Seretide 50/250 Diskus, inhalatiepoeder 50/250 microgram per dosis
Registratienummer: RVG 35036//23530
Seretide Diskus var. II/055 + 1B/058 versie 1.0 d.d. 29-03-2010
SAMENVATTING VAN DE PRODUCTKENMERKEN
1. NAAM
VAN
HET
GENEESMIDDEL
Seretide Diskus 50 microgram/100 microgram/dosis - inhalatiepoeder, voorverdeeld.
Seretide Diskus 50 microgram/250 microgram/dosis - inhalatiepoeder, voorverdeeld.
Seretide Diskus 50 microgram/500 microgram/dosis - inhalatiepoeder, voorverdeeld.
2.
KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Elke afzonderlijke dosis Seretide bevat:
50 microgram
salmeterol (als
salmeterolxinafoaat) en 100, 250 of 500 microgram
fluticason-
propionaat.
Voor een volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE
VORM
Inhalatiepoeder, voorverdeeld.
4. KLINISCHE
GEGEVENS
4.1 Therapeutische
indicaties
Astma
Seretide is geïndiceerd voor de regelmatige onderhoudsbehandeling van astma, wanneer het gebruik
van een combinatieproduct (langwerkende bèta-2-agonist en inhalatiesteroïd) geschikt wordt
bevonden:
· bij patiënten, die onvoldoende onder controle zijn met een corticosteroïd per inhalatie en een
kortwerkende bèta-2-agonist, die "indien nodig" wordt gebruikt
of
· bij patiënten, die al onder controle zijn met een corticosteroïd en een langwerkende bèta-2-
agonist per inhalatie
N.B.: De Seretide 50 microgram/100 microgram sterkte is niet geschikt voor volwassenen en kinderen
met ernstig astma.
Chronische obstructieve longziekten (COPD)
Seretide is geïndiceerd voor de symptomatische behandeling van patiënten met COPD (FEV1 < 60 %
van de voorspelde normale waarde (pré-bronchodilatoir) en een voorgeschiedenis van herhaalde
exacerbaties met significante symptomen, ondanks een regelmatig gebruik van een
bronchusverwijder.
QRD versie1.2, 10/2006
Rev.1. 07/08
1
Seretide Diskus var. II/055 + 1B/058 versie 1.0 d.d. 29-03-2010
4.2 Dosering en wijze van toediening Seretide Diskus is alleen bestemd voor gebruik per inhalatie.
Patiënten dienen erop te worden gewezen dat Seretide Diskus dagelijks moet worden gebruikt voor
een optimaal effect, ook in klachtenvrije perioden.
Patiënten dienen regelmatig onder controle van een arts te staan, zodat de dosering van Seretide
optimaal blijft en uitsluitend na advies van de arts gewijzigd wordt.
De dosering dient getitreerd te
worden naar de laagst mogelijke dosering waarop effectieve controle van de symptomen
gewaarborgd blijft. Wanneer de symptomen onder controle gehouden worden met tweemaal
daags de laagst beschikbare sterkte van de combinatie, kan als volgende stap van de behandeling
een test met alleen het corticosteroïd per inhalatie overwogen worden. Als alternatief kunnen
patiënten, die een langwerkende bèta-2-agonist nodig hebben, worden getitreerd naar Seretide eenmaal
daags, wanneer dit volgens de voorschrijver adequate controle van de aandoening zal geven. Bij een
eenmaal daagse dosering is het aanbevolen deze dosis 's avonds toe te dienen in geval van een
voorgeschiedenis van nachtelijke symptomen en toediening 's morgens wordt aanbevolen als de
patiënt een voorgeschiedenis heeft van vooral symptomen overdag.
Patiënten dienen de sterkte van Seretide te krijgen die de juiste dosering
fluticasonpropionaat bevat,
aangepast aan de ernst van hun aandoening. Voorschrijvers moeten bedacht zijn op het feit dat, bij
patiënten met astma,
fluticasonpropionaat even effectief is als andere inhalatiesteroïden bij ongeveer
de helft van de dagelijkse dosis (microgram). Bijvoorbeeld, 100 microgram fluticasonpropionaat is
ongeveer gelijk aan 200 microgram
beclometasondipropionaat (CFK-houdend) of
budesonide. In het
geval dat een individuele patiënt doseringen nodig heeft die buiten de aanbevolen doseringen liggen,
dienen de gepaste doseringen van de bèta-2-agonist en/of het corticosteroïd te worden voorgeschreven.
De aanbevolen dosering is als volgt:
Astma
Volwassenen en adolescenten van 12 jaar en ouder:
tweemaal daags één inhalatie van 50 microgram
salmeterol en 100 microgram fluticasonpropionaat, of
tweemaal daags één inhalatie van 50 microgram salmeterol en 250 microgram fluticasonpropionaat, of
tweemaal daags één inhalatie van 50 microgram salmeterol en 500 microgram fluticasonpropionaat.
Een korte proefperiode met Seretide kan overwogen worden als startonderhoudstherapie bij
volwassenen en adolescenten met matig, persisterend astma (gedefinieerd als patiënten met dagelijks
symptomen, dagelijks gebruik van "noodmedicatie" en matige tot ernstige belemmering van
luchtstroom), voor wie een snelle controle van astma essentieel is. In deze gevallen is de aanbevolen
startdosis tweemaal daags één inhalatie van 50 microgram salmeterol en 100 microgram
fluticason-
propionaat. Zodra het astma onder controle is, moet de behandeling worden geëvalueerd en moet
worden overwogen of de patiënt de behandeling kan afbouwen naar alleen een inhalatiesteroïd.
Regelmatige controle is belangrijk als de behandeling van de patiënt geleidelijk wordt afgebouwd.
Een duidelijk voordeel is niet aangetoond in vergelijking met fluticasonpropionaat per inhalatie bij
gebruik als start-onderhoudstherapie wanneer een of twee criteria voor ernst van astma afwezig zijn.
In het algemeen blijven inhalatiecorticosteroïden voor de meeste patiënten de eerste keus in de
behandeling. Seretide is niet bedoeld als startonderhoudstherapie bij mild astma. Seretide
50 microgram/100 microgram is niet bedoeld voor volwassenen en kinderen met ernstig astma; het
wordt aanbevolen bij patiënten met ernstig astma eerst de geschikte dosering inhalatiecorticosteroïd
vast te stellen, voordat een vaste combinatie wordt gebruikt.
Kinderen van 4 jaar en ouder:
Tweemaal daags één inhalatie van 50 microgram salmeterol en 100 microgram fluticasonpropionaat.
QRD versie 1.2, 10/2006
Rev.1. 07/2008
2
Seretide Diskus var. II/055 + 1B/058 versie 1.0 d.d. 29-03-2010
De maximum toegestane dosering van fluticasonpropionaat geleverd door Seretide Diskus bij kinderen
is tweemaal daags 100 microgram.
