voor
effecten van het geneesmiddel waargenomen. Omdat er geen effecten te verwachten zijn, kan het
geven van borstvoeding worden overwogen.


4.7
Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen

Paroxetine heeft geen of een verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid en het vermogen
machines te bedienen.
Klinische ervaring heeft aangetoond dat behandeling met paroxetine niet in verband wordt
gebracht met een verstoring van de cognitieve of psychomotore functie. Net als bij alle
psychoactieve geneesmiddelen moet de patiënt echter worden gewaarschuwd voor effecten op de
rijvaardigheid en het vermogen machines te bedienen.

Hoewel paroxetine de afname van geestelijke en motorische vermogens door alcoholgebruik niet
verder versterkt, wordt het gelijktijdig gebruik van paroxetine en alcohol niet aangeraden.




4.8

Bijwerkingen

Sommigen van de bijwerkingen die hieronder worden gemeld kunnen bij voortzetting van de
behandeling afnemen in intensiteit en frequentie en leiden over het algemeen niet tot stopzetten
van de therapie. Bijwerkingen worden hieronder weergegeven naar systeem/orgaanklassen en
frequentie. De frequenties zijn gedefinieerd als:

Zeer vaak ( 1/10),
Vaak ( 1/100, < 1/10),
Soms ( 1/1.000, < 1/100),
Zelden ( 1/10.000, < 1/1.000),
Zeer zelden (<1/10.000), niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald)

Aurobindo Pharma Limited
Page 9

DK/H/1135/01-02/DC


Hartaandoeningen
Soms: sinustachycardie.
Zelden: bradycardie.

Bloed- en lymfestelselaandoeningen
Soms: abnormale bloeding, voornamelijk van de huid en de slijmvliezen (meestal ecchymose).
Zeer zelden: trombocytopenie.

Zenuwstelselaandoeningen
Vaak: duizeligheid, tremor hoofdpijn
Soms: extrapiramidale stoornissen.
Zelden: convulsies rusteloze benen-syndroom (restless legs syndrome of RLS)
Zeer zelden: serotoninesyndroom (tot de symptomen behoren onder meer agitatie, verwarring,
diaforese, hallucinaties, hyperreflexie, myoclonus, rillen, tachycardie en tremor).

Er zijn van patiënten meldingen ontvangen van extrapiramidale stoornissen inclusief oro-faciale
dystonie, soms met een onderliggende bewegingsstoornis of bij gebruik van neuroleptica.

Oogaandoeningen
Vaak: wazig zien.
Soms: mydriasis (zie rubriek 4.4).
Zeer zelden: acuut glaucoom.

Evenwichtsorgaan- en ooraandoeningen
Tinnitus (frequentie niet bekend).

Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen
Vaak: gapen.

Maagdarmstelselaandoeningen
Zeer vaak: misselijkheid.
Vaak: obstipatie, diarree, braken, droge mond.
Zeer zelden
: maag-darmbloeding.

Nier- en urinewegaandoeningen
Soms: urineretentie, incontinentie voor urine.

Huid- en onderhuidaandoeningen

Vaak: transpireren.
Soms: huiduitslag, pruritus.
Zeer zelden: lichtgevoeligheidsreacties.

Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen

Zelden: artralgie, myalgie.

Endocriene aandoeningen

Zeer zelden: syndroom van inadequate secretie van antidiuretisch hormoon (SIADH).

Voedings- en stofwisselingsstoornissen

Vaak: minder eetlust, hogere cholesterolspiegels.
Zelden: hyponatriëmie:
hyponatriëmie is voornamelijk bij oudere patiënten gemeld en is soms het gevolg van het
syndroom van inadequate secretie van antidiuretisch hormoon (SIADH).

Bloedvataandoeningen

Soms: tijdelijke stijging of daling van de bloeddruk orthostatische hypotensie

Aurobindo Pharma Limited
Page 10

DK/H/1135/01-02/DC

Tijdelijke stijging of daling van de bloeddruk is gemeld na behandeling met paroxetine,
gewoonlijk bij patiënten met een reeds bestaande hypertensie of angst.

Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen

Vaak: asthenie, gewichtstoename.
Zeer zelden: perifeer oedeem.

Immuunsysteemaandoeningen

Zeer zelden: allergische reacties (inclusief urticaria en angio-oedeem).

