Bestanden
Home > Bestanden


Ceklatrin 500 mg filmomhulde tabletten met verlengde afgifte

RegistratienummerRVG 107531
ProcedurenummerNL/H/2049/001
Farmaceutische vormTablet met verlengde afgifte
ToedieningswegOraal gebruik
ATCJ01FA09 - Clarithromycin
AfleverstatusUitsluitend recept
Registratiedatum05 september 2011
Registratiehouder
Veluwezoom 22
1327 AH ALMERE
Werkzame stof(fen)
SAMENSTELLING
overeenkomend met
Hulpstof(fen)CHINOLINEGEEL ALUMINIUMLAK (E 104)

HYPROMELLOSE, Type 2910 (3 - 15 mPa.s) (E 464)
HYPROMELLOSEFTALAAT


MACROGOL 4000
MAGNESIUMSTEARAAT (E 572)
TALK (E 553 B)
TITAANDIOXIDE (E 171)
Download: IB-tekst PDF
Zie ook: Bijsluiter


SAMENVATTING VAN DE PRODUCTKENMERKEN 

 

1. 
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL 
 
Ceklatrin 500 mg filmomhulde tabletten met verlengde afgifte 
 
 
2. 
KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING 
 
Claritromycinecitraat 
 
Elk filmomhuld tablet bevat 638,8 mg claritromycinecitraat equivalent aan 500 mg 

Elk filmomhuld tablet bevat 293,2 mg lactose. 
 
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1. 
 
 
3. FARMACEUTISCHE 
VORM 
 
Filmomhuld tablet met verlengde afgifte. 
Geel, langwerpig, dubbelbol, filmomhuld tablet met verlengde afgifte. 
 
 
4. KLINISCHE 
GEGEVENS 
 
4.1 Therapeutische 
indicaties 
 
Ceklatrin is geïndiceerd voor de behandeling van de volgende infecties die worden 
veroorzaakt door organismen die gevoelig zijn voor claritromycine (zie rubrieken 4.4 en 5.1). 
 
- Acute exacerbatie van chronische bronchitis 
- Lichte tot matige, in de open bevolking opgelopen longontsteking 
- Acute bacteriële sinusitis (voldoende gediagnosticeerd) 
- Bacteriële faryngitis 
- Infecties van huid en weke delen, licht tot matig-ernstig van aard 
 
De officiële richtlijnen over het juiste gebruik van antibacteriële middelen moeten in acht 
worden genomen. 
 
4.2 
Dosering en wijze van toediening 
 
Volwassenen:  
 
Bij volwassenen is de gebruikelijke aanbevolen dosering Ceklatrin Ã©Ã©n tablet met verlengde 
afgifte van 500 mg per dag, met voedsel in te nemen. 
Bij ernstigere infecties kan de dosering worden verhoogd tot twee tabletten met verlengde 
afgifte van 500 mg, in te nemen als één dagelijkse dosis. 
De dosis moet elke dag op hetzelfde tijdstip worden ingenomen. 
 
De tabletten moeten in zijn geheel worden doorgeslikt. 
 
Adolescenten (12 jaar en ouder): 
 
 
1

Hetzelfde als bij volwassenen. 
 
Oudere patiënten: 
 
Hetzelfde als bij volwassenen. (In geval van een nierfunctiestoornis, zie hieronder en 
rubriek 4.3.) 
 
Kinderen jonger dan 12 jaar: 
 
Ceklatrin wordt in tabletvorm niet aanbevolen voor gebruik bij kinderen jonger dan 12 jaar of 
met een lichaamsgewicht lager dan 30 kg. Voor deze patiënten zijn andere farmaceutische 
vormen beter geschikt. Gebruik voor deze patiënten een pediatrische suspensie 
claritromycine. 
Bij kinderen in de leeftijd van 6 maanden tot 12 jaar is klinisch onderzoek met een 
pediatrische suspensie claritromycine verricht. 
 
Voor kinderen met een gewicht van meer dan 30 kg is de dosis voor volwassenen en 
adolescenten van toepassing. 
 
Patiënten met een nierfunctiestoornis: 
 
Ceklatrin mag niet worden gebruikt bij patiënten met een nierfunctiestoornis 
(creatinineklaring minder dan 30 ml/min). In deze patiëntenpopulatie moeten andere 
farmaceutische vormen, zoals tabletten met onmiddellijke afgifte, worden gebruikt (zie 
rubriek 4.3). 
 
Patiënten met een leverfunctiestoornis: 
 
Het gebruik van Ceklatrin wordt niet aanbevolen bij patiënten met een ernstige 
leverfunctiestoornis. 
 
Duur van de therapie: 
 
De duur van de therapie met claritromycine is afhankelijk van de klinische toestand van de 
patiënt en moet in elk geval door de arts worden bepaald. 
• 
De gebruikelijke duur van de behandeling is 6 tot 14 dagen. 
• 
De therapie moet gedurende minimaal 2 dagen nadat de symptomen zijn verdwenen 
worden gecontinueerd. 
• Bij 
infecties 
met 
Streptococcus pyogenes (groep A bèta-hemolytische streptokokken) 
moet de duur van de therapie minimaal 10 dagen zijn. 
 
4.3 Contra-indicaties 
 
Claritromycine is gecontraïndiceerd bij patiënten die bekend zijn met overgevoeligheid voor 
macrolide antibiotica of voor één van de hulpstoffen in Ceklatrin. 
 
Omdat de dosis niet minder kan zijn dan 500 mg per dag is het gebruik van tabletten Ceklatrin 
met verlengde afgifte gecontraïndiceerd bij patiënten met een creatinineklaring van minder 
dan 30 ml/min. 
 
Gelijktijdige toediening van claritromycine en een van de volgende geneesmiddelen  is 

QT-prolongatie en hartritmestoornissen, inclusief ventriculaire tachycardie, ventriculaire 
fibrillatie en torsade de pointes (zie rubriek 4.5), en ergotamine of dihydro-ergotamine omdat 
dit kan resulteren in ergottoxiciteit (zie rubriek 4.5). 
 
2

 
Claritromycine mag niet worden gegeven aan patiënten met QT-prolongatie of ventriculaire 
hartritmestoornissen, inclusief torsade de pointes, in de voorgeschiedenis (zie rubriek 4.4 en 
4.5). 
 
Vanwege het risico van rabdomyolyse mag claritromycine niet gelijktijdig worden gebruikt 

met claritromycine moet de behandeling met deze middelen worden gestaakt (zie rubriek 4.4). 
 
Claritromycine mag niet worden gegeven aan patiënten met hypokaliëmie (gezien het risico 
van prolongatie van de QT-tijd). 
 
Claritromycine mag niet worden gebruikt bij patiënten die lijden aan ernstig leverfalen in 
combinatie met een nierfunctiestoornis. 
 