Er zijn nog geen gegevens beschikbaar met betrekking tot het gebruik van Seretide bij kinderen onder
de vier jaar.
COPD
Volwassenen:
Tweemaal daags één inhalatie van 50 microgram salmeterol en 500 microgram fluticasonpropionaat.
Speciale patiëntengroepen
Het is niet nodig de dosering bij ouderen of bij patiënten met een gestoorde nierfunctie aan te passen.
Er zijn nog geen gegevens beschikbaar met betrekking tot gebruik van Seretide bij patiënten met een
gestoorde leverfunctie.
Gebruik van de Diskus
Door het hendeltje naar achteren te duwen is de Diskus klaar voor gebruik. Het mondstuk dient in de
mond geplaatst te worden en omsloten te worden met de lippen. De dosering kan nu geïnhaleerd
worden, waarna de Diskus kan worden gesloten.
4.3 Contra-indicaties Seretide is gecontra-indiceerd bij patiënten met overgevoeligheid (allergie) voor één van de werkzame
bestanddelen of voor de hulpstof (zie rubriek 6.1).
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
De behandeling van astma volgt normaal gesproken een stapsgewijs behandelingsschema, waarbij de
respons van de patiënt klinisch en door longfunctieonderzoek gecontroleerd dient te worden.
Seretide Diskus is niet bestemd voor de behandeling van acute symptomen, waarbij een snel- en
kortwerkende bronchusverwijder nodig is. Het wordt de patiënten aangeraden deze aanvalsmedicatie
altijd binnen handbereik te hebben.
Er moet niet worden begonnen met Seretide wanneer patiënten een exacerbatie hebben of wanneer er
sprake is van een significante verslechtering of een acute achteruitgang van hun astma.
Ernstige astmagerelateerde bijwerkingen en exacerbaties kunnen optreden tijdens behandeling met
Seretide. De patiënten moet worden verzocht met de medicatie door te gaan, en medisch advies in te
winnen als de astmasymptomen niet onder controle blijven of erger worden nadat met Seretide werd
gestart.
Toenemend gebruik van kortwerkende bronchusverwijders om de symptomen van astma te
verminderen, duidt op een verslechtering van de astmacontrole. De patiënt dient in dat geval opnieuw
geëvalueerd te worden door een arts.
Bij een plotselinge of toenemende verslechtering van het astma kan een levensbedreigende situatie
ontstaan en dient de patiënt direct te worden gezien door een arts. In deze situatie moet verhoging van
de dosis corticosteroïden in overweging worden genomen. De patiënt dient ook medisch te worden
onderzocht in het geval dat de gebruikte dosering van Seretide het astma niet adequaat onder controle
houdt.
QRD versie 1.2, 10/2006
Rev.1. 07/2008
3
Seretide Diskus var. II/055 + 1B/058 versie 1.0 d.d. 29-03-2010
Als de astmasymptomen eenmaal onder controle zijn, kan worden overwogen om de dosis Seretide
geleidelijk te verlagen. Het is van belang om patiënten regelmatig terug te zien als de behandeling
wordt afgebouwd. De laagst werkzame dosis voor Seretide moet worden gebruikt (zie rubriek 4.2).
Een aanvullende therapie met corticosteroïden dient te worden overwogen bij patiënten met astma of
COPD.
De behandeling met Seretide mag niet plotseling worden gestaakt bij patiënten met astma, gezien het
risico op exacerbatie. De dosering moet geleidelijk aan verminderd worden onder toezicht van een
arts. Voor patiënten met COPD kan het staken van de behandeling eveneens gepaard gaan met een
symptomatische destabilisatie. Dit moet onder toezicht van een arts gebeuren.
Net als bij andere behandelingen met inhalatiesteroïden is uiterste voorzichtigheid geboden bij een
behandeling met Seretide van patiënten met longtuberculose.
Zelden kan Seretide bij hoge therapeutische doseringen hartritmestoornissen veroorzaken zoals
bijvoorbeeld supraventriculaire tachycardie, extrasystolen, atriumfibrilleren en een milde
voorbijgaande reductie in serumkalium. Daarom moet Seretide met voorzichtigheid worden gebruikt
bij patiënten met ernstige cardiovasculaire aandoeningen, hartritmestoornissen, diabetes mellitus,
thyrotoxicose, ongecorrigeerde hypokaliëmie of bij patiënten die neigen tot lage serumkaliumwaarden.
Zeer zelden is toename in bloedglucosespiegels beschreven (zie rubriek 4.8) en dit moet in overweging
worden genomen wanneer Seretide wordt voorgeschreven aan patiënten met een diabetes mellitus
voorgeschiedenis.
Net zoals bij andere inhalatietherapieën moet men rekening houden met de mogelijkheid van
paradoxale bronchospasmen, die gepaard gaan met een onmiddellijke toename van piepende
ademhaling na inhalatie. Seretide Diskus dient onmiddellijk te worden gestaakt, de patiënt te worden
beoordeeld en indien nodig moet met een andere therapie worden begonnen.
Seretide bevat per dosis tot maximaal 12,5 milligram lactose. Deze hoeveelheid zal normaal gesproken
geen problemen geven bij patiënten met overgevoeligheid voor lactose.
Bij de overschakeling van patiënten op behandeling met Seretide is voorzichtigheid geboden, in het
bijzonder als er reden is te verwachten dat de bijnierschorsfunctie ten gevolge van de voorafgaande
systemische therapie met corticosteroïden verminderd is.
Systemische effecten kunnen bij ieder geïnhaleerd corticosteroïd voorkomen, in het bijzonder wanneer
hoge doseringen gedurende lange tijd gebruikt worden. De kans dat deze effecten optreden is
beduidend geringer dan bij orale corticosteroïden. Mogelijke systemische effecten zijn Cushing's
syndroom, Cushingoïde verschijnselen, bijnierschorssuppressie, groeivertraging bij kinderen en
adolescenten, afname van de minerale botdichtheid, cataract en glaucoom.
Het is om deze reden
belangrijk dat de patiënt regelmatig wordt onderzocht en de dosering van het geïnhaleerd
corticosteroïd wordt verminderd tot de laagst mogelijke onderhoudsdosering, waarbij controle
gewaarborgd blijft. Het wordt aanbevolen om de groei van kinderen, die een langdurige behandeling met een geïnhaleerd
corticosteroïd krijgen, regelmatig te volgen.
Langdurige behandeling van patiënten met hoge dosering corticosteroïd per inhalatie kan resulteren in
onderdrukking van de bijnierschorsfunctie en een acute bijnieraanval. Bij kinderen en adolescenten
< 16 jaar die een hoge dosering fluticasonpropionaat gebruiken, ( 1.000 microgram/dag) kan dit in
het bijzonder risicovol zijn. Zeer zelden is onderdrukking van de bijnierschorsfunctie en acute
bijnieraanval beschreven bij doses van fluticasonpropionaat tussen de 500 en 1.000 microgram.
