Exmedica
 




Delen via:




Bestanden

    Home > Bestanden

Zelitrex 250 mg, filmomhulde tabletten

Download: IB-tekst PDF
Registratienummer: RVG 21719
Registratiehouder: GlaxoSmithKline





Samenvatting van de productkenmerken van:


1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL

Zelitrex 250 mg, filmomhulde tabletten.
Zelitrex 500 mg, filmomhulde tabletten.


2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

Zelitrex 250 mg: iedere tablet bevat 250 mg valaciclovir (als valaciclovirhydrochloride).
Zelitrex 500 mg: iedere tablet bevat 500 mg valaciclovir (als valaciclovirhydrochloride).

3. FARMACEUTISCHE VORM

Zelitrex 250 mg: biconvexe, langwerpige, witte filmomhulde tablet met witte tot gebroken witte kern
en blauwe opdruk GX CE7.
Zelitrex 500 mg: biconvexe, langwerpige, witte filmomhulde tablet met witte tot gebroken witte kern
en blauwe opdruk GX CF1.


4. KLINISCHE GEGEVENS

4.1 Therapeutische indicaties

Zelitrex is bestemd voor de behandeling van herpes zoster infecties bij immunocompetente patiënten
waarbij op een ernstig beloop wordt geanticipeerd.
De therapie dient binnen 48 uur na de eerste verschijnselen van exantheem te beginnen.

Zelitrex is bestemd voor de behandeling van initiële en recidiverende herpes genitalis bij
immunocompetente patiënten. Zelitrex kan de ontwikkeling van laesies voorkomen wanneer het wordt
ingenomen bij het optreden van de eerste verschijnselen van recidiveren van herpes genitalis.

Zelitrex is bestemd voor de preventie van recidiverende herpes genitalis bij immunocompetente
patiënten en immuungecompromitteerde patiënten met een HIV-infectie.

Zelitrex is bestemd als profylaxe voor de preventie van cytomegalovirus (CMV)-infectie en -ziekte na
niertransplantaties bij volwassenen. Het preventieve effect ten aanzien van CMV-ziekte is vooral bij
CMV seronegatieve recipiënten evident.

4.2 Dosering en wijze van toediening

4.2.1 Dosering bij volwassenen

Behandeling van herpes zoster:
Zelitrex dient voor de behandeling van herpes zoster te worden ingenomen in een dosering van 3 maal
per dag 1000 mg. De behandeling dient gedurende 7 dagen te worden voortgezet.


Behandeling van herpes genitalis:
versie 16.1
- 1 -





Zelitrex dient voor de behandeling van herpes genitalis te worden ingenomen in een dosering van 2
maal per dag 500 mg.

Voor recidiverende episodes dient de duur van de behandeling 5 dagen te zijn. Voor initiële episodes,
die ernstiger van aard kunnen zijn, kan het noodzakelijk zijn de duur van de behandeling te verlengen
tot 10 dagen.
De behandeling dient zo spoedig mogelijk te worden begonnen. Voor recidiverende episodes van herpes
genitalis is dit idealiter gedurende de prodromale periode of onmiddellijk na het verschijnen van de
eerste symptomen.

Preventie van herpes genitalis:
Zelitrex dient voor de preventie van herpes genitalis bij immunocompetente patiënten te worden
ingenomen in een dosering van 1 maal per dag 500 mg. Bij patiënten met frequent terugkerende
aanvallen (10 of meer per jaar) wordt een dosering van 2 maal daags 250 mg aanbevolen.

De dosering bij immuungecompromitteerde patiënten met een HIV-infectie bedraagt tweemaal daags
500 mg.

Profylaxe van CMV-infectie en -ziekte
Zelitrex dient te worden ingenomen in een dosering van 4 maal per dag 2000 mg. De behandeling dient
zo spoedig mogelijk na transplantatie te worden begonnen. De dosis moet worden aangepast aan de
creatinineklaring (zie `Dosering bij verminderde nierfunctie'). Er dient voor adequate
vloeistoftoediening te worden gezorgd.

De duur van de behandeling is gewoonlijk 90 dagen. Het kan noodzakelijk zijn de behandeling te
verlengen bij patiënten met een hoog risico, zoals patiënten die met een hoge dosis immunosuppressiva
behandeld blijven worden.