4.4   Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik 
 
De arts mag claritromycine niet voorschrijven aan zwangere vrouwen, met name gedurende 
de eerste drie maanden van de zwangerschap, zonder eerst een zorgvuldige afweging te 
hebben gemaakt van de voordelen ten opzichte van de risico's (zie rubriek 4.6). 
 
Voorzichtigheid is geboden bij patiënten met een ernstige nierfunctiestoornis (zie 
rubriek 4.2). 
 
Claritromycine wordt voornamelijk uitgescheiden door de lever. Daarom is voorzichtigheid 
geboden bij het toedienen van het antibioticum aan patiënten met een leverfunctiestoornis. 
Ook is voorzichtigheid geboden bij het toedienen van claritromycine aan patiënten met een 
matig-ernstige tot ernstige nierfunctiestoornis (zie ook rubriek 4.3). 
 
Er zijn gevallen gemeld waarin het leverfalen fataal was (zie rubriek 4.8). Sommige patiënten 
kunnen een reeds bestaande leverziekte hebben of kunnen andere hepatotoxische 
geneesmiddelen hebben gebruikt. Aan patiënten moet worden geadviseerd om met de 
behandeling te stoppen en contact op te nemen met hun arts als zich tekenen en symptomen 
van een leverziekte ontwikkelen, zoals anorexia, geelzucht, donkere urine, pruritus of een 
pijnlijke buik. 
 
Pseudo-membraneuze colitis is gemeld bij bijna alle antibacteriële middelen, inclusief 
macroliden en kan in ernst variëren van licht tot levensbedreigend. Bij gebruik van bijna alle 
antibacteriële middelen inclusief claritromycine is met Clostridium difficile samenhangende 
diarree (CDAD) gemeld, wat in ernst kan variëren van lichte diarree tot fatale colitis. 
Behandeling met antibacteriële middelen verandert de normale flora van het colon, wat kan 
leiden tot een overmatige groei van C. difficile. Bij alle patiënten die zich presenteren met 
diarree na gebruik van antibiotica moet CDAD worden overwogen. Omdat is gemeld dat 
CDAD tot na twee maanden na toediening van de antibacteriële middelen kan optreden, is een 
zorgvuldige medische anamnese noodzakelijk. Daarom moet ongeacht de indicatie staken van 
de claritromycinetherapie worden overwogen. Er moeten microbiële tests worden verricht en 
er moet een adequate behandeling worden ingesteld. Het gebruik van geneesmiddelen die de 
peristaltiek remmen, moet worden vermeden. 
 
Exacerbatie van symptomen van myasthenia gravis zijn gemeld bij patiënten die 
claritromycinetherapie ontvingen. 
 

ontvangen van colchicinetoxiciteit, met name bij ouderen, wat in sommige gevallen optrad bij 
patiënten met nierinsufficiëntie. Bij sommige van deze patiënten is overlijden gemeld (zie 
 
3


moeten de patiënten worden bewaakt op klinische symptomen van colchicinetoxiciteit. 
Voorzichtigheid is geboden met betrekking tot gelijktijdige toediening van claritromycine en 

 
Voorzichtigheid is geboden met betrekking tot gelijktijdige toediening van claritromycine met 
andere ototoxische geneesmiddelen, met name aminoglycosiden. Tijdens en na de 
behandeling moet de werking van het vestibulum en het gehoororgaan worden bewaakt. 
 
Vanwege het risico van de QT-prolongatie moet claritromycine met de benodigde 
voorzichtigheid worden gebruikt bij patiënten met kransslagaderaandoeningen, ernstige 
cardiale insufficiëntie, hypomagnesiëmie, bradycardia (< 50 spm), of wanneer het gelijktijdig 
wordt toegediend met andere geneesmiddelen die met QT-prolongatie in verband worden 
gebracht (zie rubriek 4.5). Claritromycine mag niet worden gebruikt bij patiënten met 
congenitale of gedocumenteerde verworven QT-prolongatie of met ventriculaire aritmie in de 
voorgeschiedenis (zie rubriek 4.3). 
 
Longontsteking: Gezien de zich ontwikkelende resistentie van Streptococcus pneumoniae 
tegen macroliden is het belangrijk dat een gevoeligheidstest wordt verricht wanneer 
claritromycine wordt voorgeschreven bij in de open bevolking opgelopen pneumonie. Voor in 
het ziekenhuis opgelopen pneumonie moet claritromycine worden gebruikt in combinatie met 
aanvullende hiervoor geschikte antibiotica. 
 
Infecties van huid en weke delen, licht tot matig-ernstig van aard: deze infecties worden het 
vaakst veroorzaakt door Staphylococcus aureus en Streptococcus pyogenes, die allebei 
resistent kunnen zijn tegen macroliden. Daarom is het belangrijk dat een gevoeligheidstest 
wordt verricht. In gevallen waarbij geen bètalactam-antibiotica kunnen worden gebruikt (bv. 

Momenteel wordt ervan uitgegaan dat macroliden alleen een rol spelen bij sommige infecties 
van huid en weke delen, zoals bij infecties die worden veroorzaakt door Corynebacterium 
minutissimum
 (erythrasma), acne vulgaris en erysipelas en in situaties waarin geen 
penicillinebehandeling mogelijk is. 
 
In het geval van ernstige acute overgevoeligheidsreacties, zoals anafylaxie, Stevens-johnson-
syndroom en toxische epidermale necrolyse, moet therapie met claritromycine onmiddellijk 
worden gestaakt en moet met spoed de juiste behandeling worden ingesteld. 
 
Voorzichtigheid is geboden bij het gebruik van claritromycine wanneer het gelijktijdig wordt 
toegediend met geneesmiddelen die cytochroom CYP3A4-enzymen induceren (zie rubriek 
4.5). 
 
HMG-CoA-reductaseremmers:gelijktijdig gebruik van claritromycine met lovastatine of 

claritromycine gemeld dat het de concentratie HMG-CoA reductaseremmers verhoogt (zie 
rubriek 4.5). In zeldzame gevallen is rabdomyolyse gemeld bij patiënten die deze 
geneesmiddelen gelijktijdig gebruiken. Patiënten moeten worden gecontroleerd op tekenen en 
symptomen van myopathie. In zeldzame gevallen is rabdomyolyse ook gemeld bij patiënten 


middelen in de laagst mogelijke dosis worden toegediend. Aanpassing van de statinedoses of 
het gebruik van een statine die niet afhankelijk is van het CYP3A-metabolisme (zoals 

 
Orale hypoglycaemica/insulines: het gelijktijdig gebruik van claritromycine en orale 

 
4


het CYP3A-enzym door claritromycine een rol spelen en bij gelijktijdig gebruik kan dit 
hypoglykemie veroorzaken. Zorgvuldige bewaking van de glucosespiegel wordt aanbevolen. 
 
