Quinapril/Hydrochloorthiazide 20/12,5 mg PCH, filmomhulde tabletten
Registratienummer: RVG 104135
QUINAPRIL/HYDROCHLOORTHIAZIDE 20/12,5 MG PCH
filmomhulde tabletten
MODULE I : ALGEMENE GEGEVENS
Datum
: 3 september 2010
1.3.1 :
Productinformatie
Bladzijde
:
1
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Quinapril/
Hydrochloorthiazide 20/12,5 mg PCH, filmomhulde tabletten
2.
KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Elke tablet bevat 20 mg quinapril (als quinaprilhydrochloride) en 12,5 mg hydrochloorthiazide.
Voor een volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1
3. FARMACEUTISCHE
VORM
Filmomhulde tablet
Perzikkleurige, biconvexe, ovale tabletten met aan één kant de opdruk “20” en aan beide zijden een
breukstreep.
De breukstreep is alleen om het breken te vereenvoudigen zodat het inslikken makkelijker gaat en niet
voor de verdeling in gelijke doses.
4. KLINISCHE
GEGEVENS
4.1 Therapeutische
indicaties
Behandeling van essentiële hypertensie.
De vaste combinatie is bestemd voor patiënten bij wie de bloeddruk niet voldoende onder controle kan
worden gehouden door gebruik van alleen quinapril.
4.2 Dosering en wijze van toediening
Dosistitratie van de individuele componenten wordt aanbevolen vóór toediening van de vaste
combinatie. Indien dit klinisch verantwoord wordt geacht, kan eventueel direct worden overgeschakeld
van monotherapie naar een vaste combinatie.
Oraal gebruik.
De tablet moet met voldoende vloeistof worden doorgeslikt (bv. een glas water).
Volwassenen
Eén tablet quinapril/hydrochloorthiazide, ‘s morgens in te nemen.
rvg 104135 SPC 0910.2v.JK
QUINAPRIL/HYDROCHLOORTHIAZIDE 20/12,5 MG PCH
filmomhulde tabletten
MODULE I : ALGEMENE GEGEVENS
Datum
: 3 september 2010
1.3.1 :
Productinformatie
Bladzijde
:
2
De gebruikelijke onderhoudsdosering is 10 mg quinapril en 12,5 mg hydrochloorthiazide. Zo nodig kan
de dosis kan worden verhoogd met tussenperiodes van ten minste 3 weken. De maximale dosis
bedraagt 20 mg quinapril en 25 mg hydrochloorthiazide.
Voorafgaande diuretische behandeling
Symptomatische hypotensie kan optreden na de aanvangsdosering van de vaste combinatie. Dit is
waarschijnlijker bij patiënten die een volume- en/of zoutdepletie hebben als gevolg van voorafgaande
behandeling met diuretica. Bij deze patiënten dient de behandeling met diuretica 2 tot 3 dagen voor
aanvang van de behandeling met de vaste combinatie gestopt te worden. Als dit niet mogelijk is, dient
de behandeling te worden gestart met een dosis van 5 mg van alleen quinapril.
Nierinsufficiëntie
Bij patiënten met een creatinineklaring tussen de 30 en 60 ml/min dient titratie van de dosis van de
individuele componenten extra zorgvuldig plaats te vinden alvorens wordt overgeschakeld naar de
vaste combinatie. De dosis van de vaste combinatie dient zo laag mogelijk te worden gehouden.
De vaste combinatie is gecontra-indiceerd bij patiënten met ernstig gestoorde nierfunctie
(creatinineklaring <30 ml/min) (zie rubriek 4.3).
Ouderen
Bij oudere patiënten dient titratie van de dosis van de individuele componenten extra zorgvuldig plaats
te vinden alvorens wordt overgeschakeld naar de vaste combinatie. De dosis van de vaste combinatie
dient zo laag mogelijk te worden gehouden.
Gebruik bij kinderen
De werkzaamheid en veiligheid van het gebruik bij kinderen en adolescenten zijn niet vastgesteld. Het
gebruik bij kinderen en adolescenten wordt daarom niet aanbevolen.
4.3 Contra-indicaties
–
Overgevoeligheid voor quinapril, voor (één van) de hulpstoffen of voor een andere ACE-remmer
–
Overgevoeligheid voor hydrochloorthiazide of andere sulfonamidederivaten
–
Voorgeschiedenis van angio-oedeem als gevolg van eerdere behandeling met ACE-remmers
–
Erfelijk of idiopathisch angio-oedeem
–
Ernstige nierinsufficiëntie (creatinineklaring <30 ml/min)
–
Ernstige leverinsufficiëntie
–
Tweede en derde trimester van de zwangerschap (zie rubriek 4.6)
–
Borstvoeding (zie rubriek 4.6)
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Quinapril
rvg 104135 SPC 0910.2v.JK
QUINAPRIL/HYDROCHLOORTHIAZIDE 20/12,5 MG PCH
filmomhulde tabletten
MODULE I : ALGEMENE GEGEVENS
Datum
: 3 september 2010
1.3.1 :
Productinformatie
Bladzijde
:
3
Symptomatische hypotensie
Symptomatische hypotensie wordt zelden waargenomen bij patiënten met ongecompliceerde
hypertensie. Bij hypertensieve patiënten die quinapril gebruiken, bestaat er een grotere kans op
hypotensie als er sprake is van volumedepletie bij de patiënt (bv. als gevolg van diureticagebruik, dieet
met zoutrestrictie, dialyse, diarree of braken) of als er sprake is van ernstige renine-afhankelijke
hypertensie (zie rubriek 4.5 en 4.8). Bij patiënten met hartfalen, met of zonder bijkomende
nierinsufficiëntie, is symptomatische hypotensie waargenomen. Dit is het meest waarschijnlijk bij
patiënten met een ernstiger mate van hartfalen, zoals kan worden afgeleid uit het gebruik van hoge
doseringen lisdiuretica, hyponatriëmie of functionele nierfunctiestoornis. Bij patiënten met een verhoogd
risico op symptomatische hypotensie dient zorgvuldige controle plaats te vinden bij aanvang van de
therapie en bij dosisaanpassingen. Dit geldt ook voor patiënten met een ischemische hartziekte of een
cerebrovasculaire aandoening bij wie een overmatige bloeddrukdaling kan leiden tot een myocardinfarct
of een cerebrovasculair accident.
Wanneer hypotensie optreedt, dient de patiënt in een liggende positie geplaatst te worden en, indien
nodig, een intraveneuze infusie met fysiologische zoutoplossing te krijgen. Een voorbijgaande
hypotensieve reactie is geen contra-indicatie voor een vervolgdosering. Deze kan normaliter zonder
problemen worden toegediend als de bloeddruk weer is toegenomen na volume-expansie.
