Zoloft 100, filmomhulde tabletten 100 mg
Registratienummer: RVG 105255
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Zoloft 100, filmomhulde tabletten 100 mg
2.
KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Zoloft tabletten bevatten
sertralinehydrochloride overeenkomend met 100 mg
sertraline.
Voor een volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE
VORM
Filmomhulde tabletten.
Zoloft 100: witte capsulevormige filmomhulde tabletten, aan één zijde gemerkt met "Pfizer", aan de
andere zijde met "ZLT100".
4. KLINISCHE
GEGEVENS
4.1 Therapeutische
indicaties
Sertraline is geïndiceerd voor de behandeling van:
Depressieve episodes. Preventie van heroptreden van depressieve episodes.
Paniekstoornis, met of zonder agorafobie.
Obsessieve compulsieve stoornis (OCS) bij volwassenen en pediatrische patiënten in de leeftijd van 6-
17 jaar.
Sociale angststoornis.
Posttraumatische stressstoornis (PTSS).
4.2
Dosering en wijze van toediening
Sertraline dient éénmaal daags worden toegediend, dan wel 's morgens, dan wel 's avonds.
Sertraline tabletten kunnen zowel met als zonder voedsel worden toegediend.
Aanvangsbehandeling
Depressie en OCS
De behandeling met sertraline dient te worden gestart met een dosis van 50 mg/dag.
Paniekstoornis, PTSS en sociale angststoornis
De behandeling dient te worden gestart met 25 mg/dag. Na één week dient de dosis te worden
verhoogd tot 50 mg eenmaal daags. Dit doseringsschema blijkt de frequentie van bijwerkingen die kort
na aanvang van de behandeling optreden en karakteristiek zijn voor een paniekstoornis, te verminderen.
Titrering
ZOLO 100FCT 026 NL SmPC 29Jun2009
1
Depressie, OCS, paniekstoornis, sociale angststoornis en PTSS
Patiënten die niet reageren op een dosis van 50 mg kunnen baat hebben bij dosisverhogingen.
Dosisveranderingen dienen te worden doorgevoerd in stappen van 50 mg met intervallen van
tenminste 1 week, tot een maximum van 200 mg/dag. Veranderingen in dosis mogen niet vaker dan
eenmaal per week doorgevoerd worden vanwege de eliminatiehalfwaardetijd van 24 uur van sertraline.
De eerste tekenen van therapeutisch effect kunnen binnen 7 dagen gezien worden. Meestal zijn echter
langere periodes nodig voordat de therapeutische respons zichtbaar wordt, vooral bij OCS.
Onderhoud
De dosering bij langetermijnbehandeling dient op het laagste werkzame niveau gehouden te worden,
met verdere aanpassing afhankelijk van de therapeutische respons.
Depressie
Behandeling over een langere termijn kan ook geschikt zijn voor preventie van het heroptreden van
depressieve episodes (MDE). In de meeste gevallen is de aanbevolen dosis voor preventie van het
heroptreden van MDE gelijk aan de dosis die wordt gebruikt tijdens de huidige episode. Patiënten met
depressie dienen gedurende een voldoende lange periode van tenminste 6 maanden behandeld te
worden om er zeker van te zijn dat ze vrij zijn van symptomen.
Paniekstoornis en OCS
Voortgezet gebruik bij paniekstoornis en OCS dient regelmatig geëvalueerd te worden aangezien
preventie van het heroptreden voor deze stoornissen niet aangetoond is.
Pediatrische patiënten
Kinderen en adolescenten met een obsessieve compulsieve stoornis
Leeftijd 13-17 jaar: Start met 50 mg eenmaal daags.
Leeftijd 6-12 jaar: Start met 25 mg eenmaal daags. Na één week kan de dosering worden verhoogd
tot 50 mg eenmaal daags.
In het geval de respons minder is dan gewenst, kunnen hieropvolgende doses indien nodig worden
verhoogd in stappen van 50 mg gedurende een aantal weken. De maximale dosering is 200 mg per
dag.
Bij het verhogen van de dosis van 50 mg dient echter rekening gehouden te worden met het over het
algemeen lagere lichaamsgewicht van kinderen in vergelijking met dat van volwassenen.
Dosisveranderingen dienen niet te worden doorgevoerd met intervallen van minder dan één week.
De werkzaamheid bij een pediatrische depressieve stoornis is niet aangetoond.
Er zijn geen gegevens beschikbaar over kinderen jonger dan 6 jaar (zie ook rubriek 4.4).
Gebruik bij ouderen Bij ouderen dient voorzichtig gedoseerd te worden, aangezien het risico op hyponatriëmie bij ouderen
hoger kan zijn (zie rubriek 4.4).
Gebruik bij leverinsufficiëntie
Het gebruik van sertraline bij patiënten met leveraandoeningen dient voorzichtig te geschieden. Bij
patiënten met leverfunctiestoornissen dient een lagere of minder frequente dosis te worden gebruikt
(zie rubriek 4.4).
Sertraline dient niet gebruikt te worden in geval van ernstige leverfunctiestoornis aangezien hiervoor
geen klinische gegevens beschikbaar zijn (zie rubriek 4.4).
Gebruik bij nierinsufficiëntie
ZOLO 100FCT 026 NL SmPC 29Jun2009
2
Aanpassing van de dosering bij patienten met nierinsufficiëntie is niet nodig (zie rubriek 4.4).
Onttrekkingsverschijnselen die waargenomen zijn na stoppen met sertraline
Abrupte beëindiging dient te worden vermeden. Als de behandeling met sertraline wordt gestopt, dient
de dosis geleidelijk te worden verlaagd over een periode van tenminste één tot twee weken om het
risico op onttrekkingsverschijnselen te verminderen (zie rubrieken 4.4 en 4.8). Indien zich
ondraaglijke symptomen voordoen na een dosisverlaging of na afbreken van de behandeling, kan
worden overwogen om de eerder voorgeschreven dosis te hervatten. Vervolgens kan de arts doorgaan
met het verlagen van de dosis, maar in een geleidelijker tempo.
4.3 Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor het werkzame bestanddeel of voor één van de hulpstoffen.
Gelijktijdig gebruik van irreversibele monoamine-oxidase remmers (MAO remmers) is gecontra-
indiceerd vanwege het risico op het serotoninesyndroom met symptomen zoals agitatie, tremor en
hyperthermie. De behandeling met sertraline dient niet gestart te worden gedurende tenminste 14
dagen na beëindiging van de behandeling met een irreversibele MAO remmer. De behandeling met
sertraline dient tenminste 7 dagen voor het starten van de behandeling met een irreversibele MAO
remmer beëindigd te worden (zie rubriek 4.5).
Gelijktijdige inname van
pimozide is gecontra-indiceerd (zie rubriek 4.5).
4.4
Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Overschakelen van selectieve serotonine-heropnameremmers (SSRIs), antidepressiva of anti-
obsessieve geneesmiddelen
Er is beperkte ervaring uit gecontroleerd onderzoek betreffende de optimale timing bij het
overschakelen van SSRIs, antidepressiva of anti-obsessieve geneesmiddelen op sertraline.