Orale anticoagulantia: het risico van een ernstige bloeding en van significante verhogingen 
van INR (International Normalized Ratio) en protrombinetijd is aanwezig wanneer 
claritromycine gelijktijdig met warfarine wordt toegediend (zie rubriek 4.5). INR en 
protrombinetijden moeten frequent worden gecontroleerd terwijl patiënten gelijktijdig 
claritromycine en orale anticoagulantia ontvangen. 
 
Bij de selectie van claritromycine voor de behandeling van een individuele patiënt moet 
rekening worden gehouden met de geschiktheid van het gebruik van een macrolide 
antibacterieel middel op basis van een adequate diagnose waarbij de bacteriële etiologie van 
de infectie voor de goedgekeurde indicaties en de prevalentie van resistentie tegen 
claritromycine of andere macroliden wordt geverifieerd. 

belangrijk om de evolutie van het patroon van vatbaarheid voor claritromycine en andere 
antibiotica in overweging te nemen. 
Claritromycine moet worden gereserveerd voor gedocumenteerde faryngitis met bèta-
hemolytische streptokokken van groep A waarbij behandeling met bètalactam-antibiotica niet 
kan worden toegepast. 
Ook moet aandacht worden gegeven aan de mogelijkheid van kruisresistentie tussen 

 
Elk tablet bevat 293,2 mg lactose. Patiënten met zeldzame erfelijke afwijkingen als galactose-
intolerantie, Lapp-lactasedeficiëntie of glucosegalactosemalabsorptie mogen dit geneesmiddel 
niet gebruiken. 
 
4.5 

 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie 
 
Het gebruik van de volgende geneesmiddelen is strikt gecontraïndiceerd als gevolg van de 
kans op ernstige geneesmiddelinteracties: 
 

 
Verhoogde cisapridewaarden zijn gemeld bij patiënten die gelijktijdig claritromycine en 
cisapride ontvingen. Dit kan leiden tot QT-prolongatie en cardiale aritmieën inclusief 
ventriculaire tachycardie, ventriculaire defibrillatie en torsade de pointes. Vergelijkbare 
effecten zijn waargenomen bij patiënten die gelijktijdig claritromycine en pimozide 
gebruikten (zie rubriek 4.3). 
 

verhoogde waarden terfenadine wat soms gepaard is gegaan met hartritmestoornissen zoals 
QT-prolongatie, ventriculaire tachycardie, ventriculaire fibrillatie en torsade de pointes (zie 
rubriek 4.3). In een onderzoek met 14 gezonde vrijwilligers resulteerde de gelijktijdige 
toediening van claritromycine en terfenadine in een twee- tot drievoudige stijging van de 
waarde van de zure metaboliet van terfenadine in serum en in een prolongatie van de QT-
interval, wat niet tot een klinisch detecteerbaar effect leidde. Vergelijkbare effecten zijn 
waargenomen bij gelijktijdige toediening van astemizol en andere macroliden. 
 
Ergotamine/dihydro-ergotamine 
 
Postmarketingmeldingen duiden erop dat gelijktijdige toediening van claritromycine met 
ergotamine of dihydro-ergotamine in verband wordt gebracht met acute ergottoxiciteit, 
 
5

gekenmerkt door vasospasme, en ischemie van de ledematen en ander weefsel inclusief het 
centraal zenuwstelsel. 
Gelijktijdige toediening van claritromycine en deze geneesmiddelen is gecontraïndiceerd (zie 
rubriek 4.3). 
 
Effecten van andere geneesmiddelen op claritromycine 
 

die sintjanskruid bevatten) kunnen het metabolisme van claritromycine induceren. Dit kan 
resulteren in subtherapeutische waarden van claritromycine die de werkzaamheid van het 
product verminderen. 
Verdere bewaking van de plasmawaarden van de CYP3A4-inductor kan noodzakelijk zijn, 
omdat de waarden kunnen stijgen als gevolg van de CYP3A4-remming door claritromycine 
(zie ook de relevante samenvatting van de productkenmerken van de toegediende CYP3A4-
inductor). 

rifabutinewaarden en lagere claritromycinewaarden in serum, en in een verhoogd risico op 
uveïtis. 
 
Van de volgende geneesmiddelen is bekend dat ze de circulerende concentraties 
claritromycine beïnvloeden of dat dit wordt vermoed; een aanpassing van de dosering 
claritromycine of het overwegen van andere behandelingen kan noodzakelijk zijn. 
 



versnellen en zo de plasmawaarden van claritromycine verlagen, terwijl de plasmawaarde van 
14-OH-clarithromycine, een metaboliet die ook microbiologische actief is, wordt verhoogd. 
Omdat de microbiologische activiteit van claritromycine en 14-OH-clarithromycine voor 
verschillende bacteriën verschillend zijn, kan het beoogde therapeutische effect tijdens 
gelijktijdige toediening van claritromycine en enzyminductoren worden aangetast. 
 

 

per dag aan 21 gezonde vrijwilligers leidde tot een stijging van de gemiddelde minimale 
steady-state-concentratie van claritromycine (Cmin) en een AUC (area under the curve) van 
respectievelijk 33% en 18%. Steady-state-concentraties van de actieve metaboliet 14(R)-
hydroxyclaritromycine werden door gelijktijdige toediening van fluconazol niet significant 
aangetast. Er is geen aanpassing van de dosis claritromycine noodzakelijk. 
 

 
In een farmacokinetisch onderzoek werd aangetoond dat de gelijktijdige toediening van 
200 mg ritonavir eens per acht uur en 500 mg claritromycine eens per 12 uur resulteerde in 
een duidelijke remming van het metabolisme van claritromycine. Bij gelijktijdige toediening 
van ritonavir steeg de Cmax van claritromycine met 31%, steeg de Cmin met 182% en steeg de 
AUC met 77%. Er werd een in wezen volledige remming van de vorming van 14-OH-
claritromycine opgemerkt. Vanwege het grote therapeutische venster voor claritromycine zou 
bij patiënten met een normale nierfunctie geen lagere dosering noodzakelijk zijn. 
Bij patiënten met een nierfunctiestoornis moeten echter de volgende aanpassingen van de 
dosering worden overwogen: bij patiënten met een CLCR 30 tot 60 ml/min moet de dosis 
claritromycine met 50% worden verlaagd. Bij patiënten met een CLCR van minder dan 30 
ml/min moet de dosis claritromycine met 75% worden verlaagd waarbij een hiervoor geschikt 
 
6

claritromycinepreparaat wordt gebruikt. Doses claritromycine groter dan 1 g/dag mogen niet 
gelijktijdig met ritonavir worden toegediend. 
 