Aorta- en mitralisklepstenose / hypertrofische cardiomyopathie
Net als andere ACE-remmers dient quinapril met voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met
mitralisklepstenose en obstructie van de uitstroom uit het linkerventrikel, zoals bij aortastenose of
hypertrofische cardiomyopathie. In hemodynamisch relevante gevallen dient de vaste combinatie niet te
worden gebruikt.
Nierinsufficiëntie
In geval van verminderde nierfunctie (creatinineklaring <60 ml/min), dient de aanvangsdosering van
quinapril aangepast te worden op geleide van de creatinineklaring van de patiënt (zie rubriek 4.2) en
daarna al naar gelang de respons van de patiënt op de behandeling. Routinecontrole van
kalium en
creatinine maakt deel uit van de gebruikelijke medische behandeling van deze patiënten.
Bij sommige patiënten met een bilaterale renale arteriële stenose of met een stenose van de arterie van
een enkele nier, die met ACE-remmers zijn behandeld, is verhoging van bloedureum en
serumcreatinine gezien, welke meestal reversibel is na stopzetting van de therapie. De kans hierop is
het grootst bij patiënten met renale insufficiëntie. Wanneer er tevens sprake is van renovasculaire
hypertensie, is er een verhoogd risico op ernstige hypotensie en nierinsufficiëntie. Bij deze patiënten
dient de behandeling gestart te worden onder strikt medisch toezicht met lage doseringen en een
zorgvuldige dosistitratie. Aangezien behandeling met diuretica een bevorderende factor kan zijn voor de
bovenstaande verschijnselen, dient deze stopgezet te worden en dient de nierfunctie gecontroleerd te
worden tijdens de eerste weken van de behandeling met quinapril.
Bij sommige hypertensieve patiënten zonder direct zichtbare preëxistente nieraandoening ontwikkelde
zich een toename in bloedureum en serumcreatinine, meestal licht en van voorbijgaande aard, met
rvg 104135 SPC 0910.2v.JK
QUINAPRIL/HYDROCHLOORTHIAZIDE 20/12,5 MG PCH
filmomhulde tabletten
MODULE I : ALGEMENE GEGEVENS
Datum
: 3 september 2010
1.3.1 :
Productinformatie
Bladzijde
:
4
name wanneer quinapril gelijktijdig werd gegeven met een diureticum. De kans hierop is groter bij
patiënten met een reeds bestaande nierfunctiestoornis. Vermindering van de dosering en/of stopzetting
van het diureticum en/of quinapril kan noodzakelijk zijn.
Niertransplantatie
Aangezien er geen ervaring is met quinapril bij patiënten met een recente niertransplantatie, wordt
toediening van quinapril niet aanbevolen bij deze patiënten.
Hemodialysepatiënten
Anafylactoïde reacties zijn gemeld bij patiënten die met high-fluxmembranen werden gedialyseerd en
die gelijktijdig werden behandeld met een ACE-remmer. Bij deze patiënten dient overwogen te worden
om een ander type dialysemembraan te gebruiken of een antihypertensivum uit een andere klasse.
Overgevoeligheid/angio-oedeem
Angio-oedeem van het gezicht, extremiteiten, lippen, tong, glottis en/of strottenhoofd is zelden gemeld
bij patiënten die ACE-remmers gebruiken, waaronder quinapril. Dit kan optreden op elk moment tijdens
de therapie. In deze gevallen dient de behandeling met quinapril onmiddellijk te worden stopgezet en
dient geschikte behandeling en toezicht te worden ingesteld om er zeker van te kunnen zijn dat de
symptomen volledig zijn verdwenen voordat een patiënt wordt ontslagen. Zelfs in die gevallen waarbij
zwelling van enkel de tong is betrokken, zonder ademhalingsproblemen, kan voor de patiënt een
langdurige observatie noodzakelijk zijn aangezien behandeling met antihistaminica en corticosteroïden
mogelijk niet voldoende is.
Zeer zelden zijn sterfgevallen gemeld door angio-oedeem in combinatie met larynxoedeem of tong-
oedeem. Bij patiënten waarbij de tong, de glottis of het strottenhoofd is betrokken, zal waarschijnlijk
luchtwegobstructie optreden, met name als ze chirurgie van de luchtwegen in de anamnese hebben. In
dergelijke gevallen moet er onmiddellijk een spoedbehandeling gestart worden. Deze kan bestaan uit
de toediening van
adrenaline en/of het openhouden van de luchtwegen. De patiënt dient onder strikt
medisch toezicht geplaatst te worden tot de symptomen volledig en langdurig verdwenen zijn.
Patiënten met angio-oedeem in de anamnese die geen verband hield met een behandeling met ACE-
remmers, kunnen een verhoogd risico lopen op angio-oedeem wanneer ze een ACE-remmer krijgen
(zie rubriek 4.3).
Anafylactoïde reacties tijdens LDL (low density lipoproteins) aferese
Zelden ontwikkelden patiënten die een ACE-remmer kregen tijdens LDL-aferese met dextraansulfaat
levensbedreigende anafylactoïde reacties. Deze reacties konden worden vermeden door de
behandeling met ACE-remmers tijdelijk te onderbreken voor elke aferese.
Desensibilisatie
Sommige patiënten die een ACE-remmer gebruikten tijdens een desensibilisatiekuur (bv. met
hymenoptera-gif) vertoonden langdurige anafylactoïde reacties. Bij dezelfde patiënten werden deze
rvg 104135 SPC 0910.2v.JK
QUINAPRIL/HYDROCHLOORTHIAZIDE 20/12,5 MG PCH
filmomhulde tabletten
MODULE I : ALGEMENE GEGEVENS
Datum
: 3 september 2010
1.3.1 :
Productinformatie
Bladzijde
:
5
reacties vermeden door de behandeling met de ACE-remmer tijdelijk stop te zetten, maar ze keerden
terug bij onbedoelde hertoediening van het geneesmiddel.
Leverinsufficiëntie
In zeldzame gevallen zijn ACE-remmers geassocieerd met een syndroom dat begint met cholestatische
geelzucht en zich ontwikkelt tot een fulminante levernecrose en (soms) fataal kan aflopen. Het
mechanisme van dit syndroom is niet bekend. Bij patiënten die ACE-remmers gebruiken en waarbij
geelzucht of een duidelijke verhoging van de leverenzymen optreedt, dient de behandeling met de ACE-
remmer te worden stopgezet en dient een geschikte medische vervolgbehandeling te worden ingesteld.
