Bestanden
Home > Bestanden


Tambocor injectievloeistof 10 mg/ml

RegistratienummerRVG 10099
Farmaceutische vormOplossing voor injectie
ToedieningswegParenteraal
ATCC01BC04 - Flecainide
AfleverstatusUitsluitend recept
Registratiedatum06 maart 1984
RegistratiehouderMeda Pharma B.V.
Krijgsman 20
1186 DM AMSTELVEEN
Werkzame stof(fen)FLECAINIDEACETAAT
Hulpstof(fen)AZIJNZUUR (E 260), GECONCENTREERD
NATRIUMACETAAT 3-WATER (E 262)
WATER, GEZUIVERD
Download: IB-tekst PDF
Zie ook: Bijsluiter


Tambocor, injectievloeistof 10 mg/ml
IB1/1


Samenvatting van de kenmerken van het product (SmPC)

1.

Naam van het geneesmiddel
Tambocor, injectievloeistof 10 mg/ml





2.
Kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling
Tambocor injectievloeistof bevat 10 mg flecaÔnideacetaat per ml (150 mg/15 ml)

3.
Farmaceutische vorm
Injectievloeistof.

4.
Klinische gegevens
4.1
Therapeutische indicaties

Tambocor injectievloeistof is geÔndiceerd wanneer in een klinische situatie een snelle
controle of een kortdurende profylactische behandeling van de volgende aritmieŽn
gewenst is:

1. AV-nodale reentry tachycardieŽn; Wolff-Parkinson-White syndroom en
soortgelijke condities met anomale bundels en anterograde of retrograde geleiding.
2. Levensbedreigende ventriculaire aritmieŽn zoals symptomatische sustained
ventriculaire tachycardieŽn.
3. Acute aanvallen van paroxysmaal boezemfibrilleren die korter duren dan 24 uur,
indien er sprake is van een duidelijke noodzaak tot behandeling en er geen sprake
is van een structureel hartlijden en/of een slechte linkerkamer-functie.

4.2
Dosering en wijze van toediening
Dosering

De behandeling met flecaÔnide dient klinisch te worden ingesteld en
doseringsaanpassingen dienen klinisch doorgevoerd te worden onder controle van
ECG en plasmaspiegel.

Injectievloeistof

1. Bolusinjectie: Tambocor kan in een noodsituatie of indien snel effect gewenst is,
gegeven worden als een langzame injectie van 2 mg/kg gedurende tenminste 10
minuten. Indien gewenst kan de injectievloeistof verdund worden met 5% glucose,
en zo gegeven worden als mini-infusie. De maximale dosis als bolusinjectie
bedraagt 150 mg.
Continue ECG-registratie dient te geschieden bij alle patiŽnten die de bolusdosis
toegediend krijgen. De injectie dient gestopt te worden wanneer de aritmie onder
controle is.
2. Intraveneuze infusie: Indien langdurige parenterale toediening is gewenst, dan
wordt de therapie bij voorkeur gestart met een langzame injectie van 2 mg/kg
gedurende 30 minuten als onder punt 1 en vervolgd met een intraveneuze infusie
met de volgende snelheden: Eerste uur: 1,5 mg/kg. Tweede en volgende uren: 0,1-
0,25 mg/kg per uur.

Het verdient aanbeveling de infusie niet langer dan 24 uur voort te zetten. Echter
wanneer dit toch noodzakelijk is of wanneer patiŽnten een zeer hoge dosis


Pagina 1 van 8

Tambocor, injectievloeistof 10 mg/ml
IB1/1

ontvangen, dient dit te geschieden onder voortdurende controle van het ECG en de
plasmaspiegel.

De maximaal cumulatieve dosis gedurende de eerste 24 uur dient niet meer dan 600
mg te bedragen. Indien tengevolge van nier- en/of leverinsufficiŽntie de plasmaklaring
vertraagd is, dient de dosis aangepast te worden op geleide van de plasmaspiegels.

Toediening aan risicopatiŽnten
Het wordt aanbevolen flecaÔnide acetaat langzamer toe te dienen aan patiŽnten met
aanhoudende ventriculaire tachycardie onder zorgvuldige bewaking van het ECG. Een
dergelijke voorzichtigheid is eveneens geboden bij patiŽnten met een geschiedenis van
hartinsufficiŽntie, waarbij decompensatio cordis kan ontstaan gedurende de
toediening.