Situaties die mogelijk een acute bijnieraanval veroorzaken zijn o.a. trauma, operatie, infectie en elke
snelle reductie van de dosering. De symptomen zijn meestal vaag en kunnen omvatten: anorexia,
QRD versie 1.2, 10/2006
Rev.1. 07/2008
4
Seretide Diskus var. II/055 + 1B/058 versie 1.0 d.d. 29-03-2010
abdominale pijn, gewichtsverlies, vermoeidheid, hoofdpijn, misselijkheid, braken, hypotensie,
verminderd bewustzijn, hypoglykemie en convulsies. Tijdens perioden van stress of operatief
ingrijpen dient te worden overwogen of een toediening van een aanvullend systemisch corticosteroïd
nodig is.
Door het gunstige therapeutische effect van de behandeling met fluticasonpropionaat per inhalatie zal
de behoefte aan orale corticosteroïden minimaal zijn, maar bij het overschakelen van patiënten die met
orale corticosteroïden zijn behandeld, kan de bijnierschorsfunctie gedurende langere tijd onderdrukt
zijn. Dit geldt ook voor patiënten die in het verleden een spoedbehandeling met hoge doseringen
corticosteroïden toegediend kregen. Er dient altijd rekening te worden gehouden met het risico van een
resterende onderdrukking van de bijnierschorsfunctie in noodsituaties en perioden van stress, waarbij
een passende behandeling met corticosteroïden overwogen dient te worden.
Het kan nodig zijn om de mate van onderdrukking van de bijnierschorsfunctie door een specialist te
laten beoordelen alvorens een electieve procedure wordt ondergaan.
Ritonavir kan de concentratie van fluticasonpropionaat in plasma sterk verhogen. Daarom moet
gelijktijdig gebruik worden vermeden, tenzij het potentiële voordeel voor de patiënt zwaarder weegt
dan het risico van systemische corticosteroïdbijwerkingen. Er is ook een verhoogd risico op
systemische bijwerkingen wanneer fluticasonpropionaat wordt gecombineerd met andere krachtige
CYP3A-remmers (zie rubriek 4.5).
Bij COPD-patiënten, die in de TORCH-studie Seretide 50/500 microgram bd kregen, werd in
vergelijking met placebo en in studies SCO40043 en SCO1000250, waarin de lagere, niet
geregistreerde dosering COPD-dosering van 50/250 microgram bd Seretide werd vergeleken met
alleen 50 microgram bd salmeterol een verhoogde incidentie gemeld van lage luchtweginfecties (in het
bijzonder pneumonie en bronchitis) (zie rubrieken 4.8 en 5.1). Er werd in alle studies een vergelijkbare
incidentie van longontsteking waargenomen in de Seretidegroep. In de TORCH-studie was het risico
op pneumonie het grootst bij oudere patiënten met een lagere Body Mass Index (< 25 kg/m2) en
patiënten met zeer ernstig COPD (FEV1 < 30% van voorspeld) ongeacht het soort behandeling. Bij
COPD-patiënten is voortdurende oplettendheid van artsen op de mogelijke ontwikkeling van
pneumonie en andere lage luchtweginfecties geboden, aangezien de klinische symptomen van zulke
infecties en exacerbaties vaak overlappen. Als een patiënt met ernstig COPD een pneumonie heeft
doorgemaakt, moet de behandeling met Seretide opnieuw worden geëvalueerd.
Resultaten van een grote klinische studie (de Salmeterol Multi-Center Asthma Research Trial,
SMART) wezen bij Afro-Amerikaanse patiënten in de richting van een groter risico met salmeterol
dan met placebo op ernstige luchtweggerelateerde problemen of op overlijden (zie rubriek 5.1).
Het is onbekend of dit toegeschreven moet worden aan farmacogenetische factoren of aan andere
oorzaken. Patiënten met zwarte Afrikaanse of Afro-Caribische voorouders moet daarom worden
verzocht door te gaan met de medicatie, maar medisch advies in te winnen als de astmasymptomen
niet onder controle blijven of erger worden tijdens het gebruik van Seretide.
Gelijktijdig gebruik van systemisch
ketoconazol verhoogt de systemische blootstelling aan salmeterol
significant. Dit kan leiden tot een verhoogde incidentie van systemische effecten (bijvoorbeeld.
verlenging van het QTc-interval en hartkloppingen). Gelijktijdige behandeling met
ketoconazol of
andere krachtige CYP3A4-remmers dient te worden vermeden, tenzij de voordelen van de
salmeterolbehandeling opwegen tegen het mogelijk toegenomen risico van systemische bijwerkingen
(zie rubriek 4.5).
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie Gelijktijdig gebruik van Seretide met zowel niet-selectieve als selectieve bètablokkers dient te worden
vermeden, tenzij er dwingende redenen zijn om deze te gebruiken.
Gelijktijdig gebruik van andere bèta-sympathicomimetica kan een potentieel additief effect hebben.
QRD versie 1.2, 10/2006
Rev.1. 07/2008
5
Seretide Diskus var. II/055 + 1B/058 versie 1.0 d.d. 29-03-2010
Fluticasonpropionaat
Onder normale omstandigheden worden lage plasmaconcentraties van fluticasonpropionaat bereikt na
inhalatie, vanwege het omvangrijke first-pass metabolisme en de hoge systemische klaring door
cytochroom P450 3A4 in de darm en de lever. Vandaar dat klinisch significante geneesmiddelen-
interacties door fluticasonpropionaat onwaarschijnlijk zijn.
In een interactiestudie bij gezonde proefpersonen met intranasaal fluticasonpropionaat, verhoogde
ritonavir 100 mg tweemaal daags (een zeer krachtige cytochroom-P450 3A4-remmer) de
plasmaconcentraties van fluticasonpropionaat een veelvoud van honderd keer, resulterend in opvallend
gereduceerde cortisol-serumconcentraties. Informatie over deze interactie ontbreekt voor geïnhaleerd
fluticasonpropionaat, maar een opvallende toename in fluticasonpropionaat-plasmaspiegels wordt
verwacht. Cushing's syndroom en adrenerge suppressie zijn beschreven. De combinatie dient te worden
vermeden, tenzij de voordelen zwaarder wegen dan het verhoogde risico van systemische
glucocorticoïdbijwerkingen.
In een kleine studie met gezonde vrijwilligers verhoogde de iets minder krachtige CYP3A-remmer
ketoconazol de blootstelling van fluticasonpropionaat na een eenmalige inhalatie met 150%. Dit
resulteerde in een grotere reductie van plasmacortisol in vergelijking met fluticasonpropionaat alleen. Bij
gelijktijdige behandeling met andere sterke CYP3A-remmers, zoals
itraconazol, wordt ook verhoging
verwacht van de systemische fluticasonpropionaatblootstelling en het risico van systemische
bijwerkingen. Voorzichtigheid is geboden en langdurig gebruik met zulke geneesmiddelen moet, indien
mogelijk, worden vermeden.