In CMV seropositieve patiënten dient valaciclovir slechts te worden gebruikt bij die patiënten die een
verhoogd risico lopen om CMV-ziekte te ontwikkelen (bijv. patiënten die met hoge doses
immunosuppressiva behandeld worden of een tweede transplantaat ontvangen van een CMV-
seropositieve donor).
versie 16.1
- 2 -






4.2.2. Dosering bij verminderde nierfunctie

Herpes zoster behandeling en herpes genitalis behandeling en preventie (onderdrukking en
reductie van transmissie):
De dosering van Zelitrex dient als volgt te worden aangepast bij patiënten met een aanzienlijk
verminderde nierfunctie:

Creatinine-

klaring
Aanpassing Zelitrex dosering

(in ml/min)
herpes
herpes genitalis
zoster

behandeling preventie
reductie van
transmissie

immuno-
immunoge-
immuno-
competent
compromiteerd
competent
door HIV-
infectie
15-30
1000 mg 2x
geen
geen
geen
geen
daags
aanpassing
aanpassing
aanpassing
aanpassing
<15
1000 mg 1x
500 mg 1x
250 mg 1x
500 mg 1x
250 mg 1x
daags
daags
daags
daags
daags

Bij patiënten die hemodialyse ondergaan dient de dosering van Zelitrex te worden gebruikt, zoals wordt
aanbevolen bij een creatinineklaring van minder dan 15 ml/min, doch de dosis dient te worden gegeven
nadat de hemodialyse is voltooid.

CMV-profylaxe:
De dosering van Zelitrex dient als volgt te worden aangepast in patiënten met verminderde nierfunctie:

Creatinineklaring (ml/min) Dosering
>75
2000 mg 4x daags
50-75
1500 mg 4x daags
25-50
1500 mg 3x daags
10-25
1500 mg 2x daags
<10 of dialyse*
1500 mg 1x daags

* Bij patiënten die hemodialyse ondergaan, dient de dosis te worden toegediend als de hemodialyse is
beëindigd.

De creatinineklaring dient regelmatig gemeten te worden, met name tijdens periodes van wisselende
nierfunctie (onmiddellijk na transplantatie). De dosering van Zelitrex dient dienovereenkomstig
aangepast te worden.

4.2.3. Dosering bij verminderde leverfunctie

Studies uitgevoerd met een dosering van 1000 mg Zelitrex hebben aangetoond dat bij patiënten met
milde of matige cirrose (intacte synthesefunctie van de lever) wijziging van de dosis niet noodzakelijk
is. Farmacokinetische gegevens van patiënten met cirrose in een gevorderd stadium (verminderde
synthesefunctie van de lever en tekenen van een portale-systemische shunt) geven geen aanwijzingen
voor een noodzaak tot wijziging van de dosering; de klinische ervaring is echter beperkt. Voor hogere
doseringen die worden aanbevolen als CMV-profylaxe zie rubriek 4.4.
versie 16.1
- 3 -






4.2.4 Dosering bij kinderen

Er zijn geen gegevens bekend over de dosering bij kinderen.

4.2.5 Dosering bij ouderen

Wijziging van de dosering is niet noodzakelijk, tenzij de nierfunctie in een aanzienlijke mate is
verminderd (Zie rubriek 4.2.2 en 4.4). Er dient voor adequate vloeistoftoediening te worden gezorgd.

4.3 Contra-indicaties


Zelitrex is gecontraïndiceerd bij patiënten met bekende overgevoeligheid voor valaciclovir, aciclovir of
een van de andere bestanddelen van het geneesmiddel.

4.4 Speciale waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Er dient voor adequate vloeistoftoediening te worden gezorgd bij patiënten die een risico lopen op
uitdroging, in het bijzonder ouderen.

Verminderde nierfunctie
De dosis valaciclovir dient te worden aangepast bij patiënten (waaronder bijvoorbeeld ouderen) met een
significant verminderde nierfunctie (Zie rubriek 4.2.2 en 4.2.5). Patiënten bekend met nierinsufficiëntie
hebben een verhoogd risico op de ontwikkeling van neurologische effecten (zie rubriek 4.8).