Oplettendheid en zorgvuldige medische beoordeling dienen te worden toegepast bij het overschakelen,
vooral van langwerkende middelen zoals
fluoxetine.
Andere serotonerge geneesmiddelen bijv. tryptofaan, fenfluramine en 5-HT agonisten
Toediening van sertraline samen met andere geneesmiddelen die de effecten van serotonerge
neurotransmissie verhogen zoals tryptofaan of fenfluramine of 5-HT agonisten, of het
kruidenpreparaat St. Janskruid (
hypericum perforatum) dient met voorzichtigheid te worden
uitgevoerd en indien mogelijk te worden vermeden vanwege de mogelijkheid van een
farmacodynamische interactie.
Activering van hypomanie of manie
Manisch/hypomanische symptomen zijn gemeld bij een klein aantal patiënten die behandeld werden
met op de markt beschikbare antidepressiva en anti-obsessieve geneesmiddelen, waaronder sertraline.
Daarom dient sertraline met voorzichtigheid gebruikt te worden bij patiënten met een geschiedenis van
manie/hypomanie. Nauwkeurig toezicht van de arts is noodzakelijk. Het gebruik van sertraline dient te
worden gestopt zodra een patiënt een manische fase ingaat.
Schizofrenie
Bij schizofrene patiënten kunnen psychotische symptomen verergeren.
Insulten
Tijdens behandeling met sertraline kunnen insulten optreden: sertraline dient vermeden te worden bij
patiënten met instabiele epilepsie en patiënten met gecontroleerde epilepsie dienen zorgvuldig gevolgd
te worden. De behandeling met sertraline dient gestopt te worden zodra zich bij een patiënt insulten
voordoen.
Suïcide/suïcidale gedachten of verergering van de aandoening
ZOLO 100FCT 026 NL SmPC 29Jun2009
3
Depressie wordt geassocieerd met een verhoogd risico op suïcidale gedachten, zelfverwonding en
suïcide (suïcide gerelateerde gebeurtenissen). Dit risico blijft bestaan tot een significante remissie
optreedt. Omdat het mogelijk is dat gedurende de eerste paar weken of langer geen verbetering
optreedt, moeten patiënten zeer goed gevolgd worden tot een dergelijke verbetering wel optreedt. Het
is algemene klinische ervaring dat het risico op suïcide in de vroege stadia van het herstel kan
toenemen.
Andere psychiatrische condities waarvoor sertraline wordt voorgeschreven kunnen ook geassocieerd
worden met een toegenomen risico op aan suïcide gerelateerde gebeurtenissen. Bovendien kunnen
deze condities comorbide zijn met episodes van depressie in engere zin. Dezelfde
voorzorgsmaatregelen die in acht worden genomen bij de behandeling van patiënten met een
depressieve stoornis moeten daarom in acht worden genomen bij de behandeling van patiënten met
andere psychiatrische aandoeningen.
Van patiënten met een voorgeschiedenis van aan suïcide gerelateerde gebeurtenissen, of patiënten die
voorafgaand aan het begin van de behandeling een significante mate van suïcidale ideeën vertonen, is
bekend dat ze een groter risico lopen op het ontwikkelen van suïcidale gedachten of suïcidepogingen
en deze patiënten moeten tijdens de behandeling zeer goed gevolgd worden. Een meta-analyse van
placebogecontroleerde klinische onderzoeken naar antidepressiva bij volwassen patiënten met
psychiatrische stoornissen toonde een toegenomen risico op suïcidaal gedrag bij het gebruik van
antidepressiva aan vergeleken met placebo bij patiënten jonger dan 25 jaar oud.
Patiënten, in het bijzonder hoogrisico patiënten, dienen nauwkeurig gevolgd te worden tijdens
behandeling met deze geneesmiddelen, in het bijzonder in het begin van de behandeling en na
dosisaanpassingen. Patiënten (en zorgverleners van patiënten) moeten op de hoogte worden gebracht
van de noodzaak om te letten op elke klinische verergering, suïcidaal gedrag of suïcidale gedachten en
ongewone gedragsveranderingen en de noodzaak om onmiddellijk medisch advies in te winnen als
deze symptomen zich voordoen.
Gebruik bij kinderen en adolescenten jonger dan 18 jaar
Sertraline dient niet te worden gebruikt bij de behandeling van kinderen en adolescenten jonger dan
18 jaar, behalve bij patiënten met obsessieve compulsieve stoornis in de leeftijd van 6-17 jaar. In
klinische studies werden suïcidaal gedrag (zelfmoordpogingen en zelfmoordgedachten) en
vijandigheid (voornamelijk agressie, oppositioneel gedrag en woede) vaker waargenomen bij kinderen
en adolescenten die behandeld werden met antidepressiva dan bij degenen die behandeld werden met
placebo. Indien, op grond van een klinische noodzaak, toch een besluit wordt genomen om te
behandelen, dan dient de patiënt zorgvuldig gecontroleerd te worden op het optreden van suïcidale
symptomen. Daarnaast ontbreken langetermijn veiligheidsgegevens bij kinderen en adolescenten over
groei, maturatie en cognitieve en gedragsontwikkeling. Artsen dienen pediatrische patiënten die
langdurig behandeld worden te controleren op afwijkingen van die lichaamssystemen.
Abnormale bloeding/hemorragie
Er zijn meldingen van cutane bloedingsstoornissen zoals ecchymosen en purpura en andere
hemorragische voorvallen zoals gastro-intestinale of gynaecologische bloedingen met SSRIs.
Voorzichtigheid wordt aangeraden bij patiënten die SSRIs nemen, vooral bij gelijktijdig gebruik
metgeneesmiddelen waarvan bekend is dat ze de bloedplaatjesfunctie beïnvloeden (bijv.
anticoagulantia, atypische antipsychotica en fenothiazinen, de meeste tricyclische antidepressiva,
acetylsalicylzuur en niet-steroïdale anti-inflammatoire geneesmiddelen (NSAIDs)) en ook bij patiënten
met een voorgeschiedenis van bloedingsstoornissen (zie rubriek 4.5).
Hyponatriëmie
Hyponatriëmie kan optreden als gevolg van behandeling met SSRIs of SNRIs waaronder sertraline. In
veel gevallen blijkt hyponatriëmie het gevolg te zijn van een syndroom van onaangepaste
antidiuretisch hormoon afgifte (SIADH). Er zijn gevallen gemeld van natriumgehaltes in het serum
van minder dan 110 mmol/l.