Salmeterol
Krachtige CYP3A4-remmers
Gelijktijdige toediening van ketoconazol (400 milligram oraal eenmaal daags) en salmeterol (50
microgram tweemaal daags geïnhaleerd) bij 15 gezonde personen gedurende zeven dagen, resulteerde
in een significante toename in plasma-salmeterolblootstelling (1,4-voudige Cmax en 15-voudige AUC).
Dit kan leiden tot een verhoogde incidentie van andere systemische effecten van
salmeterolbehandeling (bijvoorbeeld verlenging van het QTc-interval en hartkloppingen) vergeleken
met salmeterol- of ketoconazolbehandeling alleen (zie rubriek 4.4).
Klinisch significante effecten op de bloeddruk, hartfrequentie, bloedglucose- en bloedkaliumgehaltes
werden niet waargenomen. Gelijktijdige toediening met ketoconazol verhoogde niet de
eliminatiehalfwaardetijd van salmeterol en verhoogde niet de accumulatie van salmeterol bij herhaalde
dosering.
De gelijktijdige toediening van ketoconazol dient vermeden te worden, tenzij de voordelen opwegen
tegen het mogelijk toegenomen risico op systemische bijwerkingen van de salmeterolbehandeling. Er
is waarschijnlijk een vergelijkbaar risico op interactie met andere krachtige CYP3A4-remmers
(bijvoorbeeld
itraconazol,
telithromycine, ritonavir).
Matige CYP3A4-remmers
Gelijktijdige toediening van
erythromycine (500 milligram oraal driemaal daags) en salmeterol (50
microgram tweemaal daags geïnhaleerd) bij 15 gezonde personen gedurende zes dagen, resulteerde in
een kleine maar niet-significante toename in salmeterolblootstelling (1,4-voudige Cmax en 1,2-voudige
AUC). Gelijktijdige toediening met erythromycine is niet in verband gebracht met ernstige
bijwerkingen.
4.6 Zwangerschap
en
borstvoeding
Er zijn onvoldoende gegevens bekend over het gebruik van salmeterol en fluticasonpropionaat bij
zwangerschap en lactatie bij de mens om de mogelijke schadelijke effecten te beoordelen. In
QRD versie 1.2, 10/2006
Rev.1. 07/2008
6
Seretide Diskus var. II/055 + 1B/058 versie 1.0 d.d. 29-03-2010
dierexperimenteel onderzoek zijn foetale afwijkingen gezien na toediening van een ß2-sympathico-
mimeticum en een glucocorticosteroïd (zie rubriek 5.3).
Het gebruik van Seretide door zwangere vrouwen kan alleen worden overwogen als het verwachte nut
voor de moeder groter is dan het mogelijke risico voor de foetus.
De laagste effectieve dosering van fluticasonpropionaat die nodig is voor een adequate astmacontrole,
dient te worden toegepast bij de behandeling van zwangere vrouwen.
Er zijn geen gegevens bekend over de aanwezigheid van Seretide in de moedermelk bij de mens. Bij
ratten werden zowel salmeterol als fluticasonpropionaat uitgescheiden in de moedermelk. Bij het
gebruik van Seretide door vrouwen die borstvoeding geven, dient het verwachte nut voor de moeder
groter te zijn dan het mogelijke risico voor de foetus.
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en van het vermogen om machines te bedienen Er is geen onderzoek verricht met betrekking tot de effecten op de rijvaardigheid en op het vermogen
om machines te bedienen.
4.8 Bijwerkingen Aangezien Seretide salmeterol en fluticasonpropionaat bevat, kunnen dezelfde type en ernst van
bijwerkingen worden verwacht die behoren bij elk van deze twee componenten. Het vóórkomen van
extra bijwerkingen na gelijktijdige toediening van de twee componenten is niet gerapporteerd.
Bijwerkingen die worden geassocieerd met salmeterol/fluticasonpropionaat zijn hieronder beschreven
per orgaanklasse en frequentie.
De frequenties zijn als volgt gedefinieerd:
Zeer vaak:
1/10
Vaak:
1/100 en < 1/10
Soms:
1/1.000 en < 1/100
Zelden
1/10.000 en < 1/1.000
Zeer zelden
< 1/10.000
De bijwerkingen zeer vaak, vaak en soms zijn verkregen uit data van klinische studies. Het placebo-
effect is hierin niet meegenomen. Bijwerkingen die zeer zelden voorkomen, zijn verkregen uit
gegevens die postmarketing spontaan gemeld zijn.
QRD versie 1.2, 10/2006
Rev.1. 07/2008
7
Seretide Diskus var. II/055 + 1B/058 versie 1.0 d.d. 29-03-2010
Systeem/orgaanklasse
Bijwerkingen
Frequentie
Infecties en parasitaire
candidiasis van mond en keel
vaak
aandoeningen
pneumonie
vaak1,3,5
bronchitis
vaak1,3
Immuunsysteemaandoeningen
overgevoeligheidreacties met de volgende
verschijnselen:
overgevoeligheidsreacties van de huid
soms
angio-oedeem (gewoonlijk van het gezicht en
zeer zelden
orofaryngeaal oedeem), respiratoire symptomen
(dyspnoe en/of bronchospasmen), anafylactische
reacties inclusief anafylactische shock
Endocriene aandoeningen
Cushing-syndroom, Cushingoïde
zeer zelden4
verschijnselen, onderdrukking van de
bijnierfunctie, groeivertraging bij kinderen en
adolescenten, afname van de minerale botdichtheid
Voedings- en
hypokaliëmie
vaak3
stofwisselingsstoornissen
hyperglykemie
zeer zelden4
Psychische stoornissen
angst, slaapstoornissen en gedrags- veranderingen,
zeer zelden
inclusief hyperactiviteit en prikkelbaarheid
(voornamelijk bij kinderen)
Zenuwstelselaandoeningen
hoofdpijn
zeer vaak1
tremor
vaak
Oogaandoeningen
cataract, glaucoom
zeer zelden4
Hartaandoeningen
palpitaties
vaak
tachycardie
soms
hartaritmieën (zoals atriumfibrilleren,
zeer zelden
supraventriculaire tachycardie en
extrasystolen)
Ademhalingsstelsel- , borstkas-
nasofaryngitis
zeer vaak2,3
en mediastinumaandoeningen
keelirritatie
vaak
heesheid/dysfonie
vaak
sinusitis
vaak1,3
paradoxale bronchospasmen
zeer zelden4
Huid- en
kneuzingen
vaak1,3
onderhuidaandoeningen
Skeletspierstelsel- en
spierkrampen
vaak
bindweefselaandoeningen
facturen veroorzaakt door traumata
vaak1,3
artralgie
zeer zelden
myalgie
zeer zelden
QRD versie 1.2, 10/2006
Rev.1. 07/2008
8
Seretide Diskus var. II/055 + 1B/058 versie 1.0 d.d. 29-03-2010
1 Bij placebo gerapporteerd als vaak
2 Bij placebo gerapporteerd als zeer vaak
3 Gedurende 3 jaar gerapporteerd in een COPD-studie
4 Zie rubriek 4.4
5 Zie rubriek 5.1
Beschrijving van geselecteerde bijwerkingen
De farmacologische bijwerkingen van ß2-agonistbehandeling, zoals tremor, palpitaties en hoofdpijn,
zijn beschreven, maar neigen voorbijgaand te zijn en te reduceren bij regelmatige behandeling.