Neutropenie/ agranulocytose
Neutropenie/agranulocytose, trombocytopenie en anemie zijn gemeld bij patiënten die ACE-remmers
kregen. Bij patiënten met een normale nierfunctie zonder andere complicerende factoren, treedt
neutropenie zelden op. De neutropenie en agranulocytose zijn reversibel na stopzetting van de
behandeling met de ACE-remmer. Quinapril dient met uiterste voorzichtigheid gebruikt te worden bij
patiënten met een vasculaire collageenziekte, immunosuppressieve therapie, behandeling met
allopurinol of procaïnamide, of een combinatie van deze complicerende factoren, vooral wanneer er
sprake is van een preëxistente nierinsufficiëntie. Sommige van deze patiënten ontwikkelden ernstige
infecties, die in een aantal gevallen niet reageerden op een intensieve antibioticabehandeling. Als
quinapril gebruikt wordt bij dergelijke patiënten, wordt een periodieke controle van het aantal witte
bloedcellen aanbevolen en dient de patiënt geïnstrueerd te worden om elk teken van infectie te melden.
Etnische verschillen
Net als bij andere ACE-remmers kan quinapril een geringer bloeddrukverlagend effect hebben bij
negroïde patiënten dan bij niet-negroïde patiënten, mogelijk door een hogere prevalentie van lage
reninespiegels in de populatie van negroïden met hypertensie.
Hoest
Hoest is gemeld bij gebruik van ACE-remmers. Karakteristiek is dat de hoest niet-productief en
persistent is en weer verdwijnt na stopzetting van de therapie. Door ACE-remmers geïnduceerde hoest
moet worden meegenomen in de differentiaaldiagnose van hoest.
Chirurgie/anesthesie
Bij patiënten die een zware operatie ondergaan of gedurende anaesthesie met middelen die hypotensie
veroorzaken, kan quinapril de vorming van angiotensine II blokkeren die volgt op de compensatoire
vrijgifte van renine. Indien hypotensie optreedt die wordt beschouwd als een gevolg van dit
mechanisme, dan kan deze worden gecorrigeerd met behulp van volume-expansie.
Hyperkaliëmie
Verhogingen van het serumkalium zijn waargenomen bij sommige patiënten die met ACE-remmers
werden behandeld, waaronder quinapril. Patiënten die risico lopen op het ontstaan van hyperkaliëmie
zijn patiënten met nierinsufficiëntie, diabetes mellitus of patiënten die gelijktijdig kaliumsparende
diuretica, kaliumsupplementen of kaliumbevattende zoutvervangers gebruiken of patiënten die andere
rvg 104135 SPC 0910.2v.JK
QUINAPRIL/HYDROCHLOORTHIAZIDE 20/12,5 MG PCH
filmomhulde tabletten
MODULE I : ALGEMENE GEGEVENS
Datum
: 3 september 2010
1.3.1 :
Productinformatie
Bladzijde
:
6
geneesmiddelen gebruiken die geassocieerd zijn met een toename van het serumkalium (bv.
heparine).
Indien gelijktijdig gebruik van de hierboven genoemde middelen nodig wordt geacht, wordt een
regelmatige controle van het serumkalium aanbevolen (zie rubriek 4.5).
Diabetici
Bij diabetische patiënten die worden behandeld met orale antidiabetica of met
insuline, dient het onder
controle zijn van de bloedsuikerspiegel nauwkeurig te worden gevolgd gedurende de eerste maand van
de behandeling met een ACE-remmer (zie rubriek 4.5).
Lithium
De combinatie van lithium en quinapril/hydrochloorthiazide wordt in het algemeen niet aanbevolen
vanwege versterking van de lithiumtoxiciteit (zie rubriek 4.5).
Zwangerschap
Tijdens de zwangerschap mag er niet worden gestart met ACE-remmers. Tenzij voorzetting van ACE-
remmers noodzakelijk wordt geacht, dienen patiënten die een zwangerschap plannen te worden
overgezet op een andere antihypertensiebehandeling waarvan de veiligheid tijdens de zwangerschap is
vastgesteld.
Wanneer zwangerschap wordt bevestigd, dient de behandeling met ACE-remmers onmiddellijk te
worden gestopt en zo nodig te worden begonnen met een alternatieve behandeling (zie rubriek 4.3 en
4.6).
Hydrochloorthiazide
Nierinsufficiëntie
Bij patiënten met nieraandoeningen kunnen thiaziden het ontstaan van azotemie versnellen. Bij
patiënten met een verminderde nierfunctie kunnen cumulatieve effecten van het geneesmiddel
ontstaan. Indien er een progressieve nierinsufficiëntie ontstaat, gekenmerkt door een toename van niet-
proteïne-stikstof, is zorgvuldige herafweging van de therapie noodzakelijk en dient staken van de
diureticatherapie in overweging te worden genomen (zie rubriek 4.3).
Leverinsufficiëntie
Thiaziden dienen met voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met een verminderde leverfunctie
of progressieve leverziekte, aangezien kleine schommelingen in vocht- en elektrolytenbalans het
ontstaan van hepatisch coma kunnen versnellen (zie rubriek 4.3).
Metabole en endocriene effecten
Thiazidebehandeling kan de glucosetolerantie verminderen. Bij diabetici kunnen dosisaanpassingen
van
insuline of orale hypoglykemische middelen nodig zijn. Latente diabetische mellitus kan manifest
worden tijdens behandeling met thiaziden.
Toename van cholesterol- en triglyceridespiegels is in verband gebracht met thiazidediuretica-
behandeling.
rvg 104135 SPC 0910.2v.JK
QUINAPRIL/HYDROCHLOORTHIAZIDE 20/12,5 MG PCH
filmomhulde tabletten
MODULE I : ALGEMENE GEGEVENS
Datum
: 3 september 2010
1.3.1 :
Productinformatie
Bladzijde
:
7
Bij bepaalde patiënten die worden behandeld met thiaziden kan hyperurikemie optreden, of jicht
ontstaan.
Verstoring van de elektrolytenbalans
Net als bij elke patiënt die met diuretica wordt behandeld, dient met geschikte tussenperioden een
bepaling te worden uitgevoerd van de serumelektrolyten.
Thiaziden, waaronder hydrochloorthiazide, kunnen de vocht- of elektrolytenbalans verstoren
(hypokaliëmie, hyponatriëmie en hypochloremische alkalose). Waarschuwingssignalen van verstoring
van de vocht- of elektrolytenbalans zijn een droge mond, dorst, zwakte, lethargie, slaperigheid,
rusteloosheid, spierpijn of krampen, spiermoeheid, hypotensie, oligurie, tachycardie en gastro-
intestinale stoornissen zoals misselijkheid en braken.