Lever- en galaandoeningen
Zelden: verhoogde leverenzymen.
Zeer zelden: leveraandoeningen (zoals hepatitis, wat soms gepaard gaat met geelzucht en/of
leverfalen). Een verhoging van de leverenzymwaarden is gemeld. Sinds het product op de markt
is gebracht, zijn in zeer zeldzame gevallen leverstoornissen gemeld (zoals hepatitis, wat soms
gepaard gaat met geelzucht en/of leverfalen). Het stoppen met het gebruik van paroxetine moet
worden overwogen als de uitslagen van de leverfunctietests verhoogd blijven.

Voortplantingsstelsel- en borstaandoeningen

Zeer vaak: seksuele disfunctie.
Zelden: hyperprolactinemie/galactorroe.
Zeer zelden: priapisme.

Psychische stoornissen
Vaak: slaperigheid, slapeloosheid, agitatie abnormale dromen (bijvoorbeeld nachtmerries)
Soms: verwarring, hallucinaties.
Zelden: manische reacties, angst, depersonalisatie, paniekaanvallen, acathisie (zie rubriek
4.4).
* Frequentie onbekend: suïcidale ideevorming en suïcidaal gedrag
*Er zijn gevallen van suicidale ideevorming en suicidaal gedrag gemeld tijdens de behandeling
met paroxetine of vlak na het stoppen van de behandeling (zie rubriek 4.4).

Deze symptomen kunnen ook het gevolg zijn van de onderliggende ziekte.

Ontwenningsverschijnselen die zich voordeden bij het staken van het gebruik van
paroxetine

Vaak: duizeligheid, stoornissen van de gevoelszintuigen, slaapstoornissen, angst, hoofdpijn
Soms: agitatie, misselijkheid, tremor, verwarring, transpiratie, emotionele instabiliteit, stoornissen
in het gezichtsvermogen, hartkloppingen, diarree, geïrriteerdheid

Stoppen met paroxetine (met name wanneer dit abrupt gebeurt) leidt gewoonlijk tot
ontwenningsverschijnselen. De volgende symptomen zijn gemeld: duizeligheid, sensore
stoornissen (inclusief paresthesie, elektrische-schoksensaties en tinnitus), slaapstoornissen
(inclusief intense dromen), agitatie of angst, misselijkheid, tremor, verwarring, zweten, hoofdpijn,
diarree, hartkloppingen, emotionele instabiliteit, prikkelbaarheid en visusstoornissen.

Gewoonlijk zijn deze bijwerkingen licht tot matig van aard en zijn ze van beperkte duur. Bij
sommige patiënten kunnen ze echter ernstig en/of langdurig van aard zijn. Daarom wordt
geadviseerd om als behandeling met paroxetine niet langer noodzakelijk is, het gebruik af te
bouwen door een geleidelijke vermindering van de dosis (zie rubriek 4.2 en rubriek 4.4).

Bijwerkingen die in klinisch onderzoek bij kinderen werden gemeld

In klinisch onderzoek op korte termijn (tot aan maximaal 10-12 weken) bij kinderen en
adolescenten zijn bij met paroxetine behandelde patiënten de volgende bijwerkingen
waargenomen met een frequentie van ten minste 2% van de patiënten, waarbij deze bijwerkingen
minimaal twee maal zo vaak optraden als bij patiënten die een placebo gebruikten: een toename

Aurobindo Pharma Limited
Page 11

DK/H/1135/01-02/DC

van het met suïcide samenhangend gedrag (inclusief suïcidepogingen en suïcidegedachten),
zelfverwonding en een toegenomen vijandigheid. Suïcidegedachten en -pogingen werden
voornamelijk in klinisch onderzoek bij adolescenten met een ernstige depressieve aandoening
waargenomen. Een toegenomen vijandigheid trad met name op bij kinderen met een obsessieve
compulsieve stoornis en met name bij kinderen jonger dan 12 jaar. Bijwerkingen die vaker
werden gezien bij de groep die paroxetine gebruikte in vergelijking met de placebogroep waren:
verminderde eetlust, tremor, transpiratie, hyperkinesie, agitatie, emotionele labiliteit (inclusief
huilen en stemmingsfluctuaties).

In onderzoek waarbij de behandeling geleidelijk werd afgebouwd zijn tijdens de afbouwfase of
bij het stoppen met paroxetine de volgende symptomen waargenomen met een frequentie van
minimaal 2% van de patiënten waarbij deze bijwerkingen minimaal twee maal zo vaak optraden
als bij patiënten die een placebo gebruikten: emotionele labiliteit (inclusief huilen,
stemmingsschommelingen, zelfverwonding, suïcidegedachten en -pogingen), nervositeit,
duizeligheid, misselijkheid en buikpijn (zie rubriek 4.4).