Er zijn geen gegevens beschikbaar over het gebruik van een hoge dosis Zelitrex (4000 mg/dag) in
patiënten met leverziekte. Voorzichtigheid dient te worden betracht bij de toediening van hoge doses
Zelitrex aan deze patiënten. Specifieke studies met Zelitrex zijn in levertransplantatie patiënten niet
uitgevoerd.

Gebruik bij preventie van herpes genitalis:
Onderhoudsbehandeling met Zelitrex ter onderdrukking van het virus geneest herpes genitalis niet en
het kan het risico op transmissie niet wegnemen. Aanvullend op de behandeling met Zelitrex wordt
aanbevolen dat de patiënten op een veilige manier vrijen.

4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

Er zijn geen farmacokinetische interacties gevonden tussen valaciclovir en digoxine.
Aciclovir wordt door een actief mechanisme renaal geklaard en voornamelijk onveranderd in de urine
uitgescheiden. Gelijktijdig toegediende geneesmiddelen die eveneens gebruik maken van dit
mechanisme, kunnen hierdoor de plasmaconcentratie van aciclovir doen stijgen.

Toediening van cimetidine en probenecide na toediening van 1000 mg Zelitrex, heeft door dit
mechanisme een verminderde renale klaring van aciclovir tot gevolg en verhoogt de oppervlakte onder
de plasmaconcentratie tijdcurve (AUC) van aciclovir. Een aanpassing van de dosering is echter niet
noodzakelijk vanwege de grote therapeutische breedte van aciclovir.

In patiënten die een hoge dosering van Zelitrex (8000 mg/dag) als CMV-profylaxe ontvangen, is
voorzichtigheid geboden bij gelijktijdige toediening van geneesmiddelen die net zoals aciclovir renaal
geklaard worden. Hetzelfde klaringsmechanisme kan leiden tot een mogelijke verhoging van de
plasmaconcentraties van deze middelen of hun metabolieten. Tevens moet ook de nierfunctie van de
patiënt op eventuele veranderingen gecontroleerd worden. Verhoging van de plasma AUC van aciclovir
en van de inactieve metaboliet van mycophenolaat mofetil is waargenomen bij gelijktijdige toediening
van deze middelen. Mycophenolaat mofetil is een immunosuppressivum dat wordt toegediend aan
versie 16.1
- 4 -





transplantatie patiënten. Gelijktijdige toediening van (val)aciclovir en mycofenolaatmofetil dient met de
nodige voorzichtigheid te gebeuren.

Toediening van andere geneesmiddelen die de fysiologie van de nier beïnvloeden (zoals ciclosporine en
tacrolimus) in combinatie met (val)aciclovir, kunnen de plasmaspiegels van aciclovir beïnvloeden.
Gelijktijdige toediening dient met zorg te gebeuren en dient gepaard te gaan met controle op
veranderingen in de nierfunctie.

4.6 Zwangerschap en borstvoeding

Zwangerschap

Zeer beperkte ervaring met het gebruik van valaciclovir tijdens de zwangerschap bij de mens geeft geen
aanwijzingen voor een verhoogde kans op aangeboren afwijkingen. In dierstudies zijn geen schadelijke
effecten aangetoond bij de toediening van valaciclovir, echter wel bij toediening van aciclovir (zie
rubriek 5.3). Aciclovir is de actieve metaboliet van valaciclovir. Gegevens over een groot aantal
zwangerschappen waarin vrouwen gedurende verschillende periodes van de zwangerschap oraal werden
blootgesteld aan aciclovir lieten geen verhoging van het aantal aangeboren afwijkingen zien in
vergelijking met de normale populatie. Echter na orale toediening van valaciclovir worden veel hogere
plasma spiegels van aciclovir bereikt dan na orale toediening van aciclovir (zie rubriek 5.2). Alleen
indien de hoge plasma spiegels van aciclovir, die bereikt worden met oraal valaciclovir, strikt
noodzakelijk zijn voor de behandeling kan kortdurend valaciclovir worden gebruikt bij ernstige
indicaties.

Borstvoeding

Er zijn geen gegevens over de uitscheiding van valaciclovir in de moedermelk. Het werkzame
bestanddeel aciclovir is in de moedermelk aangetoond: na orale toediening van aciclovir 5 maal daags
200 mg in hoeveelheden die slechts een klein percentage van de toegestane zuigelingen dosering zijn.
Bij het geven van borstvoeding dient men zich dit te realiseren; derhalve dient voorzichtigheid te
worden betracht wanneer valaciclovir wordt toegediend aan een zogende vrouw.