Hoewel hypokaliëmie zich kan ontwikkelen door het gebruik van thiazidediuretica, kan gelijktijdig
gebruik van quinapril diuretica-geïnduceerde hypokaliëmie doen afnemen. De kans op hypokaliëmie is
het grootst bij patiënten met levercirrose, bij patiënten met een snelle diurese, bij patiënten met
onvoldoende orale inname van elektrolyten en bij patiënten die gelijktijdig worden behandeld met
corticosteroïden of ACTH (zie rubriek 4.5).
Bij warm weer kan bij oedemateuze patiënten verdunde hyponatriëmie optreden. Het chloridetekort is in
het algemeen licht en behoeft gewoonlijk geen behandeling.
Thiaziden kunnen de renale calciumexcretie verminderen en tijdelijk een lichte verhoging veroorzaken
van de serumcalciumspiegel, zelfs bij afwezigheid van ziekten waarvan bekend is dat ze het
calciummetabolisme beïnvloeden. Duidelijke hypercalciëmie kan een aanwijzing zijn voor verborgen
hyperparathyroïdie. Behandeling met thiaziden dient te worden stopgezet voordat bepalingen van de
parathyroïdfunctie worden uitgevoerd. Er is aangetoond dat thiaziden de urinaire excretie van
magnesium kunnen verhogen, wat kan resulteren in hypomagnesiëmie.
Dopingtest
De hydrochloorthiazide in dit geneesmiddel kan een positief resultaat geven in een dopingtest.
Overige
Overgevoeligheidsreacties kunnen voorkomen bij patiënten met of zonder voorgeschiedenis van
allergie of bronchiaal astma. Er zijn meldingen van exarcerbatie of activering van systemische lupus
erythematosus.
Quinapril/hydrochloorthiazide
Kans op hypokaliëmie
De combinatie van een ACE-remmer met een thiazidediureticum sluit het optreden van hypokaliëmie
niet uit. Er dient regelmatige controle van het kaliumgehalte plaats te vinden.
rvg 104135 SPC 0910.2v.JK
QUINAPRIL/HYDROCHLOORTHIAZIDE 20/12,5 MG PCH
filmomhulde tabletten
MODULE I : ALGEMENE GEGEVENS
Datum
: 3 september 2010
1.3.1 :
Productinformatie
Bladzijde
:
8
Lithium
De gelijktijdige toediening van quinapril/hydrochloorthiazide met lithium wordt niet aanbevolen vanwege
de versterking van de toxiciteit van lithium (zie rubriek 4.5).
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Quinapril
Tetracyclines
Quinapril/ Hydrochloorthiazide PCH bevat magnesium dat een chelaat vormt met tetracyclines waardoor
hun absorptie afneemt. Deze combinatie moet vermeden worden.
Kaliumsparende diuretica of kaliumsupplementen
ACE-remmers verminderen het kaliumverlies geïnduceerd door diuretica. Kaliumsparende diuretica (bv.
spironolacton,
triamtereen of
amiloride), kaliumsupplementen of kaliumbevattende zoutvervangers
kunnen leiden tot een significante stijging van het serumkaliumgehalte. Wanneer gelijktijdig gebruik
aangewezen is vanwege aangetoonde hypokaliëmie, dienen ACE-remmers met voorzichtigheid gebruikt
te worden, waarbij het serumkaliumgehalte frequent wordt gecontroleerd (zie rubriek 4.4).
Diuretica (thiaziden of lisdiuretica)
Een voorafgaande behandeling met hoge doses diuretica kan volumedepletie veroorzaken en kans
geven op hypotensie wanneer de behandeling met quinapril wordt gestart (zie rubriek 4.4). De
hypotensieve effecten kunnen verminderd worden door stopzetting van het diureticum, door verhoging
van vocht- of zoutinname of door de behandeling te starten met een lage dosis quinapril.
Andere antihypertensiva
Gelijktijdig gebruik met deze middelen kan de hypotensieve effecten van quinapril versterken.
Gelijktijdig gebruik met
nitroglycerine en andere nitraten, of andere vasodilatoren, kan de bloeddruk
verder doen dalen.
Lithium
Een reversibele toename van de lithiumspiegels en de lithiumtoxiciteit is gerapporteerd bij gelijktijdige
toediening van lithium en ACE-remmers. Het gebruik van quinapril in combinatie met lithium wordt niet
aanbevolen, maar als de combinatie noodzakelijk blijkt, dienen de serumspiegels van lithium nauwgezet
gecontroleerd te worden (zie rubriek 4.4).
Tricyclische antidepressiva / antipsychotica / anesthetica / narcotica
Toediening van sommige anesthetica, tricyclische antidepressiva en antipsychotica in combinatie met
ACE-remmers kan leiden tot een verdere bloeddrukdaling. Orthostatische hypotensie kan voorkomen.
(zie rubriek 4.4).
Niet-steroïdale anti-inflammatoire geneesmiddelen (NSAID’s), inclusief acetylsalicylzuur
≥ 3 g/dag
rvg 104135 SPC 0910.2v.JK
QUINAPRIL/HYDROCHLOORTHIAZIDE 20/12,5 MG PCH
filmomhulde tabletten
MODULE I : ALGEMENE GEGEVENS
Datum
: 3 september 2010
1.3.1 :
Productinformatie
Bladzijde
:
9
Chronische toediening van NSAID’s kan het antihypertensieve effect van een ACE-remmer
verminderen. NSAID’s en ACE-remmers oefenen een additief effect uit op de stijging van het serum-
kaliumgehalte en dit kan leiden tot een verslechtering van de nierfunctie. Deze effecten zijn gewoonlijk
reversibel. Zelden treedt acute nierinsufficiëntie op en dan vooral bij patiënten met een
gecompromitteerde nierfunctie, zoals bij bejaarden of gedehydrateerde patiënten.
Sympathicomimetica
Sympathicomimetica kunnen het antihypertensieve effect van ACE-remmers verminderen.
Antidiabetica
Epidemiologische studies suggereren dat de gelijktijdige toediening van ACE-remmers en anti-diabetica
(insuline, orale hypoglykemische middelen) het bloedsuikerverlagend effect kan versterken, met risico
op hypoglykemie. Het risico op dit verschijnsel bleek groter te zijn tijdens de eerste weken van de
gecombineerde behandeling en bij patiënten met verminderde nierfunctie.