ZOLO 100FCT 026 NL SmPC 29Jun2009
4
Oudere patiënten lopen mogelijk een verhoogd risico op het ontwikkelen van hyponatriëmie met
SSRIs en SNRIs. Ook patiënten die diuretica gebruiken of die op andere wijze een verminderd
bloedvolume hebben, kunnen een hoger risico lopen (zie Gebruik bij ouderen). Stoppen met sertraline
dient overwogen te worden bij patiënten met symptomatische hyponatriëmie en geschikte medische
interventie dient te worden ingesteld. Tekenen en symptomen van hyponatriëmie zijn onder andere
hoofdpijn, concentratieproblemen, verslechterd geheugen, verwardheid, zwakte en wankelen, mogelijk
leidend tot vallen. Tekenen en symptomen die geassocieerd worden met ernstigere en/of acute
gevallen waren onder andere hallucinatie, syncope, insulten, coma, ademhalingsstilstand en sterfte.
Onttrekkingsverschijnselen die waargenomen zijn na stoppen van behandeling met sertraline
Onttrekkingsverschijnselen na het afbreken van de behandeling komen vaak voor, vooral bij abrupte
beëindiging (zie rubriek 4.8). In klinische studies was het voorkomen van gemelde
onttrekkingsverschijnselen onder patiënten die behandeld werden met sertraline 23% bij degenen die
stopten met sertraline, vergeleken met 12% bij degenen die doorgingen met de sertraline behandeling.
Het risico op onttrekkingsverschijnselen kan afhankelijk zijn van meerdere factoren waaronder de
therapeutische duur en dosering en het tempo van de dosisverlaging. Duizeligheid, zintuiglijke
stoornissen (waaronder paresthesieën), slaapstoornissen (waaronder insomnia en levendige dromen),
agitatie of angst, misselijkheid en/of braken, tremor en hoofdpijn zijn de meest gerapporteerde reacties.
In het algemeen zijn deze symptomen mild tot matig in intensiteit, echter bij sommige patiënten
kunnen ze ernstig zijn. Ze treden meestal binnen de eerste paar dagen na afbreken van de behandeling
op, maar in zeer zeldzame gevallen zijn zulke symptomen ook gerapporteerd bij patiënten die per
ongeluk een dosis gemist hebben. Deze symptomen zijn in het algemeen zelflimiterend en verdwijnen
gewoonlijk binnen 2 weken, hoewel ze bij sommige personen langer kunnen aanhouden (2-3 maanden
of meer). Het wordt daarom aangeraden om sertraline bij het afbreken van de behandeling geleidelijk
af te bouwen over een periode van meerdere weken of maanden, naar behoefte van de patiënt (zie
rubriek 4.2).
Acathisie/psychomotore rusteloosheid
Het gebruik van sertraline is geassocieerd met de ontwikkeling van acathisie, gekarakteriseerd door
een subjectief onplezierige of beangstigende rusteloosheid en noodzaak om te bewegen, vaak gepaard
gaand met het onvermogen om stil te zitten of te staan. Dit treedt meestal tijdens de eerste paar weken
van behandeling op. Bij patiënten die deze symptomen ontwikkelen, kan het schadelijk zijn om de
dosis te verhogen.
Leverinsufficiëntie Sertraline wordt grotendeels door de lever gemetaboliseerd. In een farmacokinetische studie met
herhaalde doses sertraline bij patiënten met een lichte, stabiele cirrose werd een, in vergelijking met
normale individuen, verlengde halfwaardetijd en een ongeveer drie keer zo grote AUC en C max gezien.
Er werden geen significante verschillen in de plasma-eiwitbinding tussen de twee groepen
waargenomen. Het gebruik van sertraline bij patiënten met leverziekte dient voorzichtig te geschieden.
Indien sertraline wordt toegediend aan patiënten met leverinsufficiëntie dient een lagere of minder
frequente dosis te worden overwogen. Sertraline dient niet gebruikt te worden bij patiënten met
ernstige leverfunctiestoornissen (zie rubriek 4.2).
Nierinsufficiëntie
Sertraline wordt uitgebreid gemetaboliseerd en excretie van onveranderd geneesmiddel in de urine is
een minder belangrijke eliminatieweg. In studies bij patiënten met lichte tot matige nierinsufficiëntie
(creatinineklaring 30-60 ml/min) of matige tot ernstige nierinsufficiëntie (creatinineklaring 10-29
ml/min) waren de farmacokinetische parameters (AUC0-24 of Cmax) na herhaalde doses niet significant
verschillend in vergelijking met de controlegroep. De sertraline dosis behoeft niet aangepast te worden
op basis van de mate van nierinsufficiëntie.
Gebruik bij ouderen
ZOLO 100FCT 026 NL SmPC 29Jun2009
5
Meer dan 700 oudere patiënten (> 65 jaar) hebben deelgenomen aan klinische studies. Het patroon en
de incidentie van de bijwerkingen bij ouderen waren vergelijkbaar met die bij jongere patiënten.
SSRIs of SNRIs waaronder sertraline zijn echter geassocieerd met gevallen van klinisch significante
hyponatriëmie bij oudere patiënten, die mogelijk een hoger risico lopen op deze bijwerking (zie
hyponatriëmie in rubriek 4.4).
Diabetes
Bij patiënten met diabetes kan behandeling met een SSRI de glycemische regulering veranderen,
mogelijk door verbetering van depressieve symptomen. Glycemische regulering dient zorgvuldig te
worden gecontroleerd bij patiënten die sertraline krijgen en de dosering van
insuline en/of gelijktijdig
toegediende orale hypoglycemische geneesmiddelen moet mogelijk worden aangepast.
Electroconvulsieve therapie
Er is geen klinisch onderzoek waarin de risico's of baten van het gecombineerde gebruik van ECT en
sertraline is vastgesteld.
4.5
Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Gecontra-indiceerd
Monoamine-oxidase remmers
Irreversibele (niet-selectieve) MAO remmers (selegiline)
Sertraline dient niet in combinatie met irreversibele (niet-selectieve) MAO remmers zoals
selegiline gebruikt te worden. De behandeling met sertraline dient niet gestart te worden gedurende tenminste 14
dagen na beëindiging van de behandeling met een irreversibele (niet-selectieve) MAO remmer. De
behandeling met sertraline dient tenminste 7 dagen voor het starten van de behandeling met een
irreversibele (niet-selectieve) MAO remmer beëindigd te worden (zie rubriek 4.3).
Reversibele, selectieve MAO-A remmer (moclobemide)
Vanwege het risico op het serotoninesyndroom wordt de combinatie van sertraline met een reversibele
en selectieve MAO remmer zoals
moclobemide niet aangeraden. Na behandeling met een reversibele
MAO remmer kan een kortere onttrekkingsperiode dan 14 dagen worden gehanteerd voordat de
behandeling met sertraline wordt gestart. Het wordt aanbevolen om de behandeling met sertraline
tenminste 7 dagen voor het starten van de behandeling met een reversibele MAO remmer te
beëindigen (zie rubriek 4.3).
Reversible, niet-selectieve MAO remmer (linezolid)
Het antibioticum linezolid is een zwakke reversibele en niet-selectieve MAO remmer en dient niet
gegeven te worden aan patienten die met sertraline behandeld worden (zie rubriek 4.3).