Bij patiënten met een nierfunctiestoornis moeten vergelijkbare dosisaanpassingen worden 
overwogen wanneer ritonavir samen met andere HIV proteaseremmers inclusief atazanavir en 

bidirectionele farmacokinetische interacties). 
 
Effecten van claritromycine op andere geneesmiddelen 
 
Op CYP3A gebaseerde interacties 
Gelijktijdige toediening van claritromycine, waarvan bekend is dat het CYP3A remt, met een 
geneesmiddel dat voornamelijk wordt gemetaboliseerd door CYP3A kan in verband worden 
gebracht met verhogingen van de geneesmiddelenconcentraties, wat zowel de therapeutische 
als de ongewenste effecten van het gelijktijdig toegediende geneesmiddel kan versterken of 
verlengen. 
 
Claritromycine moet met de benodigde voorzichtigheid worden gebruikt bij patiënten die 
worden behandeld met andere geneesmiddelen waarvan bekend is dat het CYP3A-
enzymsubstraten zijn, met name als het CYP3A-substraat een smalle veiligheidsmarge heeft 

Dosisaanpassing kan worden overwogen, en indien mogelijk moeten de serumconcentraties 
van geneesmiddelen die voornamelijk worden gemetaboliseerd door CYP3A zorgvuldig 
worden bewaakt bij patiënten die gelijktijdig claritromycine ontvangen. 
Van de volgende geneesmiddelen of geneesmiddelengroepen is bekend of wordt vermoed dat 




triazolam en vinblastine. Geneesmiddel die door vergelijkbare mechanismen een interactie 
aangaan via andere iso-enzymen binnen het cytochroom-P450-systeem zijn onder meer 
fenytoïne, theofylline en valproaat. 
 
Antiaritmica 
 
Er is postmarketing melding gemaakt van torsade de pointes wat optreedt bij gelijktijdig 

claritromycine met deze geneesmiddelen moeten elektrocardiogrammen op QTc-prolongatie 
worden gecontroleerd. Ook moeten de serumconcentraties van deze geneesmiddelen worden 
bewaakt. 
 

 
Aan gezonde volwassen proefpersonen werd (eens per 8 uur 500 mg) claritromycine in 
combinatie met omeprazol (40 mg per dag) toegediend. Door de gelijktijdige toediening van 
claritromycine stegen de steady-state-plasmaconcentraties van omeprazol (de Cmax, AUC0-24 
en t1/2 stegen met respectievelijk 30%, 89% en 34%). Bij toediening van alleen omeprazol was 
de gemiddelde pH-waarde in de maag per 24 uur 5,2 en wanneer omeprazol samen met 

 

 
Elk van deze fosfodiësteraseremmers worden, op zijn minst gedeeltelijk, door CYP3A 
gemetaboliseerd, en CYP3A kan door gelijktijdig toegediend claritromycine worden geremd. 
 
7


waarschijnlijk in een hogere blootstelling aan fosfodiësteraseremmer. 
 
Bij gelijktijdige toediening van claritromycine moet een vermindering van de dosering 

 
Theofylline, carbamazepine 
 
Resultaten van klinisch onderzoek duiden op een bescheiden, maar statistisch significante 
(p≤ 0,05) stijging van circulerende theofylline- of carbamazepinewaarden wanneer een van 
deze geneesmiddelen gelijktijdig met claritromycine werd toegediend. Een reductie van de 
dosis moet mogelijk worden overwogen. 
 

 

cytochroom P450 (CYP2D6). In een subset van de populatie die verstoken is van CYP2D6 is 
echter vastgesteld dat de stofwisselingsroute via CYP3A loopt. 
 
In deze subsetpopulatie resulteert de reiniging van CYP3A in een significant hogere 
serumconcentratie van tolterodine. In de populatie met langzame metaboliseerders van 
CYP2D6 kan een reductie van de dosering tolterodine in aanwezigheid van CYP3A-remmers, 
zoals claritromycine, noodzakelijk zijn. 
 

 

500 mg) nam de AUC van midazolam na intraveneuze toediening van midazolam met een 
factor 2,7 toe en na orale toediening met een factor 7. Gelijktijdige toediening van orale 
midazolam en claritromycine moet worden vermeden. Wanneer intraveneuze midazolam 
gelijktijdig met claritromycine wordt toegediend, moet de patiënt zorgvuldig worden 
gecontroleerd zodat de dosis eventueel kan worden aangepast. 
 
Dezelfde voorzorgsmaatregelen moeten ook worden toegepast op andere benzodiazepinen die 
door CYP3A worden gemetaboliseerd, inclusief triazolam en alprazolam. Bij 


 
Bij gelijktijdig gebruik van claritromycine en triazolam zijn postmarketing meldingen gedaan 
van geneesmiddelinteracties en effecten op het centraal zenuwstelsel (CZS) (bv. slaperigheid 
en verwarring). Het bewaken van de patiënt op verhoogde farmacologische effecten op het 
CZS wordt geadviseerd. 
 
Andere geneesmiddelinteracties 
 
Colchicine 
 
Colchicine is een substraat voor zowel CYP3A als het efflux transporteiwit P-glycoproteïne 
(Pgp). Van claritromycine en andere macroliden is bekend dat ze CYP3A en Pgp remmen. Bij 
gelijktijdige toediening van claritromycine en colchicine kan remming van Pgp en/of CYP3A 
door claritromycine leiden tot een verhoogde blootstelling aan colchicine. 
 
Patiënten moeten worden geobserveerd op klinische symptomen van colchicinetoxiciteit (zie 
rubriek 4.4). 
 

 
8


 
Digoxine is een substraat voor het efflux transporteiwit P-glycoproteïne (Pgp). Van 
claritromycine is bekend dat het Pgp remt. Bij gelijktijdige toediening van claritromycine en 
digoxine kan remming van Pgp door claritromycine leiden tot een verhoogde blootstelling aan 
digoxine. Verhoogde digoxineconcentraties in serum bij patiënten die gelijktijdig 
claritromycine en digoxine ontvingen, zijn ook gemeld bij postmarketing surveillance. Bij 
sommige patiënten werden klinische tekenen waargenomen die consistent waren met 
digoxinetoxiciteit, inclusief potentieel fatale aritmieën. De digoxineconcentraties in serum 
moeten zorgvuldig worden gecontroleerd wanneer patiënten gelijktijdig digoxine en 
claritromycine ontvangen. 
 

 
Gelijktijdige orale toediening van claritromycinetabletten en zidovudine aan met hiv 
geïnfecteerde volwassen patiënten kan resulteren in lagere steady-state-concentraties van 
zidovudine. Omdat claritromycine de absorptie van gelijktijdig toegediende orale zidovudine 
lijkt te verstoren, kan deze interactie grotendeels worden vermeden door het verspreiden van 
de toediening van de doses claritromycine en zidovudine zodat er tussen elke toediening van 
een van deze geneesmiddelen een interval van 4 uur zit. 
 