Het wordt aangeraden de aanvangsdosis van 2 mg/kg aan dergelijke patiŽnten te geven
gedurende 60 minuten of een verminderde dosis van 1 mg/kg gedurende 30 minuten.
De dosis dient te worden aangepast al naar gelang de respons.
Indien langdurige parenterale toediening aan deze risicopatiŽnten is gewenst, dan dient
de therapie te worden gestart als boven en te worden vervolgd met de volgende
snelheden: Eerste uur: 0,75 mg/kg. Tweede en volgende uren: 0,1 mg/kg per uur.
Controle van de plasmaspiegel dient te worden verricht om de flecaÔnide concentratie
te handhaven binnen een gebied van 200-1000 ng/ml.
Bij patiŽnten met nierinsufficiŽntie ( creatinine klaring minder dan 35 ml/min/1,73 m≤)
dient het hierboven gegeven doseringsschema aangehouden te worden.

Overgang naar orale dosering
De overgang naar orale dosering dient zo snel mogelijk plaats te vinden door het
stopzetten van het infuus en tegelijkertijd de voor de patiŽnt geschikte eerste dosis toe
te dienen. De orale onderhoudsdosering wordt dan voortgezet zoals aangegeven in de
desbetreffende aanwijzingen voor oraal gebruik.

4.3 Contra-indicaties
- Bekende overgevoeligheid voor flecaÔnide of voor ťťn van de overige bestanddelen
van de injectievloeistof.
- Hartfalen en myocardinfarct (in de anamnese), met asymptomatische ventriculaire
ectopia of asymptomatische ventriculaire tachycardieŽn.
- PatiŽnten met reeds langer bestaande boezemfibrillatie bij wie er geen poging is
ondernomen om het sinusritme te veranderen en patiŽnten met hemodynamisch
significante hartklepziekten
- Tenzij er pacing apparatuur beschikbaar is, mag flecaÔnide niet worden toegepast bij
patiŽnten met gestoorde sinusknoopfunctie, atriale conditie afwijkingen, tweede
graads of ernstigere atrio-ventriculair blok, bundeltakblok of distale blok.
- FlecaÔnide dient niet te worden toegepast bij patiŽnten met asymptomatische of mild
symptomatische ventriculaire aritmieŽn.

4.4

Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
De behandeling met flecaÔnide dient klinisch te worden ingesteld en
doseringsaanpassingen dienen klinisch doorgevoerd te worden onder controle van
ECG en plasmaspiegel.

De elektrolytenbalans dient vůůr toediening van flecaÔnide in evenwicht te worden
gebracht.


Pagina 2 van 8

Tambocor, injectievloeistof 10 mg/ml
IB1/1

Aangezien de plasma eliminatie van flecaÔnide aanzienlijk langzamer kan zijn bij
patiŽnten met leverinsufficiŽntie, verdient het aanbeveling om bij deze patiŽnten
flecaÔnide alleen dan te gebruiken, wanneer de mogelijke voordelen duidelijk opwegen
tegen de risico's.
FlecaÔnide dient met voorzichtigheid te worden toegepast bij patiŽnten met
nierinsufficiŽntie en frequente bepaling van plasma spiegels dient plaats te vinden.
Aanbevolen wordt onder deze omstandigheden de plasmaspiegels te bepalen.

Het is bekend dat flecaÔnide de endocardiale prikkeldrempel verhoogt bijvoorbeeld
door vermindering van de endocardiale pacing gevoeligheid. Dit effect is reversibel en
is bij acuut drijven groter dan bij chronisch drijven. Daarom dient flecaÔnide met
voorzichtigheid toegepast te worden bij patiŽnten met een permanente pacemaker of
met tijdelijke pacing electroden en dient niet toegediend te worden aan patiŽnten met
een bestaande verminderde prikkelbaarheid of met een niet-programmeerbare
pacemaker, behalve in het geval er adequate pacingapparatuur voorhanden is.
In het algemeen geldt dat een verdubbeling van de pulsbreedte of ≠amplitude
voldoende is om weer een ventrikelrespons te verkrijgen. Vlak na een implantatie van
een pacemaker kan het moeilijk zijn om bij sterkten minder dan 1 Volt de
ventrikeldrempel te overschrijden, wanneer tevens flecaÔnide toegediend is.