4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen

Er zijn geen studies uitgevoerd om het effect van Zelitrex op de beïnvloeding van de rijvaardigheid of op
het vermogen om machines te bedienen. Men dient er rekening mee te houden dat het eventueel optreden
van de bijwerkingen duizeligheid en verwardheid deze vaardigheden negatief kan beïnvloeden. Deze
bijwerkingen zullen eerder optreden bij patiënten met een nierbeschadiging of met een andere
predisponerende factor alsmede bij patiënten die een orgaantransplantatie hebben ondergaan en
behandeld worden met een hoge dosis valaciclovir.

4.8 Bijwerkingen


Bijwerkingen staan opgesomd naar systeem/orgaanklassen volgens MedDRA en naar frequentie.

De frequentieverdeling:
Zeer vaak:
1 op de 10
Vaak:
1 op de 100 en < 1 op de 10
Soms:
1 op de 1.000 en < 1 op de 100
Zelden:
1 op de 10.000 en < 1 op de 1.000
Zeer zelden:
< 1 op de 10.000

Klinische studiegegevens zijn gebruikt om de frequentieverdeling aan de bijwerkingen toe te kennen
indien, in de studies, er aantoonbare relatie met valaciclovir bestond (dat wil zeggen een statistisch
significant verschil tussen de incidentie bij patiënten met valaciclovir en met placebo).
versie 16.1
- 5 -





De geanalyseerde studiegegevens waren afkomstig uit klinische studies om de toepassing van
valaciclovir te onderzoeken bij diverse indicaties (te weten behandeling van herpes zoster, behandeling
van herpes genitalis, vermindering van herpes genitalis en behandeling van koortslip, met uitzondering
van CMV).
Voor alle andere bijwerkingen, zijn spontane post-marketing gegevens gebruikt als basis voor het
toekennen van de frequentie. Deze bijwerkingen zijn geïdentificeerd door middel van spontane
meldingen, daarom is het niet mogelijk om de werkelijke frequentie te bepalen. De frequentie-
vermelding onder post-marketing gegevens geven daarom meer een indicatie van de meldingsfrequentie
dan een werkelijke frequentie.
Klinische Studie gegevens
Zenuwstelselaandoeningen
Vaak: hoofdpijn

Maagdarmstelselaandoeningen
Vaak: misselijkheid

Post-marketing gegevens
Bloed en lymphestelselaandoeningen
Zeer zelden: thrombocytopenie, leukopenie (vooral bij immunogecompromitteerde patiënten)

Immuunsysteemaandoeningen
Zeer zelden: anafylaxie

Psychische stoornissen*
Zelden: verwardheid, hallucineren, agitatie en psychotische stoornis

Zenuwstelselaandoeningen*
Zelden: duizeligheid, slaperigheid, vermoeidheid en verminderd bewustzijn
Zeer zelden: , tremor, ataxie, dysartrie, convulsies, encefalopathie, coma

* De hierboven genoemde bijwerkingen zijn doorgaans omkeerbaar en meestal gezien bij patiënten met
nierbeschadiging of met een andere factor waardoor de patiënt meer vatbaar is (zie rubriek 4.4). Bij
patiënten die een hogere dosering valaciclovir kregen (8 gram per dag) ter preventie van CMV infecties
na een orgaantransplantatie, kwamen neurologische reacties vaker voor dan bij patiënten die met een
lagere dosering zijn behandeld.

Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoenigen
Soms: kortademigheid

Maagdarmstelselaandoeningen:

Zelden: abdominale pijn, braken, diarree

Lever- en galaandoeningen
Zeer zelden: reversibele verhoging van de leverfunctietesten (deze zijn een enkele keer beschreven als
hepatitis)


Huid- en onderhuidaandoeningen
Soms: huiduitslag inclusief fotosensitiviteit
Zelden: pruritis
Zeer zelden: urticaria, angio-oedeem

Nier- en urinewegaandoeningen
Zelden: vermindering van de nierfunctie
Zeer zelden: acuut nierfalen
versie 16.1
- 6 -






Onderzoeken: In incidentele gevallen kunnen lichte veranderingen van de volgende
laboratoriumwaarden optreden: bilirubine, leverenzymen, plasma-ureum, creatinine en hematologische
indexen.