Deze interactie lijkt niet op te treden bij met hiv geïnfecteerde pediatrische patiënten die 
claritromycinesuspensie en zidovudine gebruiken. Deze interactie is onwaarschijnlijk 
wanneer claritromycine via een intraveneuze infusie wordt toegediend. 
 
Fenytoïne en valproaat 
 
Er zijn spontane of gepubliceerde rapportages van interacties met CYP3A-remmers, inclusief 
claritromycine, en geneesmiddelen waarvan niet wordt aangenomen dat deze worden 
gemetaboliseerd door CYP3A, inclusief fenytoïne en valproaat. 
 
Het verdient aanbeveling om bij deze geneesmiddelen de serumwaarde vast te stellen wanneer 
ze gelijktijdig met claritromycine worden toegediend. 
Er zijn verhoogde serumwaarden gemeld. 
 
Bidirectionele farmacokinetische interacties 
 
Atazanavir 
 
Zowel claritromycine als atazanavir zijn substraten en remmers van CYP3A, en er zijn 
aanwijzingen voor een bidirectionele geneesmiddelinteractie. Gelijktijdige toediening van 
claritromycine (tweemaal daags 500 mg) en atazanavir (eenmaal daags 400 mg) resulteerde in 
een factor 2 stijging van de blootstelling aan claritromycine en een daling van 70% in de 
blootstelling aan 14-OH-clarithromycine, met een stijging van 28% van de AUC van 
atazanavir. 
 
Vanwege het grote therapeutische venster voor claritromycine zou geen lagere dosering 
noodzakelijk zijn bij patiënten met een normale nierfunctie. 
 
Bij patiënten met een matig-ernstige nierfunctiestoornis (creatinineklaring 30 tot 60 ml/min) 
moet de dosis claritromycine met 50% worden verlaagd. 
 
Bij patiënten met een creatinineklaring van < 30 ml/min moet de dosis claritromycine met 
75% worden verlaagd waarbij een hiervoor geschikt claritromycinepreparaat wordt gebruikt. 
 
9

Doses claritromycine groter dan 1000 mg/dag mogen niet gelijktijdig met proteaseremmers 
worden toegediend. 
 

 

bidirectionele geneesmiddelinteractie: claritromycine kan de plasmawaarden van itraconazol 
verhogen, terwijl itraconazol de plasmawaarden van claritromycine kan verhogen. 
 
Patiënten die gelijktijdig itraconazol en claritromycine gebruiken, moeten zorgvuldig worden 
bewaakt op tekenen voor en symptomen van een verhoogd of verlengd farmacologisch effect. 
 

 
Zowel claritromycine als saquinavir zijn substraten en remmers van CYP3A, en er zijn 
aanwijzingen voor een bidirectionele geneesmiddelinteractie. 
 
Gelijktijdige toediening van claritromycine (500 mg tweemaal daags) en saquinavir (zachte 
gelatinecapsules, 1200 mg driemaal daags) aan 12 gezonde vrijwilligers resulteerde in een 
steady-state AUC (area under the curve) en maximale concentratiewaarden (Cmax) van 
saquinavir die 177% en 187% hoger waren dan die werden gezien bij gebruik van uitsluitend 
saquinavir. 
 
De AUC en Cmax-waarden van claritromycine waren ongeveer 40% hoger dan die werden 
gezien bij gebruik van uitsluitend claritromycine. Er is geen dosisaanpassing vereist wanneer 
de twee geneesmiddelen gedurende korte tijd bij de onderzochte doses/samenstellingen 
gelijktijdig worden toegediend. 
 
Observaties uit onderzoek naar interactie tussen geneesmiddelen met behulp van het zachte 
gelatinecapsulepreparaat is mogelijk niet representatief voor de effecten die worden gezien bij 
gebruik van de harde gelatinecapsule saquinavir. 
 
Observaties uit geneesmiddelinteractieonderzoek dat is verricht met niet versterkt saquinavir 
is mogelijk niet representatief voor de effecten die worden waargenomen bij 
saquinavir/ritonavir-therapie. Wanneer saquinavir gelijktijdig met ritonavir wordt toegediend, 
moeten de potentiële effecten van ritonavir op claritromycine in overweging worden 
genomen. 
 

 
Hypotensie, bradyaritmieën en melkzuuracidose zijn waargenomen bij patiënten die 
gelijktijdig claritromycine en verapamil innamen. 
 
4.6 
Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding 
 
De veiligheid van claritromycine voor gebruik tijdens de zwangerschap en bij het geven van 
borstvoeding aan pasgeborenen is niet vastgesteld. Op basis van de variabele resultaten die 
zijn verkregen uit onderzoek bij muizen, ratten, konijnen en apen kan de mogelijkheid van 
ongewenste effecten op de embryofoetale ontwikkeling niet worden uitgesloten. Daarom 
wordt gebruik tijdens de zwangerschap afgeraden zonder een zorgvuldige afweging van de 
voordelen tegen de risico's. Claritromycine wordt uitgescheiden in de moedermelk. 
 
4.7 
Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen 
 
 
10

Er zijn geen gegevens bekend over het effect van claritromycine op de rijvaardigheid en op 
het vermogen om machines te bedienen. Voordat een patiënt een voertuig bestuurt of een 
machine bedient moet rekening worden gehouden met de kans op duizeligheid, vertigo, 
verwarring en disoriëntatie. 
 
4.8 Bijwerkingen 
 
a. Samenvatting van het veiligheidsprofiel 
 
De meest frequent en vaak voorkomende bijwerkingen die zowel bij volwassenen als bij 
pediatrische patiënten optreden bij claritromycinetherapie zijn buikpijn, diarree, 
misselijkheid, braken en smaakvervorming. 
 
Deze bijwerkingen zijn gewoonlijk licht van aard en zijn consistent met het bekende 
veiligheidsprofiel van macrolide antibiotica (zie rubriek b van rubriek 4.8). 
 
Tijdens klinisch onderzoek  werden geen significante verschillen waargenomen in de 
incidentie van gastro-intestinale bijwerkingen tussen patiëntenpopulaties met en zonder reeds 
bestaande mycobacteriële infecties. 
 
b. Tabellarische samenvatting van de bijwerkingen
 
 
De volgende tabel geeft de bijwerkingen weer die in het klinisch onderzoek en tijdens 
postmarketing-ervaringen zijn gemeld bij gebruik van claritromycinetabletten met verlengde 
afgifte. 
 