Er zijn gevallen van ernstige reacties gemeld bij patiënten die gestopt zijn met behandeling met een
MAO remmer en kort daarop gestart zijn met een sertralinebehandeling, of die gestopt zijn met
behandeling met sertraline kort voordat behandeling met een MAO remmer gestart werd. Deze reacties
waren onder andere tremor, myoclonus, diaforese, misselijkheid, braken, blozen, duizeligheid en
hyperthermie met verschijnselen zoals het neuroleptisch maligne syndroom, toevallen en sterfte.
Pimozide
Verhoogde pimozidespiegels van ongeveer 35% zijn aangetoond in een studie met een enkele lage
dosis pimozide (2 mg). Deze verhoogde spiegels waren niet geassocieerd met enige veranderingen in
het ECG. Hoewel het mechanisme van deze interactie onbekend is, is de gelijktijdige toediening van
sertraline en pimozide gecontra-indiceerd vanwege de nauwe therapeutische index van pimozide (zie
rubriek 4.3).
Toediening samen met sertraline wordt niet aanbevolen
ZOLO 100FCT 026 NL SmPC 29Jun2009
6
Middelen die het CZS onderdrukken en alcohol
De toediening van dagelijks 200 mg sertraline versterkte de effecten van alcohol,
carbamazepine,
haloperidol of fenytoïne op cognitieve en psychomotore prestaties bij gezonde personen niet; het
gelijktijdige gebruik van sertraline en alcohol wordt echter niet aanbevolen.
Overige serotonerge geneesmiddelen
Zie rubriek 4.4.
Bijzondere voorzorgen
Lithium
In een placebogecontroleerde studie met normale vrijwilligers, veranderde de toediening van sertraline
samen met lithium de farmacokinetiek van lithium niet significant, maar resulteerde het in een
toename in tremor ten opzichte van placebo hetgeen op een mogelijke farmacodynamische interactie
wijst. Wanneer sertraline samen wordt toegediend met lithium dienen patiënten op een geschikte
manier gecontroleerd te worden.
Fenytoïne
Een placebogecontroleerde studie bij normale vrijwilligers suggereert dat chronische toediening van
200 mg/dag sertraline geen klinisch belangrijke remming van het fenytoïnemetabolisme veroorzaakt.
Niettemin, aangezien er enkele meldingen waren van hoge blootstelling aan fenytoïne bij patiënten die
sertraline gebruikten, wordt het aanbevolen om plasmaconcentraties van fenytoïne te controleren na
starten van de sertralinebehandeling, waar nodig met aanpassingen van de fenytoïnedosis. Bovendien
kan toediening samen met fenytoïne een afname van de plasmaspiegels van sertraline veroorzaken.
Triptanen
Er zijn zeldzame post-marketing meldingen van patiënten met zwakte, hyperreflexie, incoördinatie,
verwarring, angst en agitatie na gebruik van sertraline en
sumatriptan. Symptomen van het serotonerge
syndroom kunnen zich ook voordoen bij andere producten uit dezelfde klasse (triptanen). Als
gelijktijdige behandeling met sertraline en triptanen klinisch verantwoord is, wordt gepaste observatie
van de patiënt geadviseerd (zie rubriek 4.4).
Warfarine
Toediening van dagelijks 200 mg sertraline samen met warfarine resulteerde in een kleine maar
statistisch significante toename in prothrombinetijd, waardoor in enkele zeldzame gevallen de INR
waarde verstoord kan worden. Daarom dient de prothrombinetijd nauwkeurig gecontroleerd te worden
als de sertralinebehandeling wordt gestart of gestopt.
Overige geneesmiddelinteracties, digoxine, atenolol, cimetidine
Toediening samen met
cimetidine veroorzaakte een aanzienlijke afname van de sertralineklaring. De
klinische significantie van deze veranderingen is onbekend. Sertraline had geen effect op de bèta-
adrenerge blokkerende eigenschappen van
atenolol.
Er werd geen interactie gezien van dagelijks 200 mg sertraline met digoxine.
Geneesmiddelen die de werking van bloedplaatjes beïnvloeden
Het risico van bloeding kan verhoogd zijn als medicatie die op de werking van bloedplaatjes ingrijpt
(bijv. NSAIDs,
acetylsalicylzuur en ticlopidine) of andere medicatie die het bloedingsrisico kan
verhogen, gelijktijdig wordt toegediend met SSRIs waaronder sertraline (zie rubriek 4.4).
Geneesmiddelen die gemetaboliseerd worden door cytochrooom P450
Sertraline kan als een lichte-matige remmer van CYP 2D6 werken. Chronisch doseren met dagelijks
50 mg sertraline liet een matige verhoging (gemiddeld 23%-37%) van steady-state plasmaspiegels van
desipramine (een marker van CYP 2D6 isozymactiviteit) zien. Er kunnen klinisch relevante interacties
optreden met andere CYP 2D6 substraten met een nauwe therapeutische index, zoals klasse 1C
ZOLO 100FCT 026 NL SmPC 29Jun2009
7
antiaritmica waaronder
propafenon en flecaïnide, TCAs en typische antipsychotica, vooral bij hogere
sertralinedoseringen.
Sertraline werkt niet in klinisch significante mate als een remmer van CYP 3A4, CYP 2C9, CYP 2C19
en CYP 1A2. Dit is aangetoond in
in-vivo interactiestudies met CYP3A4 substraten (endogeen cortisol,
carbamazepine,
terfenadine,
alprazolam), CYP2C19 substraat
diazepam en CYP2C9 substraten
tolbutamide,
glibenclamide en fenytoïne.
In vitro studies tonen aan dat sertraline weinig tot geen
vermogen heeft om CYP 1A2 te remmen.
4.6
Zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Er zijn geen degelijke gecontroleerde studies bij zwangere vrouwen. Echter, een aanzienlijke
hoeveelheid gegevens leverde geen bewijs voor inductie van aangeboren afwijkingen door sertraline.
Onderzoek met dieren heeft bewijs geleverd voor effecten op de voortplanting die waarschijnlijk toe te
schrijven zijn aan toxiciteit voor de moeder veroorzaakt door de farmacodynamische werking van de
stof en/of aan een directe farmacodynamische werking van de stof op de foetus (zie 5.3).
Er is gemeld dat gebruik van sertraline tijdens de zwangerschap bij enkele pasgeborenen van wie de
moeders sertraline gebruikten, symptomen veroorzaakte die overeenkwamen met
onttrekkingsverschijnselen. Dit verschijnsel is ook gezien bij andere SSRI antidepressiva. Het gebruik
van sertraline tijdens de zwangerschap wordt niet aangeraden, tenzij de klinische toestand van de
vrouw zodanig is dat het voordeel van de behandeling naar verwachting opweegt tegen het potentiële
risico.