Door de fluticasonpropionaat kan bij sommige patiënten heesheid en candidiasis (spruw) van de mond
en de keel voorkomen. Zowel heesheid als het optreden van candidiasis kunnen worden verlicht door
na het gebruik van Seretide de mond te spoelen met water. Symptomatische candidiasis kan worden
behandeld met lokale antimycotische therapie, terwijl de behandeling met Seretide Diskus kan worden
voortgezet.
Kinderen
Mogelijke systemische effecten omvatten Cushing-syndroom, Cushingoïde verschijnselen, adrenerge
suppressie, groeivertraging bij kinderen en adolescenten (zie rubriek 4.4). Kinderen kunnen ook angst,
slaapstoornissen en gedragsveranderingen, waaronder hyperactiviteit en prikkelbaarheid, ervaren.
4.9 Overdosering Er zijn geen gevallen van overdosering van Seretide in het klinisch onderzoek gerapporteerd.
Beschikbare gegevens over overdoseringen met één van de componenten worden hieronder gegeven:
De symptomen van overdosering met salmeterol zijn tremor, hoofdpijn en tachycardie. Salmeterol
overdosering wordt bij voorkeur behandeld met een cardioselectieve bètablokker; dit dient met de
nodige voorzichtigheid te geschieden bij patiënten met een voorgeschiedenis van bronchospasmen.
Indien de behandeling met Seretide dient te worden onderbroken door een overdosering van de bèta-
agonist component, dan dient een adequate alternatieve corticosteroïdtherapie te worden overwogen.
Bovendien kan hypokaliëmie voorkomen en in dat geval dient kaliumsuppletie te worden overwogen.
Acute overdosering: acute inhalatie van doses fluticasonpropionaat ver boven de therapeutische dosis
kan leiden tot een tijdelijke suppressie van de bijnierschorsfunctie. Er hoeft geen directe actie te
worden ondernomen, aangezien de bijnierschorsfunctie binnen enkele dagen herstelt. Dit verloop kan
door het meten van de plasmacortisolspiegel worden gecontroleerd.
Chronische overdosering van geïnhaleerd fluticasonpropionaat: zie rubriek 4.4: risico van
bijnierschorssuppressie. In dit geval kan het noodzakelijk zijn de bijnierschorsreserve te controleren.
In het geval van een overdosering met fluticasonpropionaat kan de behandeling met Seretide toch
worden voortgezet in een dosering die de symptomen onder controle houdt.
5. FARMACOLOGISCHE
EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische
eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: adrenergica en andere middelen bij astma.
ATC-code: R03AK06
QRD versie 1.2, 10/2006
Rev.1. 07/2008
9
Seretide Diskus var. II/055 + 1B/058 versie 1.0 d.d. 29-03-2010
Klinische studies met Seretide bij astma
In een 12 maanden durende studie (Gaining Optimal Asthma Control, GOAL), bij 3.416 volwassenen
en adolescenten met persisterend astma werden de veiligheid en effectiviteit van Seretide versus een
inhalatiecorticosteroïd alleen (fluticasonpropionaat) vergeleken. Dit om te bepalen of de doelstellingen
van astmamanagement haalbaar waren. Behandeling werd elke 12 weken stapsgewijs verhoogd totdat
Totale Astma Controle** werd verkregen of totdat de hoogste dosering van het bestudeerde
geneesmiddel werd bereikt. GOAL toonde aan dat meer patiënten astmacontrole bereikten met
Seretide dan patiënten behandeld met ICS alleen en dat deze controle werd bereikt met een lagere
corticosteroïddosis.
Well Controlled Asthma* (Goede Astma Controle) werd sneller bereikt met Seretide dan met alleen
ICS. De behandelingstijd voor 50% van de patiënten om de eerste individuele Well Controlled week te
bereiken was 16 dagen voor Seretide vergeleken met 37 dagen voor ICS-groep. In de subgroep van
steroïd-naïeve astmapatiënten was de tijd tot een individuele Well Controlled week 16 dagen in de
Seretidebehandeling vergeleken met 23 dagen volgend op de behandeling met ICS.
De samenvatting van de studieresultaten toonde aan:
Percentage patiënten dat Well Controlled (WC)* en Totally Controlled (TC) Astma** bereikte
in 12 maanden
Prestudie behandeling
salmeterol/fluticason
fluticason
WC
TC
WC
TC
Geen ICS (alleen SABA=
78%
50%
70%
40%
kortwerkende
bronchusverwijders)
Lage ICS dosering ( 500
75%
44%
60%
28%
microgram BDP of
equivalent/dag)
Matige dosering ICS (>
62%
29%
47%
16%
500 1.000 microgram
BDP of equivalent/dag)
Gepoolde resultaten over
71%
41%
59%
28%
de 3 behandelings-
niveaus
*WC: Well Controlled Asthma (Goede Astma Controle): incidentele symptomen, of SABAgebruik, of
minder dan 80% van voorspelde longfunctie plus geen nachtelijk ontwaken, geen exacerbaties en geen
aanpassing van medicatie als gevolg van bijwerkingen.
**TC: Totally Controlled Asthma (Totale Astma Controle): geen symptomen, geen SABAgebruik,
groter dan of gelijk aan 80% van voorspelde longfunctie, geen nachtelijk ontwaken, geen exacerbaties
en geen aanpassing van medicatie als gevolg van bijwerkingen.
De resultaten van deze studie suggereren dat men Seretide 50/100 microgram tweemaal daags in
overweging kan nemen als start-onderhoudstherapie bij patiënten met matig, persisterend astma, voor
wie een snelle controle van astma essentieel is (zie rubriek 4.2).