De bijwerkingen waarvan het ten minste mogelijk wordt geacht dat ze gerelateerd zijn aan de 
behandeling met claritromycine worden weergegeven, met behulp van de volgende conventie 
ingedeeld naar systeem/orgaanklasse en frequentie: zeer vaak (≥ 1/10); vaak 
(≥ 1/100, < 1/10); soms (≥ 1/1.000, < 1/100); niet bekend (bijwerkingen uit postmarketing-
ervaringen, de frequentie kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald). Wanneer de 
ernst kan worden bepaald, worden de bijwerkingen binnen iedere frequentiegroep 
gerangschikt naar afnemende ernst. 
 
 
Systeem/orgaanklasse   
 
Frequentie*   Bijwerkingen van geneesmiddelen 
Infecties en parasitaire aandoeningen   Soms    
Gastro-enteritis 
candidiasis 
Vaginale infectie 
Niet bekend 
Pseudo-membraneuze colitis 
erysipelas 
erythrasma 
 
Bloed- en lymfestelselaandoeningen  
Soms    
Leukopenie 
Niet bekend 
Agranulocytose, 
trombocytopenie 
 
Immuunsysteemaandoeningen         
Soms       
overgevoeligheid 
 
Niet bekend       Anafylactische reactie 
 
Voedings- en stofwisselingsstoornissen   Soms    
Anorexia 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
11

verminderde eetlust 
     Niet 
bekend 
hypoglykemie 
 
Psychische stoornissen   
 
Vaak        
Slapeloosheid 
 
Soms    
Angst 
 
 
Niet bekend 
Psychotische stoornis 
Toestand van verwarring 
Depersonalisatie 
Depressie 
Desoriëntatie 
Hallucinatie 
Abnormale dromen 
 
Zenuwstelselaandoeningen  
Vaak    
Dysgeusie 
hoofdpijn 
afwijkende smaakzin 
 
Soms    
Duizeligheid 
 
Tremor 
Slaperigheid 
 
 Niet 
bekend 
Convulsie 
Ageusie, 
parosmie 
Anosmie 
 
 
 
Evenwichtsorgaan- en ooraandoeningen Soms    
Gehoorstoornissen 
Tinnitus 
Vertigo 
 
Niet bekend 
Doofheid 
 
Hartaandoeningen               
Soms   
QT-prolongatie op 
 
  
 
elektrocardiogram 
Palpitaties 
 
Niet bekend 
Torsade de pointes 
Ventriculaire tachycardie 
 
Bloedvataandoeningen    
 
 
     Niet 
bekend 
Hemorragie 
 
Ademhalingsstelsel-, borstkas-    
Soms    
 
en 
mediastinumaandoeningen 
   Epistaxis 
 
Maagdarmstelselaandoeningen   
Vaak    
Buikpijn 
Diarree 
Dyspepsie 
Misselijkheid 
 
12

Braken 
 
 
Maagdarmstelselaandoeningen   
Soms    
 
Obstipatie 
Droge mond 
Oprispingen 
Winderigheid 
 
Stomatitis 
glossitis 
 
Gastro-oesofageale refluxziekte 
gastritis 
proctalgie 
 
Niet bekend 
Acute pancreatitis 
Tongverkleuring 
Tandverkleuring  
 
Lever- en galaandoeningen  
 
Vaak Afwijkende 
leverfunctietest 
 
Soms    
 
Verhoogde alanineaminotrans-
ferasewaarde 
verhoogde aspartaataminotrans-
ferasewaarde 
Niet bekend 
Leverfalen, 
Hepatocellulaire geelzucht 
 
Huid- en onderhuidaandoeningen  

Vaak  
Huiduitslag 
 
 
 
 
 
 
 
Hyperhidrose 
 
Soms    
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Pruritus 
 
Urticaria 
 
Niet bekend 
Stevens-johnson-syndroom, 
 toxische epidermale necrolyse, 
geneesmiddeluitslag met eosinofilie 
en systemische symptomen 
(DRESS), acne 
 
Skeletspierstelsel- en  
 
 
Soms  
 
bindweefselaandoeningen 
   Myalgie 
 
Niet bekend 
Rabdomyolyse, 
Myopathie 
 
Nier- en urinewegaandoeningen  
 
 
 
 
Niet bekend 
Nierfalen, 
Interstitiële nefritis 
 
13

 
 
 
 
Algemene aandoeningen en  
 
Soms    
Asthenie 
toedieningsplaatsstoornissen 
    
 
 
 
Onderzoeken  
Niet bekend 
INR (International normalised ratio) 
verhoogd, protrombinetijd verlengd, 
kleur van de urine afwijkend 
 
c. Beschrijving van geselecteerde bijwerkingen 
 
In zeer zeldzame gevallen is leverfalen met een fatale uitkomst gemeld, wat in het algemeen 
werd toegeschreven aan ernstige onderliggende ziekten en/of gelijktijdig gebruik van andere 
geneesmiddelen (zie rubriek 4.4). 
 
Met name bij diarree moet men alert zijn, omdat bij gebruik van bijna alle antibacteriële 
middelen, inclusief claritromycine, met Clostridium difficile samenhangende diarree (CDAD) 
werd gemeld, wat in ernst kan variëren van lichte diarree tot fatale colitis (zie rubriek 4.4). 
 
In het geval van ernstige acute overgevoeligheidsreacties, zoals anafylaxie, stevens-johnson-
syndroom en toxische epidermale necrolyse, moet de claritromycinetherapie onmiddellijk 
worden gestaakt en moet de juiste behandeling met spoed worden ingesteld (zie rubriek 4.4). 
 
Net als bij andere macroliden is bij gebruik van claritromycine in zeldzame gevallen QT-
prolongatie, ventriculaire tachycardie en 'torsade de pointes' gemeld (zie rubrieken 4.4 en 
4.5). 
 
Pseudo-membraneuze colitis is gemeld bij bijna alle antibacteriële middelen, inclusief 
claritromycine, en kan in ernst variëren van licht tot levensbedreigend. Daarom is het 
belangrijk om deze diagnose in overweging te nemen bij patiënten die zich na toediening van 
antibacteriële middelen met diarree melden (zie rubriek 4.4). 
 
Bij sommige meldingen van rabdomyolyse werd claritromycine gelijktijdig toegediend met 

 
Er zijn postmarketing meldingen ontvangen van colchicinetoxiciteit bij gelijktijdig gebruik 
van claritromycine en colchicine, met name bij ouderen en/of bij patiënten met 
nierinsufficiëntie, in sommige gevallen met fatale afloop (zie rubrieken 4.5 en 4.4). 
In zeldzame gevallen is hypoglykemie gemeld, wat in sommige gevallen optrad bij patiënten 

 
Bij gelijktijdig gebruik van claritromycine en triazolam zijn postmarketing meldingen gedaan 
van geneesmiddelinteracties en effecten op het centraal zenuwstelsel (CZS) (bv. slaperigheid 
en verwarring). Het controleren van de patiënt op een toename van de farmacologische 
effecten op het CZS wordt geadviseerd (zie rubriek 4.5). 
 