Pasgeborenen dienen geobserveerd te worden indien het gebruik van sertraline door de moeder
voortduurt tot in de latere stadia van de zwangerschap, vooral in het derde trimester. De volgende
symptomen kunnen zich voordoen bij de pasgeborene na gebruik van sertraline door de moeder in de
latere stadia van de zwangerschap: ademhalingsmoeilijkheden, cyanose, apneu, insulten, instabiele
temperatuur, problemen bij het voeden, braken, hypoglykemie, hypertonie, hypotonie, hyperreflexie,
tremor, niet stil kunnen zitten, geïrriteerdheid, lethargie, aanhoudend huilen, slaperigheid en
problemen met slapen. Deze symptomen kunnen toe te schrijven zijn aan serotonerge effecten of aan
onttrekkingsverschijnselen. In de meerderheid van de gevallen beginnen de complicaties onmiddellijk
of snel (<24 uur) na de bevalling.
Borstvoeding
Gepubliceerde gegevens over sertralinespiegels in moedermelk laten zien dat kleine hoeveelheden
sertraline en de metaboliet N-desmethylsertraline uitgescheiden worden in de melk. In het algemeen
werden in serum van zuigelingen verwaarloosbare tot ondetecteerbare spiegels gevonden, met als
enige uitzondering een zuigeling met serumspiegels van ongeveer 50% van de spiegels bij de moeder
(maar zonder een merkbaar effect op de gezondheid van het kind). Tot nu toe zijn er geen negatieve
effecten gevonden op de gezondheid van zuigelingen die door moeders werden gezoogd die sertraline
gebruikten, maar een risico kan niet uitgesloten worden. Gebruik bij moeders die borstvoeding geven
wordt niet aanbevolen tenzij, naar oordeel van de arts, het voordeel opweegt tegen het risico.
4.7
Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Klinisch farmacologische studies hebben aangetoond dat sertraline geen effect heeft op psychomotore
prestaties. Echter, aangezien psychotrope geneesmiddelen de mentale of fysieke vermogens die nodig
zijn voor het uitvoeren van mogelijk gevaarlijke taken zoals autorijden of het bedienen van machines
kunnen verslechteren, dient de patiënt dienovereenkomstig gewaarschuwd te worden.
4.8 Bijwerkingen
ZOLO 100FCT 026 NL SmPC 29Jun2009
8
De meest waargenomen bijwerking is misselijkheid. Bij de behandeling van sociale angststoornis
kwam seksuele disfunctie (ejaculatiestoornis) in 14% van de mannen voor bij sertraline vs. 0% bij
placebo. Deze bijwerkingen zijn dosisafhankelijk en zijn vaak voorbijgaand van aard bij voortzetten
van de behandeling.
Het bijwerkingenprofiel dat gewoonlijk werd gezien in dubbelblinde, placebogecontroleerde studies
bij patiënten met OCS, paniekstoornis, PTSS en sociale angststoornis was vergelijkbaar met dat voor
klinische studies bij patiënten met depressie.
Tabel 1 toont bijwerkingen die zijn waargenomen tijdens postmarketing ervaring (frequentie niet
bekend) en placebogecontroleerde klinische studies (met in totaal 2542 patiënten op sertraline en 2145
op placebo) bij depressie, OCS, paniekstoornis, PTSS en sociale angststoornis.
Enkele bijwerkingen die in Tabel 1 staan, kunnen afnemen in intensiteit en frequentie bij voortgezet
gebruik en leiden in het algemeen niet tot stopzetten van de behandeling.
Tabel 1: Bijwerkingen
Frequentie van bijwerkingen die zijn gezien in placebogecontroleerde klinische studies bij depressie,
OCS, paniekstoornis, PTSS en sociale angststoornis. Gepoolde analyse en postmarketing ervaring
(frequentie niet bekend).
Zeer vaak
Vaak
Soms Zelden Zeer
Frequentie niet
(1/10)
(1/100, <1/10)
(1/1.000,
(1/10.000, <1/1.000)
zelden bekend
<1/100)
(<1/10.000)
Infecties en parasitaire aandoeningen
Faryngitis
Infectie
van
Diverticulitis,
bovenste
Gastroenteritis, Otitis
luchtwegen,
Media
Rhinitis
Neoplasmata, benigne, maligne (inclusief cysten en poliepen)
Neoplasma
Bloed- en lymfestelselaandoeningen
Lymfadenopathie
Leucopenie,
Thrombocytopenie
Immuunsysteemaandoeningen
Anafylactoïde
reactie, Allergische
reactie, Allergie
Endocriene aandoeningen
Hyper-
prolactinemie,
Hypothyroïdisme
en syndroom van
onaangepaste ADH
afgifte
Voedings- en stofwisselingsstoornissen
Anorexia,
Hypercholesterolemie,
Hyponatriëmie
Toegenomen
Hypoglycemie
eetlust*
ZOLO 100FCT 026 NL SmPC 29Jun2009
9
Psychische stoornissen
Insomnia
Depressie*,
Hallucinatie*, Conversiestoornis,
Paroniria,
(19%)
Depersonalisatie, Euforische
Geneesmiddel-
Suïcidale
Nachtmerries,
stemming*,
afhankelijkheid,
ideevorming/
Angst*,
Apathie,
Psychotische
gedrag***
Agitatie*,
Abnormale
stoornis*, Agressie*,
Nervositeit,
gedachten
Paranoia, Suïcidale
Verminderd
ideevorming,
libido*,
Slaapwandelen,
Bruxisme
Voortijdige ejaculatie
Zenuwstelselaandoeningen
Duizeligheid
Paresthesieën*,
Convulsie*,
Coma*, Choreo-
Bewegingsstoornis
(11%),
Tremor,
Onvrijwillige athetose, Dyskinesie,
(waaronder
Slaperigheid
Hypertonie,
spiertrekking
Hyperesthesie,
extrapyramidale
(13%),
Dysgeusie,
en*,
Zintuiglijke stoornis
symptomen zoals
Hoofdpijn
Concentratie-
Abnormale
hyperkinesie,
(21%)*
stoornis
coördinatie,
hypertonie,
Hyperkinesie,
tandenknarsen of
Amnesie,
wankelend lopen),
Hypo-
Syncope.
esthesie*,
Spraak-
Tevens zijn
stoornis,
tekenen en
Duizeligheid
symptomen
afhankelijk
gemeld die
van houding,
geassocieerd
Migraine*
worden met het
serotonine-
syndroom: In
enkele gevallen
geassocieerd met
gelijktijdig gebruik
van serotonerge
geneesmiddelen
waaronder agitatie,
verwardheid,
diaforese, diarree,
koorts,
hypertensie,
stijfheid en
tachycardie.
Acathisie en
pyschomotore
rusteloosheid (zie
rubriek 4.4).