Het geringe negatief inotrope effect van flecaÔnide kan van klinisch belang zijn bij
patiŽnten met een neiging tot hartfalen.
Moeilijkheden met het defibrilleren van sommige patiŽnten zijn gemeld. De meeste
van deze patiŽnten hadden van tevoren bestaande hartziekten met een vergroot hart,
een doorgemaakt hartinfarct, arteriosclerose en hartfalen.
FlecaÔnide dient voorzichtig te worden toegepast bij patiŽnten die na een hartoperatie
boezemfibrilleren ondervinden.
Gebleken is dat flecaÔnide de mortaliteit verhoogt bij patienten met asymptomatische
ventriculaire aritmieen na een doorgemaakt myocard infarct.
Bij falen van de therapie bij boezemfibrilleren is toename van het kamerritme gemeld.

Gelijktijdig gebruik van flecaÔnide met ritonavir moet worden vermeden vanwege een
verhoogd risico op ventriculaire aritmieŽn (zie sectie 4.5).

4.5
Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

FlecaÔnide is een klasse I anti-arrhythmicum, en interacties met andere anti-arrhythmica,
waardoor additieve effecten kunnen optreden, zijn mogelijjk. Gelijktijdig gebruik met
andere klasse I anti-arrhythmica (natriumkanaal blokkers) wordt niet aanbevolen.
Men dient bedacht te zijn op mogelijke additieve negatief inotrope effecten van
bŤtablokkers en andere hartonderdrukkende middelen.

FlecaÔnide wordt gemetaboliseerd door cytochroom P450 2D6, waardoor ook
interacties kunnen optreden met andere geneesmiddelen welke binden aan of
gemetaboliseerd worden door CYP2D6, of die een enzyminducerende werking
hebben.

Effect van andere geneesmiddelen op flecaÔnide

Remmers van CYP2D6



Pagina 3 van 8

Tambocor, injectievloeistof 10 mg/ml
IB1/1

Antivirale middelen: de plasma concentratie van flecaÔnide kan worden verhoogd door
gelijktijdig gebruik van ritonavir, waardoor een verhoogd risico op ventriculaire aritmieŽn
ontstaat. Gelijktijdig gebruik dient te worden vermeden (zie sectie 4.4).

Indien flecaÔnide wordt toegepast in combinatie met amiodaron dient de gebruikelijke dosis
te worden gereduceerd en dient de patiŽnt nauwgezet gecontroleerd te worden op het
optreden van bijwerkingen. Het is aanbevolen in deze gevallen de plasmaspiegel te bepalen.

Geneesmiddelen bij het stoppen met roken (bupropion): bij gelijktijdig gebruik van
bupropion met geneesmiddelen welke gemetaboliseerd worden door CYP2D6 enzymen,
zoals flecaÔnide, dient voorzichtigheid in acht te worden genomen, en er dient te worden
begonnen met de laagst mogelijke dosering. Bij patienten die al met flecaÔnide worden
behandeld, dient overwogen te worden of de dosis flecaÔnide moet worden verlaagd
wanneer een behandeling met bupropion wordt geÔnitieerd.

Verhoogde plasma spiegels en een toename van de halfwaardetijd van flecaÔnide is gezien
in gezonde vrijwilligers die gedurende 1 week 1 gram cimetidine per dag innamen.

Cytochroom P450 inducerende middelen

Er zijn aanwijzingen dat bij patiŽnten die enzym-inducerende geneesmiddelen gebruiken,
zoals fenytoÔne, fenobarbital en carbamazepine, de eliminatiesnelheid van flecaÔnide uit het
lichaam met 30% kan toenemen.

Interacties met CYP2D6 substraten en overige PK/PD interacties

Antipsychotica (haloperidol, risperidon): er bestaat een verhoogd risico op aritmie.