Antacida
Antacida kunnen de biologische beschikbaarheid van ACE-remmers verlagen.
Alcohol
Alcohol versterkt het hypotensieve effect van ACE-remmers.
Hydrochloorthiazide
Amfotericine B (parenteraal), carbenoxolon, corticosteroïden, corticotropine (ACTH) of
stimulerende laxantia
Hydrochloorthiazide kan verstoring van de elektrolytenbalans versterken, met name hypokaliëmie.
Calciumzouten
Verhoogde serumcalciumspiegels als gevolg van een verlaagde excretie kunnen voorkomen indien
gelijktijdig toegediend met thiazidediuretica.
Hartglycosiden
Door thiaziden geïnduceerde hypokaliëmie is geassocieerd met een verhoogde kans op
digitalistoxiciteit.
Colestyraminehars en colestipol
De absorptie van hydrochloorthiazide wordt met 85% verminderd indien gelijktijdig toegediend met
colestyramine en met 43% indien toegediend met colestipol. Deze middelen dienen met een
tussenpoze van enkele uren ingenomen te worden.
Sulfonamide-diuretica
Sulfonamide-diuretica dienen minimaal 1 uur vóór of vier tot zes uur na dit geneesmiddel te worden
ingenomen.
rvg 104135 SPC 0910.2v.JK
QUINAPRIL/HYDROCHLOORTHIAZIDE 20/12,5 MG PCH
filmomhulde tabletten
MODULE I : ALGEMENE GEGEVENS
Datum
: 3 september 2010
1.3.1 :
Productinformatie
Bladzijde
:
10
Niet-depolariserende spierrelaxantia (bv. tubocurarinechloride)
De werking van deze geneesmiddelen kan door hydrochloorthiazide versterkt worden.
Geneesmiddelen die zijn geassocieerd met torsade de pointes
Vanwege het risico op hypokaliëmie moet voorzichtigheid worden betracht indien hydrochloorthiazide
wordt toegediend tegelijkertijd met geneesmiddelen die zijn geassocieerd met torsade de pointes, bv.
sommige antiaritmica, sommige antipsychotica en andere geneesmiddelen waarvan bekend is dat ze
torsade de pointes kunnen induceren.
Quinapril/hydrochloorthiazide
Lithium
Diuretica kunnen het risico van lithiumtoxiciteit verhogen en kunnen het reeds verhoogde risico op
lithiumtoxiciteit met ACE-remmers vergroten. De combinatie van quinapril en hydrochloorthiazide met
lithium wordt daarom niet aanbevolen en zorgvuldige controle van de serumlithiumspiegels dient te
worden uitgevoerd als de combinatie noodzakelijk blijkt.
Niet-steroïdale anti-inflammatoire geneesmiddelen (NSAID’s)
Het is beschreven dat niet-steroïdale anti-inflammatoire geneesmiddelen (NSAID’s) en ACE-remmers
bij gelijktijdige toediening een additief effect uitoefenen op de stijging van het serumkaliumgehalte,
terwijl de nierfunctie kan verminderen. Deze effecten zijn in het algemeen reversibel.
In zeldzame gevallen kan acute nierinsufficiëntie optreden, vooral bij patiënten met een
gecompromitteerde nierfunctie, zoals ouderen of gedehydrateerde patiënten. Chronische toediening
van NSAID’s kan het antihypertensieve effect van een ACE-remmer verminderen. De toediening van
NSAID’s kan de diuretische, natriuretische en antihypertensieve effecten van thiazide-diuretica
verminderen.
Trimetoprim
Gelijktijdige toediening van ACE-remmers en thiaziden met trimetoprim verhoogt het risico op
hyperkaliëmie.
4.6 Zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Quinapril/Hydrochloorthiazide PCH dient niet gebruikt te worden tijdens het eerste trimester van de
zwangerschap (zie rubriek 4.4). Het gebruik van ACE-remmers is gecontra-indiceerd tijdens het tweede
en derde trimester van de zwangerschap (zie rubriek 4.3 en 4.4)
Er kunnen geen duidelijke conclusies getrokken worden uit resultaten van epidemiologische onderzoek
naar de kans op teratogene effecten als gevolg van blootstelling aan ACE-remmers tijdens het eerste
rvg 104135 SPC 0910.2v.JK
QUINAPRIL/HYDROCHLOORTHIAZIDE 20/12,5 MG PCH
filmomhulde tabletten
MODULE I : ALGEMENE GEGEVENS
Datum
: 3 september 2010
1.3.1 :
Productinformatie
Bladzijde
:
11
trimester van de zwangerschap; een kleine toename in het risico kan echter niet worden uitgesloten.
Patiënten die een zwangerschap plannen, moeten omgezet worden op een andere anti-hypertensieve
therapie met een bekend veiligheidsprofiel voor gebruik tijdens zwangerschap, tenzij het voortzetten
van de ACE-remmer-therapie noodzakelijk wordt geacht. Als zwangerschap wordt vastgesteld, dient de
behandeling met ACE-remmer onmiddellijk gestaakt te worden, en moet, indien nodig, begonnen
worden met een alternatieve therapie. Het is bekend dat blootstelling aan ACE-remmers gedurende het
tweede en derde trimester foetale toxiciteit (verslechterde nierfunctie, oligohydramnie, achterstand in
schedelverharding) en neonatale toxiciteit (nierfalen, hypotensie, hyperkaliëmie) kan induceren (zie
rubriek 5.3). Als blootstelling vanaf het tweede trimester van de zwangerschap heeft plaatsgevonden,
wordt een echoscopie van de nierfunctie en de schedel aanbevolen. Pasgeborenen van wie de moeder
een ACE-remmer heeft gebruikt, dienen nauwkeurig gecontroleerd te worden op hypotensie (zie rubriek
4.3 en 4.4).
Quinaprilaat, dat de placenta passeert, kan met enig klinisch nut met behulp van peritoneale dialyse uit
de neonatale circulatie verwijderd worden; het kan in theorie verwijderd worden door wisseltransfusie.
Er is slechts beperkte ervaring met het gebruik van hydrochloorthiazide tijdens zwangerschap, met
name in het eerste trimester. Experimenteel onderzoek bij dieren is niet toereikend. Hydrochloorthiazide
passeert de placenta. Op basis van farmacologische werkzaamheid van hydrochloorthiazide kan het
gebruik hiervan tijdens het tweede en derde trimester de foetoplacentaire perfusie verstoren en leiden
tot foetale en neonatale effecten zoals icterus, verstoring van de elektrolytenbalans en trombocytopenie.