In een dubbelblinde, gerandomiseerde parallelle groepsstudie bij 318 patiënten ( 18 jaar) met
persisterend astma werden gedurende twee weken de veiligheid en de verdraagbaarheid na toediening
van twee inhalaties tweemaal daags (dubbele dosering) Seretide geëvalueerd. Deze studie toonde aan
dat het verdubbelen van het aantal inhalaties van elke sterkte Seretide tot maximaal 14 dagen in
vergelijking met 1 inhalatie tweemaal daags, resulteerde in een lichte stijging van bèta-agonist
gerelateerde bijwerkingen (tremor; 1 patiënt [1%] versus 0, palpitaties; 6 [3%] versus 1 [<1%],
spierkrampen; 6 [3%] versus 1 [<1%]) en een vergelijkbare incidentie van bijwerkingen gerelateerd
aan inhalatiecorticosteroïden (bijv. orale candidiasis; 6 [6%] versus 16 [8%], heesheid; 2 [2%] versus
4 [2%]. Indien verdubbeling van de dosering Seretide door de arts wordt overwogen bij volwassen
QRD versie 1.2, 10/2006
Rev.1. 07/2008
10
Seretide Diskus var. II/055 + 1B/058 versie 1.0 d.d. 29-03-2010
patiënten die aanvullende korte termijn (tot maximaal 14 dagen) inhalatiecorticosteroïdentherapie
vereisen, moet een lichte toename in bèta-agonist gerelateerde bijwerkingen worden meegewogen.
Klinische studies met Seretide bij COPD
TORCH was een 3 jaar durende studie om bij COPD-patiënten het effect op totale mortaliteit van een
behandeling met tweemaal daags Seretide Diskus 50/500 microgram, tweemaal daags salmeterol
Diskus 50 microgram, tweemaal daags 500 microgram fluticasonpropionaat (FP) Diskus of placebo
vast te stellen. COPD patiënten met een FEV1 basaalwaarde < 60% van de voorspelde normale
longfunctie (pré-bronchodilatoir) werden gerandomiseerd voor dubbel-geblindeerde medicatie.
Gedurende de studie werd aan patiënten toegestaan om de gebruikelijke COPD-therapie te gebruiken,
met uitzondering van andere corticosteroïden per inhalatie, langwerkende bronchusverwijders en
langdurig systemische corticosteroïden. Overleving na 3 jaar werd bepaald voor alle patiënten
ongeacht het stoppen van de studiemedicatie. Het primaire eindpunt was reductie van de totale
mortaliteit na 3 jaar voor Seretide vs. placebo.
Placebo
Salmeterol 50
FP 500
Seretide 50/500
N = 1.524
N = 1.521
N = 1.534
N = 1.533
Totale mortaliteit na 3 jaar
Aantal doden (%)
231 (15,2%)
205 (13,5%)
246 (16,0%)
193 (12,6%)
Relatief risico vs
0,897
1,060
0,825
placebo (BI's)
n.v.t.
(0,73, 1,06)
(0,89, 1,27)
(0,68, 1,00)
p-waarde
0,180
0,525
0,052 1
Relatief risico
0,932
0,774
Seretide 50/500 vs
n.v.t.
(0,77, 1,13)
(0,64, 0,93)
n.v.t.
componenten (BI's)
0,481
0,007
p-waarde
1. Niet significante p-waarde na correctie voor 2 interim analyses van de primaire effectiviteit vergelijking uit een log-rank
analyse gestratificeerd voor rokers
In vergelijking met placebo was er een trend naar verbeterde overleving na 3 jaar bij personen die
werden behandeld met Seretide, echter dit was niet statistisch significant p 0,05.
Het percentage patiënten dat overleed binnen 3 jaar door COPD-gerelateerde oorzaken was 6,0% voor
placebo, 6,1% voor salmeterol, 6,9% voor FP en 4,7% voor Seretide.
In vergelijking met behandeling met salmeterol, FP en placebo was het gemiddelde aantal matig tot
ernstige exacerbaties per jaar met Seretide-behandeling significant gereduceerd (gemiddeld incidentie
in de Seretide-groep is 0,85 in vergelijking met 0,97 in de salmeterol-groep, 0,93 in de FP-groep en
1,13 in de placebo-groep). Dit kan worden vertaald naar een 25% reductie in de incidentie van matig
tot ernstige exacerbaties (95% BI: 19% - 31%; p<0,001) in vergelijking met placebo, 12% reductie in
vergelijking met salmeterol (95% BI: 5% - 19%, p=0,002) en 9% reductie in vergelijking met FP
(95 % BI: 1% - 16%, p=0,024). Salmeterol en FP reduceerden significant de exacerbatie-incidentie in
vergelijking met placebo met respectievelijk 15% (95% BI: 7% - 22%; p<0,001) en 18% (95% BI:
11% - 24%; p<0,001).
In vergelijking met placebo was de aan gezondheid gerelateerde kwaliteit-van-leven, zoals gemeten
met de St. George Respiratory Questionnaire (SGRQ) verbeterd met alle actieve behandelingen. De
gemiddelde verbetering gedurende 3 jaar voor Seretide vergeleken met placebo was - 3,1 eenheden
(95% BI: - 4,1 tot -2,1; p<0,001), vergeleken met salmeterol was dit -2,2 eenheden (p<0,001) en
vergeleken met FP was dit -1,2 eenheden (p=0,017). Een afname van 4 eenheden wordt als klinisch
relevant beschouwd.
QRD versie 1.2, 10/2006
Rev.1. 07/2008
11
Seretide Diskus var. II/055 + 1B/058 versie 1.0 d.d. 29-03-2010
De geschatte 3-jaars waarschijnlijkheid voor het krijgen van een pneumonie, gemeld als bijwerking,
was 12,3% voor placebo, 13,3% voor salmeterol, 18,3% voor FP en 19,6% voor Seretide (Relatief
risico voor Seretide vs placebo: 1,64, 95% BI: 1,33 2,01, p<0,001). Er was geen toename in
pneumonie-gerelateerd overlijden; het aantal doden tijdens behandeling dat primair werd toegewezen
aan pneumonie was 7 voor de placebo-, 9 voor de salmeterol, 13 voor FP en 8 voor Seretide.
Er was geen significant verschil in de kans op botbreuken (5,1% placebo, 5,1% salmeterol, 5,4% FP,
en 6,3% Seretide); Het Relatief risico voor Seretide vs placebo is: 1,22, 95% BI: 0,87 1,72,
p = 0,248.
Placebo-gecontroleerde klinische studies toonden aan dat het regelmatig gebruik van Seretide 50/500
microgram gedurende een periode van 6 tot 12 maanden de longfunctie verbetert, de kortademigheid
reduceert en het gebruik van aanvalsmedicatie vermindert.