Andere geneesmiddelinteracties zijn mogelijk met: antidepressiva (fluoxetine en
tricyclische), antihistaminica (astemizol en terfenadine), antimalariamiddelen (kinine en
halofantrine), verapamil, kinidine en diuretica.

Effect van flecaÔnide op andere geneesmiddelen

FlecaÔnide kan de plasmaspiegel van digoxine met 15% doen toenemen. Dit hoeft geen
problemen op te leveren bij patiŽnten die een plasmaspiegel in het therapeutisch
gebied hebben. Aanbevolen wordt de digoxinespiegel pas 6 uur na digoxine inname te
bepalen, voor of na toediening van flecaÔnide.

Behandeling met flecaÔnide is verenigbaar met het gebruik van orale anticoagulantia.

4.6
Zwangerschap en borstvoeding
Over het gebruik van flecaÔnide in de zwangerschap bij de mens bestaan onvoldoende
gegevens om de mogelijke schadelijkheid te beoordelen.
Dierproeven laten reproductie toxiciteit zien in een bepaalde soort konijnen (zie
rubriek 5.3). De relevantie van deze bevindingen is voor de mens nog niet vastgesteld.
Er is aangetoond dat flecaÔnide gedurende de zwangerschap de placenta passeert.
FlecaÔnide dient tijdens de zwangerschap slechts toegepast te worden indien strikt
noodzakelijk.
FlecaÔnide wordt in de moedermelk uitgescheiden. Vanwege de lage totale dosis die
de neonaat met de moedermelk krijgt toegediend is de kans op nadelige effecten erg
klein.



Pagina 4 van 8

Tambocor, injectievloeistof 10 mg/ml
IB1/1

4.7

BeÔnvloeding van de rijvaardigheid en van het vermogen om machines te
bedienen


Het optreden van bijwerkingen als duizeligheid en gezichtsstoornissen kan de
rijvaardigheid beÔnvloeden.

4.8
Bijwerkingen

Algemene aandoeningen
Vermoeidheid, oedeem.

Hartaandoeningen

Pro-aritmische effecten (extrasystolie, boezemfibrilleren en ≠flutter, atriale en
ventriculaire tachycardie, torsade de pointe) zijn tijdens gebruik van flecaÔnide vaak
waargenomen, vooral bij patiŽnten met structureel hartlijden en/of slechte
linkerkamerfunctie. In de meest extreme vorm kunnen pro-aritmische effecten zich
uiten in plotse hartdood.
Bij patiŽnten met boezem flutter is het gebruik van flecaÔnide geassocieerd met 1:1
AV geleiding gevolgd door initiŽle boezemvertraging met als resultaat ventriculaire
versnelling. Deze effecten komen vooral voor na het gebruik van de injectie voor acute
conversie. Dit effect is gewoonlijk van korte duur en verdwijnt snel na stopzetting van
de behandeling.
De volgende bijwerkingen zijn ook waargenomen: eerste-, tweede- en derdegraads
AV-block, sino-atriaal blok, bradycardie, (congestief) hartfalen, pijn op de borst,
hypotensie, myocard infarct, palpitaties, sinus pauze/stop.

Huid- en onderhuidaandoeningen
Er zijn geÔsoleerde gevallen van fotosensitiviteit gemeld. Allergische huidreacties,
waaronder zeldzame gevallen van ernstige urticaria, alopecia en rashes.

Maagdarmstelselaandoeningen
Soms komen misselijkheid en braken voor. Ook gemeld zijn: buikpijn, anorexia,
constipatie, diarrhee, dyspepsie en flatulentie.

Lever- en galaandoeningen
Enkele gevallen van verhoogde leverenzymwaarden en geelzucht zijn gerapporteerd,
die mogelijk in verband stonden met gebruik van flecaÔnide. Tot dusver is dit steeds
reversibel geweest na stopzetting van de behandeling. Verminderde leverfunctie is ook
gemeld.

Zenuwstelselaandoeningen
Vooral duizeligheid, draaierigheid en licht gevoel in het hoofd komen voor.
Gewoonlijk zijn deze bijwerkingen van voorbijgaande aard. Zeldzame gevallen van
dyskinesie, die verdwijnt na stoppen met flecaÔnide therapie, zijn gemeld. Eveneens
zeldzaam zijn gemeld convulsies en gedurende chronische therapie, enkele gevallen
van perifere neuropathie, paresthesie en ataxie.
Ook zijn er meldingen geweest van blozen (flushing), hoofdpijn, hypoaesthesie,
verhoogde transpiratie, somnolentie, syncope, tinnitus en tremor.