Oogaandoeningen
Visuele stoornis
Glaucoom, Afwijking
Abnormale visus
aan traanklier,
Scotoma, Diplopie,
Fotofobie, Hyfemie,
ZOLO 100FCT 026 NL SmPC 29Jun2009
10
Mydriasis*
Evenwichtsorgaan- en ooraandoeningen
Tinnitus*
Oorpijn
Hartaandoeningen
Palpitaties*
Tachycardie*
Myocardinfarct,
Bradycardie,
Hartstoornis
Bloedvataandoeningen
Opvliegers*
Hypertensie*,
Perifere ischemie
Abnormale
Flushing
bloeding (zoals
epistaxis, gastro-
intestinale
bloeding of
hematurie)
Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen
Geeuwen*
Bronchospas
Laryngospasme,
me*,
Hyperventilatie,
Dyspneu,
Hypoventilatie,
Epistaxis
Stridor, Dysfonie, Hik
Maagdarmstelselaandoeningen
Diarree
Abdominale
Oesofagitis,
Melena,
Pancreatitis
(18%),
pijn*, Braken*,
Dysfagie,
Hematochezie,
Misselijkheid Constipatie*
Aambeien,
Stomatitis,
(24%), Droge Dyspepsie,
Hypersecretie Tongzweren,
mond (14%)
Flatulentie
van speeksel, Tandafwijking,
Tongaf-
Glossitis,
wijking,
Mondzweren
Eructatie
Lever- en galaandoeningen
Abnormale
werking
Ernstige
van de lever
leverfunctie-
stoornissen
(inclusief hepatitis,
geelzucht en
leverfalen)
Huid- en onderhuidaandoeningen
Rash*,
Peri-orbitaal
Dermatitis, Bulleuze
Zeldzame
Hyperhidrose
oedeem*,
dermatitis,
meldingen van
Purpura*,
Folliculaire rash,
ernstige
Alopecia*,
Abnormale
bijwerkingen op de
Koud zweet,
haartextuur,
huid: bijv. Stevens-
Droge huid,
Abnormale geur van
Johnson syndroom
Urticaria*
de huid
en epidermale
necrolyse
Angio-oedeem,
Gezichtsoedeem,
Fotosensitiviteit,
Huidreactie,
ZOLO 100FCT 026 NL SmPC 29Jun2009
11
Pruritus
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen
Myalgie
Osteoarthritis
Botafwijking Arthralgie,
,
Spierkrampen
Spierzwakte,
Rugpijn,
Spiertrekking
Nier- en urinewegaandoeningen
Nocturie,
Oligurie, Urine-
Urineretentie
incontinentie*,
*, Polyurie,
Aarzeling om te
Pollakiurie,
plassen
Mictiestoor-
nis
Voortplantingsstelsel- en borstaandoeningen**
Ejaculatie-
Seksuele
Vaginale
Menorragie,
Gynaecomastie,
stoornis
disfunctie,
bloeding,
Atrofische
Menstruele
(14%)
Erectiele
Seksuele
vulvovaginitis,
onregelmatigheden
disfunctie
disfunctie bij
Balanoposthitis,
vrouwen
Genitale afscheiding,
Priapisme*,
Galactorroe*
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen
Vermoeid-
Borstpijn*
Malaise*,
Hernia, Fibrose bij
Perifeer oedeem
heid (10%)*
Rillingen,
toedieningsplaats,
Pyrexie*,
Verminderde
Asthenie*,
verdraagzaamheid
Dorst
voor geneesmiddelen,
Verstoorde gang, Niet
te evalueren
gebeurtenis
Onderzoeken
Gewichtsver-
Verhoogd alanine
Abnormale
lies*,
aminotransferase,
klinische
Gewichts-
Verhoogd aspartaat
laboratoriumwaard
toename*
aminotransferase*,
en, Veranderde
Abnormaal sperma
bloedplaatjes-
functie, Verhoogde
serumwaarde van
cholesterol
Letsels en intoxicaties
Letsel
Chirurgische en medische verrichtingen
Vaatverwijding
Als de bijwerking zich voordeed bij depressie, OCS, paniekstoornis, PTSS en sociale angststoornis, werd de
lichaamsterm opnieuw geclassificeerd naar de lichaamsterm uit depressiestudies.
Eén geval van neoplasma werd gemeld bij één patiënt die sertraline kreeg vergeleken met geen enkel geval in
de placebo-arm.
ZOLO 100FCT 026 NL SmPC 29Jun2009
12
* deze bijwerkingen deden zich ook voor tijdens postmarketing ervaring
** de noemer vermeldt het gecombineerde aantal patienten in de betreffende geslachtsgroep: sertraline (1118
mannen, 1424 vrouwen), placebo (926 mannen, 1219 vrouwen)
Voor OCS, alleen kortdurende, 1-12 weekse studie
*** Gevallen van suïcidale ideevorming en suïcidaal gedrag zijn gemeld tijdens behandeling met sertraline of
kort na beëindiging van de behandeling (zie rubriek 4.4)
Onttrekkingsverschijnselen die waargenomen zijn na stoppen van behandeling met sertraline
Stoppen van behandeling met sertraline (vooral indien abrupt) leidt vaak tot
onttrekkingsverschijnselen. Duizeligheid, zintuiglijke stoornissen (waaronder paresthesieën),
slaapstoornissen (waaronder insomnia en levendige dromen), agitatie of angst, misselijkheid en/of
braken, tremor en hoofdpijn zijn de meest gerapporteerde reacties. In het algemeen zijn deze
symptomen mild tot matig in intensiteit en zelflimiterend, echter bij sommige patiënten kunnen ze
ernstig en/of langdurig zijn. Het wordt daarom aangeraden om als de sertralinebehandeling niet langer
nodig is, de behandeling geleidelijk te beëindigen door stapsgewijze dosisverlaging (zie rubrieken 4.2
en 4.4).
Oudere populatie
SSRIs of SNRIs waaronder sertraline zijn geassocieerd met gevallen van klinisch significante
hyponatriëmie bij oudere patiënten, die mogelijk een hoger risico lopen op deze bijwerkingen (zie
rubriek 4.4).
Pediatrische populatie
Bij meer dan 600 pediatrische patiënten die behandeld werden met sertraline, was het
bijwerkingenprofiel in het algemeen vergelijkbaar met het profiel dat gezien werd in studies bij
volwassenen. De volgende bijwerkingen werden gemeld uit gecontroleerde studies (n=281 patiënten
die behandeld werden met sertraline):
Zeer vaak ( 1/10): Hoofdpijn (22%), insomnia (21%), diarree (11%) en misselijkheid (15%).
Vaak (1/100, <1/10): Borstpijn, manie, pyrexie, braken, anorexia, affectieve labiliteit, agressie,
nervositeit, concentratiestoornis, duizeligheid, hyperkinesie, migraine, slaperigheid, tremor, visuele
stoornis, droge mond, dyspepsie, nachtmerries, vermoeidheid, urine-incontinentie, rash, acne, epistaxis,
flatulentie.