4.9
Overdosering

Symptomen en verschijnselen
Uit de beschikbare informatie over overdosering met paroxetine blijkt een brede
veiligheidsmarge. De ervaringen met paroxetine bij een overdosis wijzen erop dat, in aanvulling
op de symptomen die al in de rubriek 4.8 worden gemeld, de volgende symptomen zijn gemeld:
braken, verwijde pupillen, koorts, veranderingen in de bloeddruk, hoofdpijn, onvrijwillige
spiercontracties, agitatie, angst en een snelle hartslag. Over het algemeen herstelden patiënten
zonder ernstige gevolgen zelfs als er doses tot aan maximaal 2000 mg alleen werden ingenomen.
In sommige gevallen werden voorvallen als coma of veranderingen in het ECG gemeld, in zeer
zeldzame gevallen met een fatale afloop, maar gewoonlijk was dit wanneer paroxetine samen met
andere psychotrope geneesmiddelen, met of zonder alcohol, werd ingenomen.

Behandeling
Er is geen specifiek antidotum bekend.

De behandeling moet bestaan uit die algemene medische maatregelen die worden ingezet bij de
behandeling van een overdosis van willekeurig welk antidepressivum. Toediening van 20-30 g
geactiveerde kool kan worden overwogen, mits binnen enkele uren na de overdosering, om de
resorptie van paroxetine te verminderen. Ondersteunende zorg met frequente controle van de
vitale functies en zorgvuldige observatie is geïndiceerd. Behandeling van de patiënt op geleide
van het klinisch beeld.



5.
FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1
Farmacodynamische eigenschappen

Farmacotherapeutische categorie: antidepressiva - selectieve serotonineheropnameremmers,
ATC-code: N06A B05

Werkingsmechanisme
Paroxetine is een krachtige en selectieve remmer van de opname van 5-hydroxytryptamine (5-
HT, serotonine), en de antidepressieve werking en effectiviteit bij de behandeling van obsessieve-
compulsieve stoornissen, sociale angststoornis/sociale fobie, algemene angststoornis, post-
traumatische stressstoornis en paniekstoornis hangen vermoedelijk samen met de specifieke
remming van de 5HT-opname in de hersenneuronen.

Paroxetine is chemisch niet verwant aan de tricyclische, tetracyclische en andere beschikbare
antidepressiva.

Aurobindo Pharma Limited
Page 12

DK/H/1135/01-02/DC


Paroxetine heeft een lage affiniteit voor cholinerge muscarinereceptoren en uit dierexperimenteel
onderzoek is gebleken dat paroxetine slechts zwakke anticholinerge eigenschappen bezit.

Overeenkomstig deze selectieve werking hebben in vitro-onderzoeken aangetoond dat paroxetine,
in tegenstelling tot de tricyclische antidepressiva, een lage affiniteit heeft voor alfa-1-, alfa-2- en
bèta-adrenoceptoren, dopamine (D2)-, 5-HT1-achtige, 5-HT2- en histamine (H1)-receptoren. Dit
gebrek aan interactie met post-synaptische receptoren in vitro wordt gesubstantieerd door in vivo-
onderzoeken, waarin het ontbreken van een dempende werking op het centrale zenuwstelsel en
hypotensieve eigenschappen worden aangetoond.

Farmacodynamische effecten
Paroxetine remt de psychomotore werking niet en heeft geen versterkende werking op de
dempende effecten van ethanol.

Net als bij andere selectieve 5-HT-opnameremmers veroorzaakt paroxetine symptomen van
excessieve 5-HT-receptorstimulatie wanneer het wordt toegediend aan dieren die eerder
monoamine-oxidase (MAO)-remmers of tryptofaan kregen toegediend.

Onderzoeken naar gedrag en EEG wijzen erop dat paroxetine een zwakke werking heeft bij doses
die gewoonlijk hoger liggen dan die nodig zijn voor het remmen van de 5-HT-opname. De
activerende eigenschappen zijn niet 'amfetamine-achtig' van aard. Uit onderzoek bij dieren blijkt
dat paroxetine door het hart-vaatstelsel goed wordt verdragen. Paroxetine produceert na
toediening aan gezonde proefpersonen geen klinisch significante veranderingen in de bloeddruk,
de hartfrequentie en het ECG.

Uit onderzoek blijkt dat in tegenstelling tot antidepressiva die de opname van noradrenaline
remmen paroxetine een veel lagere neiging heeft tot het remmen van de antihypertensieve
effecten van guanethidine. Bij de behandeling van depressieve stoornissen is de werkzaamheid
van paroxetine vergelijkbaar met die van standaard antidepressiva.