Hydrochloorthiazide dient niet te worden gebruikt voor zwangerschapsoedeem,
zwangerschapshypertensie of pre-eclampsie, omdat dit het risico op verminderd
plasmavolume en
placetaire hypoperfusie oplevert, terwijl het geen positieve invloed op het ziektebeeld heeft.
Hydrochloorthiazide dient niet te worden gebruikt voor essentiële hypertensie bij zwangere vrouwen,
behalve in het zeldzame geval dat er geen andere behandeling mogelijk is.
Borstvoeding
De beperkte beschikbare farmacokinetische gegevens laten zeer lage concentraties quinapril in de
moedermelk zien (zie rubriek 5.2). Hoewel deze concentraties klinisch irrelevant lijken, wordt het
gebruik van quinapril tijdens het geven van borstvoeding niet aanbevolen bij vroeggeborenen en in de
eerste weken na de geboorte, omdat er een hypothetisch risico op cardiovasculaire en renale effecten
bestaat en omdat er onvoldoende klinische ervaring is. Als het kind wat ouder is, kan het gebruik van
quinapril tijdens borstvoeding worden overwogen als de behandeling noodzakelijk is voor de moeder en
het kind wordt gecontroleerd op mogelijke bijwerkingen.
Hydrochloorthiazide wordt uitgescheiden in de moedermelk. Het gebruik van thiaziden door
borstvoeding-gevende moeders is in verband gebracht met een afgenomen of zelfs onderdrukte melk-
afgifte. Overgevoeligheid voor sulfonamidederivaten, hypokaliëmie en kernicterus zijn tevens
waargenomen.
Vanwege het risico op ernstige bijwerkingen bij zogende kinderen, dient een keuze gemaakt te worden
tussen het staken van de borstvoeding, dan wel staken van de behandeling met Quinapril/
rvg 104135 SPC 0910.2v.JK
QUINAPRIL/HYDROCHLOORTHIAZIDE 20/12,5 MG PCH
filmomhulde tabletten
MODULE I : ALGEMENE GEGEVENS
Datum
: 3 september 2010
1.3.1 :
Productinformatie
Bladzijde
:
12
Hydrochloorthiazide PCH. Het belang van deze behandeling voor de moeder dient hierbij in overweging
te worden genomen.
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Quinapril/Hydrochloorthiazide PCH oefent een geringe tot matige invloed uit op het vermogen om auto
te rijden of om machines te bedienen Als men voertuigen bestuurt of machines bedient, dient men er
rekening mee te houden dat incidenteel duizeligheid of vermoeidheid kan optreden.
4.8
Bijwerkingen
De volgende bijwerkingen zijn waargenomen tijdens de behandeling met quinapril en andere ACE-
remmers met de volgende frequenties:
Zeer vaak
≥
1/10
Vaak
≥
1/100, < 1/10
Soms
≥
1/1.000, <1/100
Zelden
≥
1/10.000, <1/1.000
Zeer zelden
< 1/10.000
Niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald)
Quinapril
Bloed– en lymfestelselaandoeningen
Soms: Thrombocytopenie.
Zelden:
Agranulocytose
Niet bekend:
Lichte dalingen in hemoglobine en hematocriet waarden zijn gerapporteerd bij
gebruik van andere ACE-remmers. Het kan niet uitgesloten worden dat deze
waarnemingen klassespecifiek zijn.
Voedings- en stofwisselingsstoornissen
Niet bekend:
Voorbijgaande stijgingen van het serumcreatininegehalte en de ureumwaarden zijn
gerapporteerd, vooral in samenhang met een gelijktijdige behandeling met diuretica.
Het kan niet uitgesloten worden dat deze waarnemingen klassespecifiek zijn.
Psychische stoornissen
Vaak: Slapeloosheid,
moeheid,
sufheid, neerslachtigheid.
Soms: Slaapstoornissen,
zenuwachtigheid.
Zelden:
Depressie, verwardheid.
Zenuwstelselaandoeningen Vaak: Duizeligheid,
evenwichtsstoornissen, slaperigheid.
Soms: Paresthesieën,
syncope.
Zelden: Neuropathie.
rvg 104135 SPC 0910.2v.JK
QUINAPRIL/HYDROCHLOORTHIAZIDE 20/12,5 MG PCH
filmomhulde tabletten
MODULE I : ALGEMENE GEGEVENS
Datum
: 3 september 2010
1.3.1 :
Productinformatie
Bladzijde
:
13
Oogaandoeningen
Zelden:
Amblyopie, verstoorde visus.
Evenwichtsorgaan- en ooraandoeningen
Zelden:
Tinnitus.
Hartaandoeningen
Soms:
Palpitaties, tachycardie, angina pectoris, asystolie.
Zeer zelden:
Ritmestoornisssen.
Bloedvataandoeningen
Vaak: Hypotensie.
Soms: Vasodilatatie.
Zeer zelden:
Myocardinfarct of cerebrovasculair accident, mogelijk secundair aan excessieve
hypotensie bij patiënten met hoog risico, Raynaud-fenomeen.
Niet bekend:
Vasculitis is gerapporteerd bij gebruik van andere ACE-remmers en het kan niet
uitgesloten worden dat deze bijwerking klassespecifiek is.
Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen Vaak: Hoest.
Zelden:
Bronchospasmen, verergering van astma, rhinitis.
Maagdarmstelselaandoeningen Vaak:
Misselijkheid, braken, diarree.
Soms:
Dyspepsie, pijn in de onderbuik, anorexie, droge mond, flatulentie,
spijsverteringsstoornissen.
Zelden: Smaakstoornissen,
constipatie, pancreatitis.
Zeer zelden:
darmobstructie (ileus), intestinaal angio-oedeem.
Lever- en galaandoeningen
Zelden: Leverfunctiestoornissen.
Zeer zelden:
Hepatitis.
Huid- en onderhuidaandoeningen
Soms:
Huiduitslag, pruritus, urticaria, exfoliatieve dermatitis, diaforese, alopecia,
fotosensitiviteit.
Zelden:
Pemphigus, psoriasis-achtige exanthemen.
Zeer zelden:
Erythema multiforme, onycholyse.
In geval van ernstige huidreacties moet de behandeling direct gestaakt worden en moet medisch
toezicht worden ingesteld.
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen
rvg 104135 SPC 0910.2v.JK
QUINAPRIL/HYDROCHLOORTHIAZIDE 20/12,5 MG PCH
filmomhulde tabletten
MODULE I : ALGEMENE GEGEVENS
Datum
: 3 september 2010
1.3.1 :
Productinformatie
Bladzijde
:
14
Zelden:
Myalgie, arthralgie, rugpijn.