Er bestaat een risico op een ernstige bloeding en significante verhogingen van de INR en 
protrombinetijd wanneer claritromycine gelijktijdig met warfarine wordt toegediend. 
Wanneer patiënten gelijktijdig claritromycine en orale anticoagulantia ontvangen moeten INR 
en protrombinetijden frequent worden gecontroleerd (zie rubriek 4.4 en 4.5). 
 
 
14

In zeldzame gevallen is melding gemaakt van claritromycinetabletten met verlengde afgifte in 
de ontlasting, wat in veel gevallen optrad bij patiënten met anatomische (inclusief ileostomie 
of colostomie) of functionele gastro-intestinale aandoeningen met een verkorte passagetijd in 
het maag-darmkanaal. In verscheidene rapporten zijn binnen de context van diarree 
tabletresten gevonden. Het verdient aanbeveling dat patiënten die tabletresten in de ontlasting 
aantreffen en geen verbetering van hun aandoening bemerken overgaan op een ander 
claritromycinepreparaat (bv. suspensie) of een ander antibioticum. 
 
Speciale populatie: bijwerkingen bij immunogecompromitteerde patiënten (zie rubriek e). 
 
d. Pediatrische patiënten 
 
Bij kinderen van 6 maanden tot 12 jaar oud is klinisch onderzoek met een pediatrische 
suspensie claritromycine verricht. Daarom moet bij kinderen jonger dan 12 jaar een 
pediatrische suspensie claritromycine worden gebruikt. Er zijn onvoldoende gegevens 
beschikbaar om een doseringsregime voor het gebruik van een intraveneus preparaat 
claritromycine te geven voor patiënten jonger dan 18 jaar. 
Naar verwachting zijn de frequentie, de soort en de ernst van de bijwerkingen bij kinderen 
hetzelfde als bij volwassenen. 
 
e. Andere bijzondere populaties 
 
Immunogecompromitteerde patiënten 
 
Bij aids en andere immunogecompromitteerde patiënten die voor mycobacteriële infecties 
gedurende langere tijd met de hogere doses claritromycine werden behandeld was het vaak 
moeilijk om onderscheid te maken tussen bijwerkingen die het gevolg waren van toediening 
van claritromycine of die het gevolg waren van onderliggende tekenen van de ziekte humaan-
immunodeficiëntievirus (hiv) of van een intercurrente ziekte. 
 
Bij volwassen patiënten waren de meest gemelde bijwerkingen bij behandeling met een totale 
dagelijkse dosis van 1000 mg en 2000 mg claritromycine: misselijkheid, braken, 
smaakvervorming, buikpijn, diarree, huiduitslag, winderigheid, hoofdpijn, obstipatie, 
gehoorstoornis, verhoogde waarden voor SGOT (Serum Glutamic Oxaloacetic Transaminase) 
en SGPT (Serum Glutamic Pyruvate Transaminase). Andere bijwerkingen met een lage 
frequentie waren onder meer dyspneu, slapeloosheid en een droge mond. Bij patiënten die 
met 1000 mg en 2000 mg werden behandeld was de incidentie vergelijkbaar, maar bij 
patiënten die een totale dagelijkse dosis van 4000 mg claritromycine ontvingen, was de 
frequentie ongeveer 3 tot 4 maal zo groot. 
 
Bij deze immunogecompromitteerde patiënten werden de laboratoriumwaarden beoordeeld 
door het analyseren van die waarden die zich buiten het ernstig abnormale niveau (dat wil 
zeggen de extreem hoge of lage grens) voor de gespecificeerde test bevonden. Op basis van 
deze criteria had ongeveer 2% tot 3% van deze patiënten die dagelijks 1000 mg of 2000 mg 
claritromycine ontvingen ernstige abnormale verhoogde waarden voor SGOT en SGPT, en 
abnormaal lage aantallen witte bloedcellen en trombocyten. Een lager percentage patiënten in 
deze twee doseringsgroepen had ook een verhoogde waarde voor het ureumgehalte van het 
bloed. Een iets hogere incidentie van abnormale waarden voor alle parameters behalve witte 
bloedcellen werd opgemerkt bij patiënten die dagelijks 4000 mg ontvingen. 
 
4.9 Overdosering 
 
Uit meldingen blijkt dat de inname van grote hoeveelheden claritromycine naar verwachting 
gastro-intestinale symptomen veroorzaakt. Een patiënt met een bipolaire stoornis in de 
 
15

ziektegeschiedenis nam 8 gram claritromycine in en vertoonde een gewijzigde mentale status, 
paranoïde gedrag, hypokaliëmie en hypoxemie. 
Bijwerkingen die als gevolg van een overdosis optreden, moeten worden behandeld door een 
prompte eliminatie van nog niet geabsorbeerd geneesmiddel en het nemen van 
ondersteunende maatregelen. 
Net als bij andere macroliden worden de claritromycinewaarden in serum naar verwachting 
niet noemenswaardig beïnvloed door hemodialyse of peritoneale dialyse. 
 
 
5. FARMACOLOGISCHE 
EIGENSCHAPPEN 
 
5.1 Farmacodynamische 

eigenschappen 
 
ATC-indeling 
 
Farmacotherapeutische categorie: Anti-infectieus, ATC-code: J01FA09. 
 
Werking 
 
Claritromycine is een antibioticum dat tot de macrolide-antibiotica-familie behoort. Het 
oefent zijn antibacteriële werking uit door het remmen van de intracellulaire eiwitsynthese 
van hiervoor gevoelige bacteriën. Het bindt selectief aan de 50S-subeenheid van bacteriële 
ribosomen en voorkomt daarmee de translocatie van geactiveerde aminozuren. 
 
De 14(R)-hydroxymetaboliet claritromycine, een product van het metabolisme van de 
moederstof bij mensen, heeft ook een antimicrobiële werking. De metaboliet is bij de meeste 
organismen, inclusief Mycobacterium spp., minder actief dan de moederverbinding. Een 
uitzondering is waartegen de metaboliet 1 tot 2 maal actiever is dan 
de moederverbinding. Claritromycine toonde in combinatie met de metaboliet een stam-
afhankelijk additief of synergetisch effect, zowel in vitro als in vivo
 
Verband tussen farmacokinetiek en farmacodynamiek 
 
Claritromycine wordt in lichaamsweefsel en in lichaamsvocht uitgebreid gedistribueerd. 
Vanwege de hoge mate van weefselpenetratie zijn de intracellulaire concentraties hoger dan 
de concentraties in serum. 
De belangrijkste farmacodynamische parameters voor het voorspellen van de macrolide 
activiteit zijn niet afdoende vastgesteld. De tijd boven de MIC (T/MIC) kan het best 
correleren met de werkzaamheid van claritromycine, maar omdat de 
claritromycineconcentratie die in het weefsel van de luchtwegen en in het vocht op de 
epitheellaag wordt bereikt groter is dan de concentratie in plasma is het mogelijk dat het 
gebruik van parameters op basis van de plasmaconcentraties de respons voor 
luchtweginfecties niet goed voorspellen. 
Claritromycineconcentraties in tonsillen en het totale longweefsel zijn een factor 2 tot 6 hoger 
dan de concentraties die in het serum worden waargenomen. Hieronder worden de weefsel- en 
serumconcentraties weergegeven die in Abbott-onderzoek werden waargenomen bij gebruik 
van tabletten met directe afgifte. 
 