Er zijn ook enige aanwijzingen dat paroxetine van therapeutische waarde kan zijn bij patiënten
die niet op de standaard therapie hebben gereageerd.

Dosering in de ochtend met paroxetine heeft geen schadelijke effecten op de kwaliteit of de duur
van de slaap. Bovendien is het waarschijnlijk dat patiënten een verbetering in hun slaap ervaren
naarmate ze op de behandeling met paroxetine reageren.

Dosisrespons
Bij onderzoeken met een vaste dosering is sprake van een vlakke dosisresponscurve, hetgeen
geen voordeel suggereert voor het gebruik van hogere dan de aanbevolen doseringen. Er zijn
echter enkele klinische gegevens die erop wijzen dat het naar boven titreren van de doses bij
sommige patiënten een gunstig effect kan hebben.

Werkzaamheid op de lange termijn
De werkzaamheid van paroxetine op lange termijn bij depressie is aangetoond in een 52 weken
durend onderhoudsonderzoek met terugvalpreventie-ontwerp: 12% van de patiënten die
paroxetine (20-40 mg per dag) ontvingen, vielen terug tegen 28% van de patiënten die een
placebo ontvingen.

De werkzaamheid op lange termijn van paroxetine bij de behandeling van een obsessieve-
compulsieve stoornis is onderzocht in drie 24 weken durende onderhoudsonderzoeken met
terugvalpreventie-ontwerp: bij een van de drie onderzoeken werd een significant verschil bereikt
in de proportie patiënten met een terugval tussen behandeling met paroxetine (38%) en een
placebo (59%).

De werkzaamheid op lange termijn van paroxetine bij de behandeling van een paniekstoornis is

Aurobindo Pharma Limited
Page 13

DK/H/1135/01-02/DC

aangetoond in een 24 weken durend onderhoudsonderzoek met terugvalpreventie-ontwerp: 5%
van de patiënten die paroxetine (10-40 mg per dag) ontvingen, viel terug versus 30% van de
patiënten die een placebo ontvingen. Dit werd ondersteund door een 36 weken durend
onderhoudsonderzoek.

De werkzaamheid op lange termijn van paroxetine bij de behandeling van een sociale
angststoornis, een gegeneraliseerde angststoornis en een posttraumatische stressstoornis is niet
voldoende aangetoond.

5.2
Farmacokinetische eigenschappen

Absorptie
Paroxetine wordt na orale toediening goed geabsorbeerd en ondergaat first-pass- metabolisme.
Door dit first-pass-metabolisme is de hoeveelheid paroxetine die beschikbaar is voor de
systemische circulatie lager dan wordt geabsorbeerd uit het maagdarmkanaal. Gedeeltelijke
verzadiging van het first-pass-effect en verminderde plasmaklaring treden op als de belasting op
het lichaam toeneemt bij een hogere enkelvoudige of meervoudige dosering. Dit resulteert in
disproportionele stijgingen van de plasmaconcentraties van paroxetine en daarom zijn de
farmacokinetische parameters niet constant, wat resulteert in niet-lineaire kinetiek. De niet-
lineariteit is echter gewoonlijk klein en wordt beperkt tot die proefpersonen die bij een lage dosis
lagere plasmaspiegels bereiken.

7 tot 14 dagen na het begin van de behandeling met formuleringen met onmiddellijke of
vertraagde afgifte worden steady state systemische spiegels bereikt en bij langdurige behandeling
lijken de farmacokinetische eigenschappen niet te veranderen.

Distributie
Paroxetine wordt uitgebreid in het weefsel gedistribueerd en farmacokinetische berekeningen
duiden erop dat slechts 1% van de paroxetine in het lichaam in het plasma zit.

Ongeveer 95% van de aanwezige paroxetine is bij therapeutische concentraties aan eiwit
gebonden.

Er is geen correlatie gevonden tussen de plasmaconcentraties van paroxetine en het klinisch effect
(bijwerkingen en werkzaamheid).


Metabolisme

De belangrijkste metabolieten van paroxetine zijn polaire en geconjugeerde producten van
oxidatie en methylering die snel worden geklaard. Gezien hun relatieve gebrek aan
farmacologische activiteit is het zeer onwaarschijnlijk dat zij bijdragen aan de therapeutische
werking van paroxetine.

Het metabolisme compromitteert de selectieve werking van paroxetine op de neuronale 5-HT-
opname niet.

Eliminatie
De uitscheiding in urine van onveranderd paroxetine is gewoonlijk minder dan 2% van de dosis
terwijl dat van de metabolieten ongeveer 64% van de dosis is. Ongeveer 36% van de dosis wordt
in de feces uitgescheiden, waarschijnlijk via de gal, waarbij onveranderd paroxetine minder dan
1% van de dosis uitmaakt. Dus wordt paroxetine bijna geheel via de stofwisseling geëlimineerd.