Overige: Er zijn meldingen van nierinsufficiëntie, micro-angiopathische hemolytische anemie en
thrombocytopenie (soms in combinatie) bij ernstig immuungecompromitteerde patiënten, met name
patiënten met een gevorderd stadium van HIV, die hoge doses (8 g per dag) valaciclovir gedurende
langere perioden in klinische studies ontvingen. Deze bevindingen zijn geobserveerd bij patiënten welke
niet behandeld werden met valaciclovir met dezelfde onderliggende symptomen.

4.9 Overdosering


Symptomen
Voorzichtigheid is geboden om te voorkomen dat onbedoeld overdosering optreedt. Bij accidentele
overdosering moet er rekening worden gehouden met het optreden van acute nierinsufficiëntie,
neurologische symptomen, waaronder verwardheid, hallucinaties, agitatie, verminderd bewustzijn, coma
maar ook misselijkheid en braken. Veel van de gemelde gevallen van overdosering, hadden betrekking
op patiënten met nierinsufficientie en ouderen die herhaaldelijk een overdosering toegediend kregen,
omdat de dosering niet afdoende was verlaagd.


Behandeling
Patiënten moeten nauwlettend worden geobserveerd voor tekenen van toxiciteit. Indien een
symptomatische overdosering met valaciclovir is opgetreden, kan aciclovir met behulp van dialyse
worden verwijderd.


5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1 Farmacodynamische eigenschappen

Farmacotherapeutische categorie: nucleosiden en nucleotiden uitgezonderd reverse transcriptase
remmers
ATC code : J05AB11

Valaciclovir is een anti-viraal middel; het is de L­valine ester van aciclovir. Aciclovir is een purine
(guanine) nucleoside­analogon.

Werkingsmechanisme

Valaciclovir wordt door de mens snel en bijna volledig omgezet tot aciclovir. Dit geschiedt
waarschijnlijk door het enzym valaciclovirhydrolase. Aciclovir is een specifieke remmer van herpes
virussen met in­vitro activiteit tegen herpes simplex virussen (HSV) type 1 en type 2, varicella zoster
virus (VZV), cytomegalovirus (CMV), Epstein­Barr virus (EBV) en humaan herpes virus 6 (HHV-6).

Aciclovir remt de DNA-synthese van herpes virussen nadat het is gefosforyleerd tot de actieve trifosfaat
vorm. De eerste stap van de fosforylering vereist de activiteit van een virus­specifiek enzym. In het
geval van HSV, VZV en EBV is dit enzym het virale thymidinekinase (TK), hetgeen uitsluitend
aanwezig is in met virus geïnfecteerde cellen. De selectiviteit is bij CMV gehandhaafd door
fosforylering, welke tenminste voor een deel wordt gemedieerd door het fosfotransferase product van
het gen UL97. De vereiste van activering van aciclovir door een virus-specifiek enzym verklaart in
belangrijke mate de unieke selectiviteit ervan.

versie 16.1
- 7 -





Het fosforyleringsproces wordt voltooid (omzetting van het mono­ in het trifosfaat) door cellulaire
kinasen. Aciclovirtrifosfaat remt competitief het virale DNA­polymerase en de inbouw van dit
nucleoside­analogon resulteert in obligate beëindiging van de keten, stoppen van de virale DNA­
synthese en aldus tot blokkering van de virale replicatie.

Uitgebreid onderzoek van klinische HSV- en VZV- isolaten van patiënten die aciclovir als
behandeling of preventie ontvingen, heeft aangetoond dat virussen met verminderde gevoeligheid voor
aciclovir uiterst zeldzaam zijn bij immuuncompetente personen en slechts zelden worden aangetroffen
bij ernstig immuungecompromitteerde personen, zoals orgaan­ of beenmergtransplantatiepatiënten,
patiënten die chemotherapie ontvangen wegens een maligne aandoening en personen die met het
humane immuundeficiëntie virus (HIV) zijn geïnfecteerd. Resistentie is gewoonlijk het gevolg van een
thymidinekinase deficiënt fenotype, hetgeen leidt tot een virus dat in aanzienlijke mate in het nadeel is
bij de natuurlijke gastheer. Een verminderde gevoeligheid voor aciclovir als gevolg van subtiele
veranderingen in het virale thymidinekinase of DNA­polymerase is zelden beschreven. De virulentie
van deze varianten gelijkt op die van de wild type virussen.