Soms (1/1.000, <1/100): verlengd ECG QT, zelfmoordpoging, convulsie, extrapyramidale stoornis,
paresthesieën, depressie, hallucinatie, purpura, hyperventilatie, anemie, abnormale werking van de
lever, verhoogd alanine aminotransferase, cystitis, herpes simplex, otitis externa, oorpijn, oogpijn,
mydriasis, malaise, hematurie, pustuleuze rash, rhinitis, letsel, gewichtsafname, spiertrekking,
abnormale dromen, apathie, albuminurie, pollakiurie, polyurie, pijn aan de borsten, menstruele
stoornis, alopecia, dermatitis, huidafwijking, abnormale geur van de huid, urticaria, bruxisme, flushing.
4.9 Overdosering
Toxiciteit
Op basis van de beschikbare gegevens heeft sertraline een brede veiligheidsmarge in overdosering.
Overdoses tot 13,5 g zijn gemeld met alleen sertraline. Sterfte is gemeld met betrekking tot overdoses
met sertraline, voornamelijk in combinatie met andere geneesmiddelen en/of alcohol. Daarom dient
iedere overdosering rigoreus medisch behandeld te worden.
Symptomen
Symptomen van een overdosis omvatten door serotonine gemedieerde bijwerkingen zoals slaperigheid,
gastro-intestinale stoornissen (zoals misselijkheid en braken), tachycardie, tremor, agitatie en
duizeligheid. Coma werd minder frequent gerapporteerd.
Behandeling
Er is geen specifiek antidotum tegen sertraline. Maak en houd de luchtweg vrij en zorg voor voldoende
oxygenatie en ventilatie, indien nodig. Actieve kool, dat gebruikt kan worden met een laxeermiddel,
ZOLO 100FCT 026 NL SmPC 29Jun2009
13
kan net zo effectief of effectiever zijn dan maagspoeling en dient overwogen te worden bij de
behandeling van een overdosis. Opwekken van braken wordt niet aanbevolen. Controle van hart en
andere vitale tekenen wordt aanbevolen samen met algemene symptomatische en ondersteunende
maatregelen. Door het grote verdelingsvolume van sertraline is het onwaarschijnlijk dat opgewekte
diurese, dialyse, hemoperfusie en uitwisselingstransfusie van nut zijn.
5. FARMACOLOGISCHE
EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische
eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: Selectieve serotonine-heropnameremmers (SSRI), ATC code: N06
AB06.
Sertraline is een krachtige en specifieke remmer ven neuronale serotonine (5-HT) opname in vitro,
hetgeen resulteert in versterking van de effecten van 5-HT bij dieren. Het heeft slechts zeer zwakke
effecten op neuronale opnamen van
noradrenaline en dopamine. In klinische doses blokkeert sertraline
de opname van serotonine in humane bloedplaatjes. Het heeft geen stimulerende, sedatieve of
anticholinerge activiteit of cardiotoxiciteit bij dieren. In gecontroleerde studies bij normale
vrijwilligers veroorzaakte sertraline geen sedatie en interfereerde het niet met psychomotore prestaties.
In overeenstemming met de selectieve remming van de 5-HT opname, verhoogt sertraline de
catecholaminerge activiteit niet. Sertraline heeft geen affiniteit voor muscarinerge (cholinerge),
serotonerge, dopaminerge, adrenerge, histaminerge,
GABA of benzodiazepinereceptoren. De
chronische toediening van sertraline bij dieren was geassocieerd met down-regulatie van
noradrenalinereceptoren in de hersenen zoals gezien werd met andere klinisch effectieve
antidepressiva en anti-obsessieve geneesmiddelen.
Sertraline heeft geen aanwijzingen voor misbruik laten zien. In een placebogecontroleerde,
dubbelblinde gerandomiseerde studie naar het vergelijkende risico van misbruik van sertraline,
alprazolam en d-amfetamine bij de mens, veroorzaakte sertraline geen positieve subjectieve effecten
die wijzen op vermogen tot misbruik. In tegendeel, personen scoorden zowel alprazolam als d-
amfetamine significant hoger dan placebo op kenmerken als aantrekkingskracht, euforie en vermogen
tot misbruik. Sertraline veroorzaakte noch de prikkeling en angst geassocieerd met d-amfetamine,
noch de sedatie en psychomotore stoornis geassocieerd met alprazolam. Sertraline werkt niet als een
positieve reinforcer bij rhesus apen die getraind zijn om zichzelf cocaïne toe te dienen, en geldt niet als
discriminerende stimulus in de plaats van óf d-amfetamine óf
fenobarbital bij rhesus apen.
Klinische studies
Depressieve stoornis
Er is een studie uitgevoerd met depressieve poliklinische patiënten die aan het einde van een initiële 8-
weekse open behandelingsfase gereageerd hadden op 50-200 mg/dag sertraline. Deze patiënten (n=295)
werden gerandomiseerd voor voortzetting gedurende 44 weken op dubbelblind 50-200 mg/dag
sertraline of placebo. Een significant lagere mate van terugval werd waargenomen bij patiënten die
sertraline kregen vergeleken met patiënten op placebo. De gemiddelde dosis bij patiënten die de
behandeling afmaakten, was 70 mg/dag. Het % patiënten dat reageerde (gedefinieerd als die patiënten
die geen terugval kregen) was respectievelijk 83,4% en 60,8% in de sertraline- en de placebo-armen.
Posttraumatische stressstoornis (PTSS)
Gecombineerde gegevens van de 3 studies naar PTSS in de algemene populatie toonde een lagere
respons in mannen vergeleken met vrouwen aan. In de twee positieve algemene populatie studies
waren de sertraline vs. placebo responscijfers bij mannen en vrouwen gelijk (vrouwen: 57.2% vs
34.5%; mannen: 53.9% vs 38.2%). Het aantal mannelijke en vrouwelijke patiënten in de gepoolde
algemene populatie studies was respectievelijk 184 en 430. Daarom zijn de resultaten in vrouwen
robuuster en werden mannen in verband gebracht met andere variabele uitgangssituaties (meer
misbruik van middelen, langere duur, oorzaak van het trauma, etc.) die gecorreleerd zijn met een
verminderd effect.
ZOLO 100FCT 026 NL SmPC 29Jun2009
14
Pediatrische OCS
De veiligheid en werkzaamheid van sertraline (50-200 mg/dag) is getest bij de behandeling van niet-
depressieve kinderen (6-12 jaar) en adolescenten (13-17 jaar) die buiten de kliniek behandeld werden
voor obsessieve compulsieve stoornis (OCS). Na een inleidende enkelblinde behandeling met placebo
van één week, werden patiënten willekeurig ingedeeld bij een behandeling van twaalf weken met een
flexibele dosis van óf sertraline óf placebo. Bij kinderen (6-12 jaar) werd in eerste instantie gestart met
een dosis van 25 mg. Patiënten die naar sertraline gerandomiseerd waren, lieten een significant grotere
verbetering zien dan degenen die naar placebo gerandomiseerd waren op de Children's Yale-Brown
Obsessive Compulsive Scale CY-BOCS (p =0,005), de NIMH Global Obsessive Compulsive Scale
(p=0,019) en de CGI Improvement (p =0,002) schalen. Bovendien werd ook op de CGI Severity
schaal (p=0,089) een trend van grotere verbetering in de sertralinegroep dan in de placebogroep gezien.