De studies SCO40043 en SCO100250 waren gerandomiseerde, dubbelblinde replicatiestudies met
parallele groepen waarin het effect van Seretide 50/250 microgram bd (een dosering die in Europa niet
is geregistreerd voor de behandeling van COPD) werd vergeleken met salmeterol 50 microgram bd op
het jaarlijks voorkomen van matige/ernstige exacerbaties bij patiënten met COPD met een FEV1 lager
dan 50% voorspeld en een voorgeschiedenis van exacerbaties. Matige/ernstige exacerbaties zijn
gedefinieerd als verergering van de symptomen waarvoor behandeling met oraal gebruikte
corticosteroïden en/of antibiotica of een ziekenhuisopname noodzakelijk was.
De studies hadden een vier weken durende inloopperiode; in deze periode kregen alle patiënten een
open-label salmeterol/FP 50/250 om de COPD-farmacotherapie te standaardiseren en om de ziekte te
stabiliseren voordat werd gestart met geblindeerde studiemedicatie die gedurende 52 weken werd
gebruikt. De patiënten werden 1:1 gerandomiseerd op salmeterol/FP50/250 (totale ITT n = 776) of
salmeterol (totale ITT n=778). Voor de inloop staakten de patiënten het gebruik van eerder gebruikte
COPD-medicatie behalve de kortwerkende bronchodilatoren. Het gebruik van gelijktijdig gebruikte
langwerkende inhalatie-bronchodilatoren (beta2-agonist en anticholinergisch), ipratropium/
salbutamol
combinatieproducten, oraal gebruikte beta2-agonisten en theofyllinepreparaten waren niet toegestaan
gedurende de behandelperiode. Oraal gebruikte corticosteroïden en antibiotica waren wel toegestaan
voor de acute behandeling van COPD-exacerbaties met specifieke gebruiksrichtlijnen. De patiënten
gebruikten indien nodig
salbutamol gedurende de duur van de studies.
De resultaten van beide studies lieten zien dat de behandeling met Seretide 50/250 resulteerde in een
significant lager aantal jaarlijkse matige/ernstige COPD-exacerbaties vergeleken met salmeterol
(SCO40043; respectievelijk 1,06 en 1,53 per patiënt per jaar, snelheid ratio van 0,70, 95% BI: 0,58 tot
0,83, p<0,001; SCO100250; respectievelijk 1,10 en 1,59 per patiënt per jaar, snelheid ratio van 0,70,
95% BI: 0,58 tot 0,83, p<0,001). De resultaten van de secundaire werkzaamheidsmaatregelen (tijd tot
eerste matige/ernstige exacerbatie, het jaarlijks aantal exacerbaties dat oraal gebruikte corticosteroïden
vereiste en de predoserings ochtend FEV1) lieten zien dat Seretide 50/250 bd significant gunstiger was
dan salmeterol. De bijwerkingenprofielen waren vergelijkbaar met uitzondering van een hogere
incidentie van longontsteking en bekende lokale bijwerkingen (candidiase en dysfonie) in de Seretide
50/250 microgram bd groep vergeleken met salmeterol. De toegenomen incidentie van gerapporteerde
longontsteking met Seretide 50/250 microgram bd lijkt van vergelijkbare grootte als de incid entie die
werd gerapporteerd na de behandeling met Seretide 50/500 bd in de TORCH-studie.
De Salmeterol Multi-center Asthma Research Trial (SMART)
SMART was een multicentrum, gerandomiseerde, dubbelblinde, placebogecontroleerde studie met
parallelle onderzoeksgroepen, met een studieduur van 28 weken, die in de US werd uitgevoerd. Als
aanvulling op de gebruikelijke astmamedicatie werden 13.176 patiënten gerandomiseerd in de
salmeterolgroep (2x daags 50 microgram), 13.179 patiënten kregen placebo. Patiënten met astma
werden in de studie opgenomen als ze 12 jaar of ouder waren, en astmamedicatie gebruikten (een
LABA, dit is een langwerkende bronchusverwijder, was niet toegestaan). Het basale ICS-gebruik aan
het begin van de studie werd genoteerd, tijdens de studie was dit echter niet vereist. Het primaire
eindpunt in de SMART-studie was het aantal patiënten, dat overleed aan luchtweg gerelateerde
QRD versie 1.2, 10/2006
Rev.1. 07/2008
12
Seretide Diskus var. II/055 + 1B/058 versie 1.0 d.d. 29-03-2010
problemen, gecombineerd met het aantal patiënten, dat luchtweg gerelateerde, levensbedreigende
ervaringen had.
De voornaamste resultaten van SMART: het primaire eindpunt
Patiëntengroep
Aantal primaire eindpunt ge- Relatief risico
beurtenissen/aantal patiënten
(95% betrouw-
baarheidsinterval)
salmeterol
placebo
Alle patiënten
50/13.176
36/13.179
1,40 (0,91, 2,14)
Patiënten die inhalatiesteroïden
23/6.127
19/6.138
1,21 (0,66, 2,23)
gebruikten
Patiënten die geen
27/7.049
17/7.041
1,60 (0,87, 2,93)
inhalatiesteroïden gebruikten
Afro-Amerikaanse patiënten
20/2.366
5/2.319
4,10 (1,54, 10,90)
(Risico is vetgedrukt bij statistische significantie op 95% betrouwbaarheidsniveau)
De voornaamste resultaten van SMART, uitgaande van het inhalatiesteroïdgebruik aan het begin van
de studie: secundaire eindpunten.
Aantal secundaire eindpunt Relatief risico
gebeurtenissen /aantal
(95% betrouwbaar-
patiënten
heidsinterval)
salmeterol placebo
Respiratoir-gerelateerde doden
Patiënten die inhalatiesteroïden
10/6.127
5/6.138
2,01 (0,69, 5,86)
gebruikten
Patiënten die geen inhalatiesteroïden
14/7.049
6/7.041
2,28 (0,88, 5,94)
gebruikten
Astma-gerelateerde doden, gecombineerd met levensbedreigende ervaringen
Patiënten die inhalatiesteroïden
16/6.127
13/6.138
1,24 (0,60, 2,58)
gebruikten
Patiënten die geen
21/7.049
9/7.041
2,39 (1,10, 5,22)
inhalatiesteroïden gebruikten
Astma-gerelateerde doden
Patiënten die inhalatiesteroïden
4/6.127
3/6.138
1,35 (0,30, 6,04)
gebruikten
Patiënten die geen inhalatiesteroïden
9/7.049
0/7.041
*
gebruikten
(*= kon niet worden berekend omdat er geen gebeurtenissen in de placebogroep plaatsgevonden
hebben. Risico is vetgedrukt bij statistische significantie op 95%-niveau. De secundaire eindpunten in
bovenstaande tabel bereikten statistisch significantie wanneer de gehele populatie geanalyseerd werd).
De secundaire eindpunten: wanneer overlijden of levensbedreigende ervaringen ongeacht de oorzaak,
overlijden ongeacht de oorzaak of ziekenhuisopname ongeacht de oorzaak werden gecombineerd,
bereikten geen statistische significantie wanneer de gehele populatie geanalyseerd werd.