Een placebo gecontroleerd onderzoek met een hoge dosering (zie rubriek 4.2) van valaciclovir voor de
preventie van cytomegalovirus (CMV)-infectie en ­ziekte na niertransplantaties bij volwassenen heeft
in gunstige uitkomsten geresulteerd. Bij personen die het hoogste risico lopen op CMV-ziekte (CMV
seronegatieve recipiënten), voorkwam of vertraagde valaciclovir het ontstaan van CMV-ziekte met 78%.
Het geschatte aantal CMV-zieken gedurende de 90 daagse behandeling was 3% en 45 % bij
respectievelijk de valaciclovir en de placebo groep. Bij personen die een gemiddeld risico lopen op
CMV-ziekte (seropositieve recipiënten), was het preventieve of vertragende effect van valaciclovir
82%. Deze resultaten waren statistisch significant verschillend ten opzichte van de placebogroep. Het
geschatte aantal CMV-zieken gedurende de 90 daagse behandeling was 0% en 6 % bij respectievelijk de
valaciclovir en de placebo groep. Lagere doseringen zijn niet geëvalueerd.

Gegevens over de veiligheid en werkzaamheid van valaciclovir voor de preventie van CMV ­ infectie
en ­ziekte na andere orgaantransplantaties, zoals hart en long transplantaties, zijn beperkt.

5.2 Farmacokinetische eigenschappen

Valaciclovir wordt na orale toediening snel voor ongeveer 50% geabsorbeerd. Deze fractie wordt bijna
volledig omgezet in aciclovir. De omzetting vindt waarschijnlijk grotendeels enzymatisch plaats. De
betrokken hydrolase is behalve in de lever, nier en ingewanden van de rat ook in de lever van de mens
waargenomen.

De piek­plasmaconcentratie van aciclovir is 10 - 37 µM (2,2 - 8,3 µg/ml) na toediening van een
enkelvoudige dosis van 250 tot 2000 mg valaciclovir en deze wordt gevonden 1-2 uur na dosering
(mediaan). De biologische beschikbaarheid van aciclovir uit valaciclovir is 54% en deze wordt niet door
voedsel beïnvloed. De piek-plasmaconcentraties van valaciclovir worden 30-100 minuten na een dosis
van 1000 mg bereikt en deze zijn slechts 4% van de plasmaspiegels van aciclovir. Plasmaconcentraties
van valaciclovir zijn 3 tot 4 uur na dosering beneden de detectiegrens. De farmacokinetische profielen
van valaciclovir en aciclovir zijn onveranderd na enkelvoudige en herhaalde dosering.

De binding van valaciclovir aan plasma­eiwitten is met 15% zeer laag. Ook de binding van aciclovir
aan plasma-eiwitten is zeer laag, 9-33%.

Uit dierexperimenteel onderzoek is gebleken dat na orale toediening van valaciclovir passage van de
bloed-hersenbarrière optreedt, evenals passage van de placenta en uitscheiding in de moedermelk.

De plasma-eliminatie halfwaardetijd van aciclovir is zowel na enkelvoudige als herhaalde toediening
van valaciclovir ongeveer 3 uur bij personen met een normale nierfunctie. In patiënten met sterk
verlaagde nierfunctie is de gemiddelde plasma-eliminatiehalfwaardetijd van aciclovir na toediening van
versie 16.1
- 8 -





valaciclovir, ongeveer 14 uur. Bij een sterk verminderde nierfunctie is verlaging van de dosering
noodzakelijk.

Bij een verminderde leverfunctie is de blootstelling aan valaciclovir en aciclovir hoger dan bij een
normale leverfunctie, doch een dosisaanpassing is niet noodzakelijk.

Minder dan 1% van de toegediende dosis valaciclovir wordt in onveranderde vorm in de urine
aangetroffen. Valaciclovir wordt vooral als aciclovir (meer dan 80% van de teruggevonden dosering) en
de bekende metaboliet van aciclovir, 9­carboxymethoxymethylguanine (CMMG), in de urine
uitgescheiden.