De metabole excretie is bifasisch, daar het aanvankelijk het gevolg is van het first-pass-
metabolisme en vervolgens wordt gereguleerd door de systemische eliminatie van paroxetine.

De eliminatiehalfwaardetijd is variabel, maar gewoonlijk ongeveer 1 dag.


Aurobindo Pharma Limited
Page 14

DK/H/1135/01-02/DC

Bijzondere populaties
Ouderen en nier- en leverfunctiestoornissen
Verhoogde plasmaconcentraties van paroxetine treden op bij oudere proefpersonen en bij
proefpersonen met een ernstige nierfunctiestoornis of een leverfunctiestoornis, maar het bereik
van de plasmaconcentraties overlapt dat van gezonde volwassen proefpersonen.

5.3
Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek

Bij resusapen en albinoratten is toxicologisch onderzoek verricht; bij beide is de metabole route
vergelijkbaar met zoals voor de mens beschreven. Zoals mag worden verwacht bij lipofiele
aminen, waaronder tricyclische antidepressiva, werd bij ratten fosfolipidose gezien. Fosfolipidose
werd niet waargenomen in maximaal een jaar durend onderzoek bij primaten bij doseringen die 6
maal hoger waren dan het aanbevolen bereik voor klinische doses.

Carcinogenese: in twee jaar durende onderzoeken bij muizen en ratten had paroxetine geen
tumorigeen effect.

Genotoxiciteit: in een reeks in vitro en in vivo tests werd geen genotoxiciteit waargenomen.

Reproductietoxiciteitsonderzoeken bij ratten hebben aangetoond dat paroxetine effect heeft op de
vruchtbaarheid van mannelijke en vrouwelijke dieren. Bij ratten werd een stijging van de
mortaliteit van de pups en een vertraagde ossificatie waargenomen. De laatstgenoemde effecten
waren waarschijnlijk gerelateerd aan de maternale toxiciteit en worden niet gezien als direct
effect op de foetus/neonaat.


6.

FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1
Lijst van hulpstoffen

Tabletkern

Calciumwaterstoffosfaat, dihydraat
Calciumwaterstoffosfaat, watervrij
Lactosemonohydraat
Natriumzetmeelglycolaat (type A) (de gebruikte zetmeel is aardappelzetmeel)
Magnesiumstearaat (E470b)

Omhulling

Titaniumdioxide (E171)
Hypromellose (E464)
Macrogol 400
Polysorbaat 80 (E433)

Titaniumdioxide (E171)
Hypromellose (E464)
Macrogol 400
Indigokarmijn-aluminiumpigment (E132)
Polysorbaat 80 (E433)

6.2
Gevallen van onverenigbaarheid

Niet van toepassing.




Aurobindo Pharma Limited
Page 15

DK/H/1135/01-02/DC

6.3
Houdbaarheid

2 jaar.

6.4
Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

Voor dit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities.

6.5
Aard en inhoud van de verpakking

Paroxetine Aurobindo omhulde tabletten zijn verkrijgbaar in blisterverpakkingen van
PVC/PE/PVDC/aluminium.

Verpakkingsgrootten:
Verpakkingen van 7, 10, 14, 20, 28, 30, 50, 56, 60, 98, 100 en 250 omhulde tabletten.

Het kan voorkomen dat niet alle verpakkingsgrootten in de handel worden gebracht.

6.6

Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen

Geen bijzondere vereisten.

7.
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

Aurobindo Pharma Limited,
Ares, Odyssey Business Park,
West End Road,
South Ruislip HA4 6QD,
Verenigd Koninkrijk
tel: ++ 44 20 8845 8811
fax: ++ 44 20 8845 8795




8.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Paroxetine Aurobindo 20 mg is in het register ingeschreven onder RVG 34944
Paroxetine Aurobindo 30 mg is in het register ingeschreven onder RVG 34945

9.
DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/HERNIEUWING VAN
DE VERGUNNING


20/01/2008


10.
DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST

Laatste gedeeltelijke herziening van de tekst: betreft rubriek 4.4, 4.5, 4.6, 4.7, 4.8, en 4.9
23 juli 2010

Aurobindo Pharma Limited
Page 16





« Vorige

[Paroxetine Aurobindo 20 mg filmomhulde tabletten, filmomhulde tabletten]

Volgende »

[Paroxetine Aurobindo 30 mg filmomhulde tabletten, filmomhulde tabletten]