Op de CY-BOCs waren de gemiddelde uitgangssituatie en de verandering vanaf de uitgangswaarden
bij de placebogroep respectievelijk 22,25 ± 6,15 en -3,4 ± 0,82, terwijl bij de sertralinegroep de
gemiddelde uitgangssituatie en de verandering vanaf de uitgangswaarden respectievelijk 23,36 ± 4,56
en -6,8 ± 0,87 waren. In een post-hoc analyse werd 53% van de patiënten die reageerden, gedefinieerd
als patiënten met een 25% of grotere afname op de CY-BOCS (de primaire maat voor werkzaamheid)
van de uitgangssituatie tot het eindpunt, behandeld met sertraline vergeleken met 37% die met placebo
behandeld werd (p=0,03).
Langetermijngegevens over veiligheid en werkzaamheid ontbreken voor deze pediatrische populatie.
Er zijn geen gegevens beschikbaar voor kinderen jonger dan 6 jaar.
5.2 Farmacokinetische
gegevens
Absorptie
Sertraline heeft lineaire farmacokinetische eigenschappen over een doseringsgebied van 50 tot 200 mg.
Na orale toediening van eenmaaldaagse dosering van 50 tot 200 mg sertraline aan de mens, ontstaan
maximale plasmaconcentraties van sertraline na 4,5 tot 8,4 uur na de dagelijkse toediening van het
geneesmiddel. Voedsel verandert de biologische beschikbaarheid van sertraline tabletten niet
significant.
Distributie
Ongeveer 98 % van het circulerende geneesmiddel is gebonden aan plasma-eiwitten.
Biotransformatie
Sertraline ondergaat uitgebreid first-pass levermetabolisme.
Eliminatie
De gemiddelde halfwaardetijd van sertraline is ongeveer 26 uur (bereik 22-36 uur). In
overeenstemming met de terminale eliminatiehalfwaardetijd is er een ongeveer tweevoudige
accumulatie tot aan steady state concentraties, die na een week van eenmaal daagse dosering bereikt
worden. De halfwaardetijd van N-desmethylsertraline ligt in het bereik van 62 tot 104 uur. Sertraline
en N-desmethylsertraline worden beide uitgebreid gemetaboliseerd in de mens en de resulterende
metabolieten worden in gelijke hoeveelheden in de feces en de urine uitgescheiden. Slechts een kleine
hoeveelheid (<0,2%) onveranderd sertraline wordt uitgescheiden in de urine.
Farmacokinetiek bij specifieke patiëntengroepen
Pediatrische patiënten met OCS
De farmacokinetiek van sertraline is bestudeerd bij 29 pediatrische patiënten in de leeftijd van 6-12
jaar en bij 32 adolescente patiënten in de leeftijd van 13-17 jaar. De patiënten werden geleidelijk
opgetitreerd naar een dagelijkse dosis van 200 mg binnen 32 dagen, óf met een aanvangsdosis en
dosisverhogende stappen van 25 mg, óf met een aanvangsdosis of dosisverhogingen van 50 mg. Het
ZOLO 100FCT 026 NL SmPC 29Jun2009
15
25 mg regime en het 50 mg regime werden even goed verdragen. Voor de 200 mg dosis waren de
sertraline plasmaspiegels in steady state bij de groep 6-12 jarigen ongeveer 35% hoger vergeleken met
de groep 13-17 jarigen en 21% hoger vergeleken met de volwassen referentiegroep. Er waren geen
significante verschillen in klaring tussen jongens en meisjes. Daarom wordt een lage aanvangsdosis en
titratiestappen van 25 mg aanbevolen bij kinderen, vooral bij kinderen met een laag lichaamsgewicht.
Adolescenten zouden als volwassenen gedoseerd kunnen worden.
Adolescenten en ouderen
Het farmacokinetische profiel bij adolescenten en ouderen is niet significant verschillend van dat bij
volwassenen tussen 18 en 65 jaar.
Verslechterde leverfunctie
Bij patiënten met leverbeschadiging is de halfwaardetijd van sertraline verlengd en is de AUC
drievoudig verhoogd (zie rubrieken 4.2 en 4.4).
Verslechterde nierfunctie
Bij patiënten met matige-ernstige nierfunctiestoornissen was er geen significante accumulatie van
sertraline.
5.3
Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Niet-klinische gegevens duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig
van conventioneel onderzoek op het gebied van veiligheidsfarmacologie, toxiciteit bij herhaalde
dosering, genotoxiciteit en carcinogeen potentieel. Onderzoek naar reproductietoxiciteit bij dieren liet
geen bewijs zien voor teratogeniteit of negatieve effecten op de mannelijke vruchtbaarheid. De
geobserveerde foetotoxiciteit was waarschijnlijk gerelateerd aan toxiciteit voor de moeder. Postnatale
overleving en lichaamsgewicht van de jongen waren alleen afgenomen tijdens de eerste dagen na de
geboorte. Er is bewijs gevonden voor het toeschrijven van de vroege postnatale mortaliteit aan in-utero
blootstelling na dag 15 van de zwangerschap. De vertraging van de postnatale ontwikkeling die gezien
werd in jongen van behandelde moederdieren werd waarschijnlijk veroorzaakt door effecten op de
moederdieren en is daarom niet relevant voor het humane risico.
6. FARMACEUTISCHE
GEGEVENS
6.1
Lijst van hulpstoffen
Tabletkern: Calciumwaterstoffosfaat (E341b), micro-kristallijn cellulose (E460), hydroxypro-
pylcellulose (E463), natrium-zetmeel glycolaat, magnesiumstearaat (E470b).
Tabletcoating: methylhydroxypropylcellulose (E464), titanium dioxide (E171), polyethyleenglycol en
polysorbaat 80 (E433).
6.2
Gevallen van onverenigbaarheid
N.v.t.
6.3 Houdbaarheid
5 jaar.
6.4
Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Zoloft tabletten bewaren beneden 30°C.
ZOLO 100FCT 026 NL SmPC 29Jun2009
16
6.5
Aard en inhoud van de verpakking
De 100 mg tabletten worden verpakt in doosjes met 28 of 98 tabletten in PVC/Al doordrukstrips.
Mogelijk zijn niet alle verpakkingen beschikbaar.
6.6
Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen
Geen bijzondere vereisten.
7.
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Pfizer bv
Rivium Westlaan 142
2909 LD Capelle aan den IJssel.
8.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Zoloft 100, filmomhulde tabletten 100 mg zijn in het register ingeschreven onder RVG 105255.
9.
DATUM VAN EERSTE VERGUNNING / HERNIEUWING VAN DE VERGUNNING
20 oktober 2009.
10.
DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
ZOLO 100FCT 026 NL SmPC 29Jun2009
17