Bij patiënten met HIV­infectie zijn de beschikbaarheid en de farmacokinetische eigenschappen van
aciclovir na de orale toediening van enkelvoudige of meervoudige doses valaciclovir niet veranderd ten
opzichte van die bij gezonde personen. Herpes zoster beïnvloedt de farmacokinetiek van valaciclovir en
aciclovir na de orale toediening van Zelitrex niet significant.

In de late fase van de zwangerschap bij patiënten met herpes genitalis, waren de steady state AUC
waarden van aciclovir na orale toediening van twee maal daags 500 mg valaciclovir ongeveer 2 maal
hoger dan na orale toediening van drie maal daags 400 mg aciclovir, hetgeen in lijn van de verwachting
ligt, rekening houdend met de biobeschikbaarheid van valaciclovir en aciclovir.

Bij transplantatiepatiënten is de blootstelling aan aciclovir hoger dan bij gezonde vrijwilligers na gelijke
dosering van 4 maal daags 2000 mg.

5.3 Gegevens uit het preklinische veiligheidsonderzoek

Systemische toediening van zowel valaciclovir als aciclovir gaf geen embryotoxische of teratogene
effecten te zien bij konijnen, ratten of muizen in standaard tests. Valaciclovir wordt vrijwel geheel
omgezet in aciclovir. Aciclovir is wel teratogeen gebleken. Na subcutane toediening van hoge
doseringen die waarschijnlijk ook maternaal toxisch waren, zijn ernstige ontwikkelingsstoornissen
waargenomen. De klinische relevantie hiervan is onbekend, doch waarschijnlijk gering.

Alleen bij hoge doseringen die ver boven de humaan therapeutische niveaus liggen, zijn bij ratten en
honden overwegend reversibele effecten op de spermatogenese gemeld. In de tweegeneratie studies met
muizen konden echter geen fertiliteitseffecten worden aangetoond. Bij de man is aangetoond dat
aciclovir geen significant effect heeft op het aantal, de morfologie of beweeglijkheid van de
spermatozoën.

Bij proefdieren zijn verder geen aanwijzingen gevonden voor een veiligheidsrisico voor de mens. Dit is
gebaseerd op gegevens uit farmacologische studies met betrekking op de veiligheid, en gegevens over
de toxiciteit na herhaalde toediening, genotoxiciteit en carcinotoxiciteit.


6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1 Lijst van hulpstoffen

Tabletkern:
Microkristallijne cellulose, crospovidon, povidon K90, magnesiumstearaat en colloïdaal siliciumoxide.

Tabletomhulling:
Methylhydroxypropylcellulose (E464), titaandioxide (E171), polyethyleenglycol 400, polysorbaat 80
(alleen 500 mg tablet), carnauba was, ethanol, briljant blauw (E133), propyleenglycol, schellak,
natriumlactaat en polydimethylsiloxaan.

versie 16.1
- 9 -





6.2 Gevallen van onverenigbaarheid

Onverenigbaarheden zijn niet bekend.

6.3 Houdbaarheid


Zelitrex 250 mg: 2 jaar.
Zelitrex 500 mg: 3 jaar

6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

Zelitrex tabletten bewaren beneden 30°C

6.5 Aard en inhoud van de verpakking

Zelitrex 250 mg: verpakking à 60 tabletten in PVC/Aluminium doordrukstrips.
Zelitrex 500 mg: verpakking à 10, 30, 42 en 90 tabletten in PVC/Aluminium doordrukstrips.

verpakking à 500 tabletten in polypropyleen flacon met polyethyleen sluiting.

6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen

Niet van toepassing


7.
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

GlaxoSmithKline B.V.
Huis ter Heideweg 62
3705 LZ ZEIST
030-6938100
nlinfo@gsk.com


8.
NUMMERS VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

Zelitrex 250 mg: RVG 21719
Zelitrex 500 mg: RVG 18065.


9.
DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/HERNIEUWING VAN
DE VERGUNNING


Zelitrex 250 mg: 25 augustus 1998
Zelitrex 500 mg: 11 december 1995


10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatste gedeeltelijke wijziging betreft rubrieken 1, 2, 4.8, 4.9 en 5.1, mei 2008.
versie 16.1
- 10 -








« Vorige

[Zeel comp. N tabletten]

Volgende »

[Zelitrex 250 mg, filmomhulde tabletten]