Werkingsmechanisme:
Seretide bevat salmeterol en fluticasonpropionaat, die een verschillend werkingsmechanisme hebben.
De beide werkingsmechanismen worden hieronder beschreven:
QRD versie 1.2, 10/2006
Rev.1. 07/2008
13
Seretide Diskus var. II/055 + 1B/058 versie 1.0 d.d. 29-03-2010
Salmeterol:
Salmeterol is een selectief langwerkend (12 uur) ß2-sympathicomimeticum, met een lange zijketen die
bindt aan de exo-site van de receptor.
Salmeterol geeft een langdurige bronchodilatatie van minstens 12 uur, hetgeen langer is dan de
conventionele kortwerkende ß2-sympathicomimetica.
Fluticasonpropionaat
Fluticasonpropionaat, dat per inhalatie in de aanbevolen dosering wordt toegediend, heeft een
ontstekingsremmende glucocorticosteroïde werking in de longen. Dit resulteert in een reductie van
symptomen en exacerbaties van het astma, waarbij geen bijwerkingen worden waargenomen die
optreden bij systemische toediening van glucocorticosteroïden.
5.2 Farmacokinetische gegevens
Bij de gezamenlijke toediening van salmeterol en fluticasonpropionaat per inhalatie was de
farmacokinetiek van elke component gelijk aan die waargenomen bij gescheiden toediening van beide
geneesmiddelen. Voor de farmacokinetische eigenschappen kunnen de componenten gescheiden
worden behandeld:
Salmeterol
Salmeterol is lokaal werkzaam in de longen en plasmaspiegels zijn dus niet gerelateerd aan het
therapeutisch effect. Bovendien zijn er slechts beperkte farmacokinetische gegevens over salmeterol
beschikbaar vanwege de technische problemen bij het bepalen van de zeer lage (ongeveer
200 picogram/ml of minder) plasmaspiegels die na een geïnhaleerde dosering worden bereikt.
Fluticasonpropionaat
De absolute biologische beschikbaarheid van geïnhaleerd fluticasonpropionaat bij gezonde
vrijwilligers varieert tussen ongeveer 5-11 % van de nominale doses afhankelijk van het gebruikte
inhalatiesysteem. Bij patiënten met astma of COPD is een lagere systemische blootstelling aan
fluticasonpropionaat geconstateerd.
Systemische absorptie vindt voornamelijk plaats door de longen en is in eerste instantie snel en houdt
vervolgens aan. Het restant van de geïnhaleerde doses kan ingeslikt worden, maar draagt minimaal bij
tot de systemische blootstelling vanwege de lage wateroplosbaarheid en het pre-systemisch
metabolisme, resulterend in een orale beschikbaarheid van minder dan 1%. Er is een lineaire
verhoging van de systemische blootstelling bij verhoging van de geïnhaleerde doses.
De dispositie van fluticasonpropionaat wordt gekarakteriseerd door hoge plasmaklaring
(1.150 ml/min), een groot distributievolume bij steady-state (ongeveer 300 l) en een halfwaardetijd
van ongeveer 8 uur.
Plasma eiwitbinding is 91%.
Fluticasonpropionaat wordt zeer snel geklaard uit de systemische circulatie. De belangrijkste route is
via metabolisering naar een inactieve carbonzuurmetaboliet, door het chromosoom-P450-enzym
CYP3A4. Andere niet geïdentificeerde metabolieten zijn ook gevonden in de feces.
De renale klaring van fluticasonpropionaat is verwaarloosbaar. Minder dan 5% van de doses wordt
uitgescheiden in de urine, hoofdzakelijk als metabolieten. Het grootste gedeelte van de doses wordt
uitgescheiden via de feces als metabolieten en onveranderd geneesmiddel.
QRD versie 1.2, 10/2006
Rev.1. 07/2008
14
Seretide Diskus var. II/055 + 1B/058 versie 1.0 d.d. 29-03-2010
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek De enige toxicologische effecten gezien in dierstudies met salmeterolxinafoaat of fluticason-
propionaat (apart gegeven), die relevant kunnen zijn voor humaan gebruik, zijn effecten geassocieerd
met een overmatige farmacologische werking.
Reproductiestudies met proefdieren wezen op malformaties (gespleten gehemelte, skelet-
malformaties) na toediening van glucocorticosteroïden. Deze waarnemingen in experimenten met
proefdieren lijken echter niet relevant te zijn voor humaan gebruik bij de aanbevolen doseringen.
In studies bij proefdieren met salmeterolxinafoaat is een embryofoetale toxiciteit waargenomen,
uitsluitend bij blootstelling aan hoge doseringen. Na gelijktijdige toediening is een toegenomen
incidentie van transpositie van de arteria umbilicalis en onvolledige beenvorming van het achterhoofd
waargenomen bij ratten bij doseringen, die geassocieerd worden met bekende glucocorticosteroïd-
abnormaliteiten.
6. FARMACEUTISCHE
GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Lactosemonohydraat (die melkeiwitten bevat)
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid Niet van toepassing.
6.3 Houdbaarheid 18 maanden.
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren Bewaren beneden 30°C.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
Het inhalatiepoeder zit in een blisterstrip (een voorgevormde PVC-gecoate basis met afstripbaar
aluminium). De strip zit in een speciaal ontworpen plastic inhalatieapparaat.
Seretide Diskus is beschikbaar in verpakkingen van:
1 x 28 doses of
1 x 60 doses of
2 x 60 doses of
3 x 60 doses of
10 x 60 doses
Het kan voorkomen dat niet alle verpakkingsgrootten in de handel worden gebracht.
6.6
Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
De Diskus bevat een poeder dat via inhalatie in de longen terechtkomt.
Het cijfer op de teller van de Diskus geeft aan hoeveel doses er nog over zijn.
Lees voor gebruik de patiëntenbijsluiter.
QRD versie 1.2, 10/2006
Rev.1. 07/2008
15
Seretide Diskus var. II/055 + 1B/058 versie 1.0 d.d. 29-03-2010
7.
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
GlaxoSmithKline BV
Huis ter Heideweg 62
3705 LZ Zeist
Nederland
030-6938100
nlinfo@gsk.com
8.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Seretide Diskus 50/100
RVG 23529
Seretide Diskus 50/250
RVG 23530
Seretide Diskus 50/500
RVG 23531
9.
DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/HERNIEUWING VAN
DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 12 januari 1999
Datum laatste vernieuwing van de vergunning: 7 september 2008
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatste gedeeltelijke herziening betreft rubriek 4.4, 4.8, 5.1: 16 juni 2010
Gedetailleerde informatie over dit product is beschikbaar op de website van het College ter
Beoordeling van Geneesmiddelen: www.cbg-meb.nl.
QRD versie 1.2, 10/2006
Rev.1. 07/2008
16