Nier- en urinewegaandoeningen
Zelden: Verminderde
nierfunctie, hyperkaliëmie.
Voortplantingsstelsel- en borstaandoeningen
Soms: Impotentie.
Niet bekend:
Gynaecomastie is gerapporteerd bij gebruik van andere ACE-remmers en het kan
niet uitgesloten worden dat deze bijwerking klassespecifiek is.
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen
Vaak:
Hoofdpijn, vermoeidheid, pijn op de borst.
Soms: Asthenie.
Zelden:
Angio-oedeem (met zwelling van gelaat, lippen, tong en farynx). De incidentie van
angioneurotisch oedeem is hoger bij negroïde patiënten.
Syndroom met onder meer koorts, serositis, vasculitis, arthritis, positieve ANA-titer,
stijging van SR, eosinofilie en leukocytose.
Hydrochloorthiazide
De volgende bijwerkingen zijn waargenomen tijdens de behandeling met hydrochloorthiazide met de
volgende frequenties:
Zeer vaak
≥
1/10
Vaak
≥
1/100, < 1/10
Soms
≥
1/1.000, <1/100
Zelden
≥
1/10
.000, <1/1.000
Zeer zelden
< 1/10.000
Niet bekend (kan met de beschikbare
gegevens niet worden bepaald)
Infecties en parasitaire aandoeningen Soms: Sialo-adenitis.
Bloed- en lymfestelselaandoeningen
Soms: Thrombocytopenie.
Zelden: Leukopenie,
beenmergdepressie.
Zeer zelden:
Neutropenie/agranulocytose, aplastische anemie, hemolytische anemie.
Voedings- en stofwisselingsstoornissen
Vaak:
Verstoorde elektrolytenbalans (inclusief hyponatriëmie en hypokaliëmie),
hyperurikemie, hyperglykemie, glucosurie, toename van cholesterol en triglyceriden.
Soms: Anorexie.
Psychische stoornissen
rvg 104135 SPC 0910.2v.JK
QUINAPRIL/HYDROCHLOORTHIAZIDE 20/12,5 MG PCH
filmomhulde tabletten
MODULE I : ALGEMENE GEGEVENS
Datum
: 3 september 2010
1.3.1 :
Productinformatie
Bladzijde
:
15
Soms: Slaapstoornissen,
depressie.
Zelden: Rusteloosheid.
Zenuwstelselaandoeningen
Soms:
Paresthesieën, verlies van eetlust.
Zelden:
Licht gevoel in het hoofd.
Oogaandoeningen Zelden:
Xanthopsie, wazige visus van voorbijgaande aard.
Evenwichtsorgaan- en ooraandoeningen
Soms: Vertigo.
Hartaandoeningen Soms:
Orthostatische hypotensie, hartritmestoornissen.
Bloedvataandoeningen
Zelden:
Necrotiserende angiitis (vasculitis, cutane vasculitis).
Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen Zelden: Ademhalingsmoeilijkheden (waaronder pneumonitis en longoedeem).
Maagdarmstelselaandoeningen
Soms:
Maagirritatie, diarree, constipatie.
Zelden: Pancreatitis.
Lever- en galaandoeningen
Zelden: Geelzucht
(intrahepatische cholestatische geelzucht).
Huid- en onderhuidaandoeningen
Zelden:
Fotosensitiviteit, huiduitslag, urticaria, anafylactische reacties, toxische epidermale
necrolyse.
Zeer zelden:
Cutane lupus erythematosus-achtige reacties, heractivering van cutane lupus
erythematosus.
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen Soms: Spierkrampen.
Nier- en urinewegaandoeningen
Zelden:
Interstitiële nefritis, nierfunctiestoornissen.
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen Soms:
Gevoel van slapte.
rvg 104135 SPC 0910.2v.JK
QUINAPRIL/HYDROCHLOORTHIAZIDE 20/12,5 MG PCH
filmomhulde tabletten
MODULE I : ALGEMENE GEGEVENS
Datum
: 3 september 2010
1.3.1 :
Productinformatie
Bladzijde
:
16
Zelden: Koorts.
4.9 Overdosering
Symptomen
De symptomen van een overdosis zijn: versterkte diurese, stoornissen in de elektrolytenbalans, ernstige
hypotensie, bewustzijnsvermindering (inclusief coma), convulsies, parese, hartritmestoornissen,
bradycardie en nierinsufficiëntie.
Behandeling
Maatregelen om de absorptie te voorkomen (bv. maagspoeling, toediening van adsorbantia en
natriumsulfaat binnen 30 minuten na inname) en eliminatie te versnellen dienen toegepast te worden
wanneer de inname kortgeleden is. Indien hypotensie optreedt dient de patiënt in shock-positie gelegd
te worden en snel aanvulling van zout en volume te krijgen. Behandeling met angiotensine-II dient
overwogen te worden. Bradycardie of uitgesproken vagale reacties dienen behandeld te worden door
toedienen van
atropine. Het gebruik van een pacemaker kan overwogen worden. Continue bewaking
van de vocht-, elektrolyten- en zuur/basebalans en van het bloedglucose is essentieel. Wanneer
hypokaliëmie optreedt, is kaliumtoediening noodzakelijk.
5. FARMACOLOGISCHE
EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische
eigenschappen
Farmacotherapeutische groep: ACE-remmers en diuretica
ATC code: C09B A06
Quinapril/Hydrochloorthiazide PCH is een combinatie van een ACE-remmer, quinapril, en een
diureticum, hydrochloorthiazide. Gelijktijdige toediening van deze middelen verlaagt de bloeddruk
sterker dan elk van de afzonderlijke middelen, gegeven als monotherapie. Quinapril kan, net als andere
ACE-remmers, het verlies van kalium tegengaan dat inherent is aan het gebruik van
hydrochloorthiazide.
Quinapril is een pro-drug, die gehydrolyseerd wordt tot de actieve metaboliet quinaprilaat, een
krachtige, langwerkende remmer van het angiotensineconverterend enzym (ACE) in plasma en weefsel.
ACE katalyseert de omzetting van angiotensine I naar angiotensine II, dat een potente vasoconstrictor
is. Remming van ACE leidt tot verlaagde concentraties angiotensine II en een verminderde aldosteron-
secretie. De afbraak van bradykinine wordt waarschijnlijk ook geremd. In klinische studies bleek
quinapril de lipiden ongemoeid te laten en heeft het geen negatief effect op het glucosemetabolisme.