Gemiddelde claritromycineconcentratie [250 mg tweemaal daags] 
 
Weefseltype 
   Weefsel   Serum 
Tonsil 
    1,6 
μg/g   0,8 
μg/g 
Longen 
    8,8 
μg/g   1,7 
μg/g 
 
 
16

De farmacokinetiek van oraal toegediende claritromycinetabletten met verlengde afgifte (XR) 
is onderzocht bij volwassenen (zie rubriek 5.2) en vergeleken met claritromycinetabletten van 
250 mg and 500 mg met directe afgifte. Bij toediening van gelijke dagelijkse doses bleek de 
omvang van de absorptie – area under curve (AUC) â€“ hetzelfde te zijn. Van de equivalente 
AUC's zou worden verwacht dat deze de weefselconcentraties op gelijke hoogte zouden 
brengen met de hoogte die wordt waargenomen bij claritromycinetabletten met directe afgifte. 
 
In een onderzoek bij gezonde vrijwilligers is aangetoond dat de concentratie claritromycine in 
het vocht op de epitheellaag na toediening van het preparaat met verlengde afgifte gedurende 
24 uur hoger bleef dan 1 Î¼g/ml en gedurende maximaal 18 uur hoger bleef dan 10 Î¼g/ml. Bij 
de meeste proefpersonen was de concentratie claritromycine in het vocht op de epitheellaag 
ongeveer 30 maal hoger dan in plasma, en de verhouding leek onafhankelijk te zijn van de 
samenstelling en het tijdstip van beoordeling. Bij het preparaat met verlengde afgifte werd een 
piekweefselconcentratie boven 40 Î¼g/ml waargenomen, wat een uitgebreide opname van 
claritromycine in het longweefsel aantoonde. Dit niveau ligt ruim boven de MIC-waarden 
(minimum inhibitory concentration) van alle in de open bevolking opgelopen 
luchtwegpathogenen. 
 
Claritromycine stapelde uitgebreid in de alveolaire macrofagen (AM), met bij de meeste 
proefpersonen AM-waarden van ongeveer een factor 100 tot 600 hoger dan die in plasma en 
een factor 4 tot 18 hoger dan in het vocht op de epitheellaag. Terwijl concentraties 14(R)-
hydroxy-claritromycine in AM bij sommige proefpersonen niet kwantificeerbaar en nogal 
variabel waren, waren de AM-waarden gewoonlijk hetzelfde voor de tabletten met directe 
afgifte als voor de tabletten met verlengde afgifte. De concentraties in AM waren groter dan 
die in plasma, maar accumulatie was minder voor de metaboliet dan voor de moederstof 
claritromycine. 
 
Resistentiemechanisme 
 
Verworven macrolideresistentie in S. pneumoniaeS. pyogenes en S. aureus wordt primair 
gemedieerd door de aanwezigheid van een van twee mechanismen (te weten erm en mef of 
msr). 
 
Ribosomale binding van het antimicrobiële middel wordt voorkomen door methylering van 
het ribosoom door een enzym (erm). Een andere optie is dat een efflux-mechanisme (mef of 
msr) kan voorkomen dan het antimicrobiële middel het ribosomale doel bereikt door het 
antimicrobiële middel uit de cel te pompen. Bij Moraxella of Haemophilus spp. zijn geen 
verworven resistentiemechanismen vastgesteld. 
Macrolideresistentiemechanismen zijn even effectief tegen macroliden met 14-atomige ringen 
als tegen macroliden met 15-atomige ringen, inclusief erytromycine, claritromycine, 

macrolideresistentie zijn niet gerelateerd. 
 
Aandacht moet worden geschonken aan de erm-gemedieerde kruisresistentie tussen 
macroliden als claritromycine en lincosamides als lincomycine en clindamycine. 
 
Claritromycine antagoneert de bacteriële effecten van bètalactam-antibiotica. Ook de effecten 
van lincomycine en clindamycine worden geantagoneerd, op zijn minst in vitro
 
Breekpunten 
 
Voor claritromycine zijn door de European Committee for Antimicrobial Susceptibility 
Testing (EUCAST) de volgende breekpunten vastgesteld, waarbij onderscheid wordt gemaakt 
tussen vatbare organismen en resistente organismen. 
 
 
17

De huidige EUCAST-breekpunten zijn als volgt: 
EUCAST-breekpunten: macroliden, lincosamides, streptograminen - EUCAST klinische 
MIC-breekpunten 2010-04-27 (v 1.1) 
 
 
 
  
Stamgerelateerde breekpunten (S</R>) 
Niet 
 
stamg
 
  erelat
eerde 
 
 
 
breek
 
 
 
 
 
 
 
s
punte
s A,B,C,
n A 
 
(S</R
>) 
Pseudomonas 
Acinetobacter
H.influenzae 
Staphylococcus
Enterococcu
S.pneumoniae
M.catarr-halis
N.gonorrhoeae
N.meningitidis
Enterobacteriaceae
Streptococcu
Andere streptokokken
Gramnegatieve anaëroben
Grampositieve anaëroben
0,25 0,25
0,25
ClaritromycineB R
1/
1/32
,C
--  --  -- 
--

/  IE
/  -- -- --  -- 
IE 
 
D
2

0,5 0,5
0,5
  
                 
  
  
  
  
  
           
  
 
A. Niet-stamgerelateerde breekpunten zijn hoofdzakelijk bepaald op basis van 
farmacologische/farmacodynamische gegevens en zijn onafhankelijk van MIC-distributies 
van specifieke stammen. Ze zijn uitsluitend bedoeld voor gebruik bij stammen die niet in de 
tabel of in voetnoten worden genoemd. Echter, farmacodynamische gegevens voor de 
berekening van niet-stamgerelateerde breekpunten voor macroliden, lincosaminen en 
streptograminen zijn niet robuust, vandaar IE. 
B. Erytromycine kan worden gebruikt voor het bepalen van de vatbaarheid van de vermelde 

C. C



« Vorige
[Cefuroximnatrium Sandoz infuus 1.5, poeder voor oplossing voor intraveneuze infusie 1500 mg]
Volgende »
[Ceklatrin 500 mg filmomhulde tabletten met verlengde afgifte]