Pagina 5 van 8

Tambocor, injectievloeistof 10 mg/ml
IB1/1

Oogaandoeningen
Gezichtsstoornissen, zoals diplopie, vaag zien. Deze bijwerkingen zijn gewoonlijk van
voorbijgaande aard en verdwijnen na stoppen of verminderen van de dosering.
Extreem zeldzame gevallen van afzettingen in de cornea zijn gemeld.

Immuunsysteemaandoeningen
Een klein aantal gevallen van toegenomen antinucleaire antistoffen, met en zonder
systemische onsteking zijn gemeld.

Bloed- en lymfestelselaandoeningen
Afname van rode en witte bloedcellen en bloedplaatjes zijn soms gemeld. Deze
veranderingen zijn gewoonlijk mild van aard.

Psychische stoornissen
Zeldzaam zijn gemeld, hallucinaties, depressie, verwarring en amnesie. Ook zijn angst
en slapeloosheid gemeld.

Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen
Dyspnoe en extreem zeldzame gevallen van pneumonitis zijn gemeld.

4.9
Overdosering
Overdosering met flecaÔnide is een potentieel levensbedreigende medische situatie.
Een specifiek antidotum is niet bekend. Het is niet mogelijk flecaÔnide snel uit het
lichaam te doen verdwijnen. Theoretisch zou geforceerde zure diurese van nut zijn.
Noch dialyse, noch hemoperfusie is succesvol en injecties met anticholinerge stoffen
zijn niet aanbevolen.
Behandeling van een overdosering kan bestaan uit het toedienen van een positief
inotroop middel, intraveneuze calciumtoediening, ondersteuning van de circulatie
(door bijv. een ballonpomp), mechanische ondersteuning van de ademhaling, of een
tijdelijke plaatsing van transveneuze pacemaker, wanneer zich ernstige
geleidingsstoornissen voordoen, of als de linkerventrikelfunctie van de patiŽnt op een
andere manier in gevaar is gebracht.

5. FARMACOLOGISCHE
EIGENSCHAPPEN

5.1

Farmacodynamische eigenschappen
ATC code: CO1BC.
FlecaÔnide behoort tot de klasse Ic antiaritmica, die gebruikt worden voor de
behandeling van ernstige symptomatische ventriculaire en supraventriculaire
aritmieŽn. Het dient niet gebruikt te worden bij de onderdrukking van
asymptomatische ventriculaire aritmieŽn bij patiŽnten met een myocard infarct in de
anamnese. De meeste bijwerkingen zijn op het centrale zenuwstelsel.
Elektrofysiologisch is flecaÔnide een lokaal-anaesthesthische type (klasse Ic) anti-
aritmische verbinding. Het is een amide-type lokaal-anaestheticum, welke structureel
gerelateerd is aan procaÔnamide en encainide aangezien deze ook benzamide derivaten
zijn. De karakterisering van flecaÔnide als een klasse Ic verbinding is gebaseerd op een
drietal kenmerken: significante depressie van de snelle natrium kanalen in het hart;
langzame aanvang en compensatoire inhibitie kinetiek van de natrium kanalen (duidt
op langzame verbinding naar de dissociatie van natrium kanalen); en het differentieel
effect van het geneesmiddel op de duur van de actiepotentiaal in de ventriculaire spier
ten opzichte van de Purkinje vezels, welk geen effect heeft in de eerst genoemde en
significant korter in de laatstgenoemde.