Hemodynamisch onderzoek heeft aangetoond dat toediening van quinapril leidt tot verlaging van de
perifere arteriële weerstand.
rvg 104135 SPC 0910.2v.JK
QUINAPRIL/HYDROCHLOORTHIAZIDE 20/12,5 MG PCH
filmomhulde tabletten
MODULE I : ALGEMENE GEGEVENS
Datum
: 3 september 2010
1.3.1 :
Productinformatie
Bladzijde
:
17
Over het algemeen treden er geen klinisch relevante veranderingen op in de renale doorbloeding of de
glomerulaire filtratiesnelheid. Quinaprilaat leidt tot een daling van de bloeddruk in liggende, zittende en
staande houding. Het maximale effect treedt in na 2-4 uur, bij gebruik van de aanbevolen doseringen.
Bij sommige patiënten kan het 2 tot 4 weken duren voordat het maximale bloeddrukverlagend effect
wordt behaald. Gegevens over de morbiditeit/mortaliteit zijn niet beschikbaar.
Hydrochloorthiazide is een thiazidediureticum en een antihypertensivum dat de plasma renine-activiteit
verhoogt. Hydrochloorthiazide vermindert de renale reabsorptie van elektrolyten in de distale niertubuli
en verhoogt de excretie van
natrium, chloride, kalium, magnesium, bicarbonaten en water. De excretie
van
calcium kan verlaagd zijn. Gelijktijdige toediening van quinapril en hydrochloorthiazide verlaagt de
bloeddruk sterker dan elk van de afzonderlijke middelen gegeven als monotherapie.
5.2 Farmacokinetische
eigenschappen
Quinapril
De biologische beschikbaarheid van de actieve metaboliet, quinaprilaat, is 30-40% van de toegediende
orale dosis quinapril. Maximale plasmaspiegels worden bereikt na ongeveer 2 uur. De absorptie van
quinapril wordt niet beïnvloed door gelijktijdige voedselinname, maar een extreem vetrijke voeding kan
de opname verminderen. Ongeveer 97% van de werkzame stof is gebonden aan plasmaproteïnen. Bij
herhaalde toediening heeft quinaprilaat een halfwaardetijd van 3 uur. De ‘steady-state’ wordt bereikt
binnen 2-3 dagen. Quinaprilaat wordt voornamelijk ongewijzigd uitgescheiden door de nieren. De klaring
bedraagt 220 ml/min.
Bij patiënten met een nierfunctiestoornis is de halfwaardetijd van quinaprilaat verlengd en de
plasmaconcentratie van quinaprilaat toegenomen. Bij patiënten met ernstig gestoorde leverfunctie zijn
de concentraties van quinaprilaat lager als gevolg van een geremde hydrolyse van quinapril.
Borstvoeding
Na een enkelvoudige orale dosis van 20 mg quinapril bij 6 vrouwen die borstvoeding geven, was de
M/P (melk/plasma ratio) voor quinapril 0,12. Quinapril werd 4 uur na toediening niet in de melk
aangetroffen. De waarden van Quinalaprilaat in de melk waren niet meetbaar ( < 5 microgram/l) op alle
gemeten tijdstippen. Er wordt geschat dat het kind dat borstvoeding krijgt ongeveer 1,6 % binnenkrijgt
van de dosis quinapril die de moeder krijgt.
Hydrochloorthiazide
De biologische beschikbaarheid van hydrochloorthiazide is 60-80%. Het diuretisch effect wordt binnen
2 uur na toediening waargenomen, met een maximaal effect na ongeveer 4 uur. Het effect houdt 6-
12 uur aan.
Hydrochloorthiazide wordt onveranderd uitgescheiden via de nieren. De gemiddelde plasmahalfwaarde-
tijd varieert van 5 tot 15 uur.
De halfwaardetijd van hydrochloorthiazide is verlengd bij patiënten met een verminderde nierfunctie.
rvg 104135 SPC 0910.2v.JK
QUINAPRIL/HYDROCHLOORTHIAZIDE 20/12,5 MG PCH
filmomhulde tabletten
MODULE I : ALGEMENE GEGEVENS
Datum
: 3 september 2010
1.3.1 :
Productinformatie
Bladzijde
:
18
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Preklinische data op basis van conventionele studies naar veiligheidsfarmacologie, toxiciteit na
herhaalde toediening, genotoxiciteit en carcinogeniciteit hebben geen aanleiding gegeven tot het
veronderstellen van een speciaal risico voor mensen.
Er zijn geen studies uitgevoerd naar genotoxiciteit of carcinogeniciteit van de combinatie
quinapril/hydrochloorthiazide. De reproductie-toxiciteitsstudies bij ratten suggereren dat quinapril en/of
hydrochloorthiazide geen negatieve effecten hebben op de fertiliteit en het voortplantingsvermogen en
dat ze niet teratogeen zijn. Van ACE-remmers als groep is aangetoond dat ze foetotoxische effecten
hebben (waarbij ze letsel en/of de dood van de foetus veroorzaken), wanneer ze toegediend worden in
het tweede of het derde trimester.
6. FARMACEUTISCHE
GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Tabletkern
Magnesiumcarbonaat, zwaar
calciumwaterstoffosfaat
povidon K30
crospovidon (type A)
magnesiumstearaat
Filmomhulling
hypromellose 3cP
hyprolose
titaniumdioxide (E171)
macrogol 400
hypromellose 50cP
geel ijzeroxide (E172)
rood ijzeroxide (E172)
zwart ijzeroxide (E172)
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Niet van toepassing.
6.3 Houdbaarheid
2 jaar.
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
rvg 104135 SPC 0910.2v.JK
QUINAPRIL/HYDROCHLOORTHIAZIDE 20/12,5 MG PCH
filmomhulde tabletten
MODULE I : ALGEMENE GEGEVENS
Datum
: 3 september 2010
1.3.1 :
Productinformatie
Bladzijde
:
19
Bewaren beneden 30°C.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
Polyamide/
Aluminium/PVC-aluminiumblisterverpakking met 14, 20, 28, 30, 50, 56, 60, 100 of 300
(10x30) tabletten, eenheidsafleververpakking (EAV) van 50 tabletten en ziekenhuisverpakking van 250
tabletten.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
Geen bijzondere vereisten.
7.
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Pharmachemie B.V.
Swensweg 5
2031 GA Haarlem
Nederland
8.
NUMMER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
RVG 104135
9.
DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/HERNIEUWING VAN DE
VERGUNNING
7 oktober 2010
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
0910.2v.JK
rvg 104135 SPC 0910.2v.JK