Pagina 6 van 8

Tambocor, injectievloeistof 10 mg/ml
IB1/1

Deze verscheidenheid aan eigenschappen leidt tot een significante depressie van de
geleidingssnelheid in vezels afhankelijk van de snelle kanaal vezels voor depolarisatie,
maar geeft een bescheiden toename in de effectieve refractoire periode te zien bij
testen in geÔsoleerd hartweefsel. Deze elektrofysiologische effecten van flecaÔnide
kunnen leiden tot verlenging van het PR-interval en verbreding van het QRS-complex
in het ECG. Bij hele hoge concentraties laat flecaÔnide een zwak depressief effect zien
op de langzame kanalen in het myocard. Dit wordt vergezeld door een negatief
inotroop effect. FlecaÔnide geeft geen significante interactie met het autonome
zenuwstelsel. Het geneesmiddel schijnt geen meetbaar effect te hebben op het
coronair, pulmonair of op andere regionale circulatiesystemen.

5.2 Farmacokinetische

gegevens

FlecaÔnide acetaat wordt nagenoeg volledig geabsorbeerd na orale toediening en
ondergaat nauwelijks first-pass metabolisme. De biologische beschikbaarheid van
flecaÔnide acetaat tabletten bedraagt ongeveer 90%. FlecaÔnide wordt voor een groot
deel gemetaboliseerd (ondergaat genetische polymorfisme), waarvan de twee
belangrijkste metabolieten zijn, m-O-des-alkylflecaÔnide en m-O-
desalkyllactamflecaÔnide, die beiden enige activiteit kunnen vertonen. Het wordt
grotendeels in de urine uitgescheiden, ongeveer 30% als onveranderd flecaÔnide en de
rest als metabolieten. Ongeveer 5% wordt met de feces uitgescheiden. Uitscheiding
van flecaÔnide neemt af bij nierfalen, hartfalen en bij alkalische urine. Met
hemodialyse wordt ongeveer 1% van het onveranderd flecaÔnide verwijderd. De
therapeutische plasma concentratie range bedraagt in het algemeen 200 tot 1000
ng/ml. De eliminatie halfwaarde tijd van flecaÔnide bedraagt ongeveer 20 uur en het
wordt voor ongeveer 40% aan plasma-eiwitten gebonden. FlecaÔnide passeert de
placenta en wordt in de moedermelk uitgescheiden.

5.3
Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
De enige relevante preklinische gegevens voor de voorschrijver en die een
toegevoegde waarde hebben tot hetgeen vermeld staat in andere rubrieken van de
SmPC zijn de effecten op de reproductie. Bij ťťn soort konijnen bleek flecaÔnide
teratogeen en embryotoxisch, er waren onvoldoende gegevens aanwezig om de
veiligheidmarge van dit effect vast te stellen. Deze effecten zijn echter niet
waargenomen bij andere soorten konijnen, ratten en muizen.

6. FARMACEUTISCHE
GEGEVENS

6.1
Lijst van hulpstoffen

Natrium acetaat, ijsazijn, water.

6.2
Gevallen van onverenigbaarheid
Injectievloeistof: aanwijzing voor de verdunning. FlecaÔnide injectievloeistof moet bij
voorkeur worden verdund met, of worden bijgespoten in 5% steriele glucose-
oplossingen. Indien chloride bevattende oplossingen zoals fysiologisch zout of
Ringers lactaat gebruikt worden, dan moet de injectievloeistof in tenminste 500 ml
worden bijgespoten, aangezien zich anders een precipitaat vormt.

6.3
Houdbaarheid
3 jaar

6.4
Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Geen speciale bewaartemperatuur. Niet invriezen.
Bewaren in de omverpakking (kartonnen doosje).


Pagina 7 van 8

Tambocor, injectievloeistof 10 mg/ml
IB1/1


6.5
Aard en inhoud van de verpakking
Tambocor kleurloze glazen ampullen met injectievloeistof zijn verpakt per 5 stuks.

6.6

Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen
Geen bijzondere vereisten.

7.
Houder van de vergunning voor het in de handel brengen

Meda Pharma BV
Krijgsman 20
1186 DM Amstelveen

8.

Nummer van de vergunning voor het in de handel brengen
RVG 10099. Tambocor injectievloeistof 10 mg/ml ampul 15 ml.

9.
Datum van eerste vergunning/hernieuwing van de vergunning
6 maart 1984

10.

Datum van herziening van de tekst

Laatste gedeeltelijke herziening betreft rubriek 7: april 2007.



Pagina 8 van 8





« Vorige
[Tambocor 100, tabletten 100 mg]
Volgende »
[Tambocor injectievloeistof 10 mg/ml]