Bestanden
Home > Bestanden


Claritromycine Apotex 250 mg, filmomhulde tabletten

RegistratienummerRVG 34920
ProcedurenummerNL/H/1029/001
Farmaceutische vormFilmomhulde tablet
ToedieningswegOraal gebruik
ATCJ01FA09 - Clarithromycin
AfleverstatusUitsluitend recept
Registratiedatum18 maart 2008
Registratiehouder
Darwinweg 20
2333 CR LEIDEN
Werkzame stof(fen)
Hulpstof(fen)CELLULOSE, MICROKRISTALLIJN (E 460)


IJZEROXIDE GEEL (E 172)

MAGNESIUMSTEARAAT (E 572)
SILICIUMDIOXIDE (E 551)
TITAANDIOXIDE (E 171)
Download: IB-tekst PDF
Zie ook: Bijsluiter


1.3.1.1
SUMMARY OF PRODUCT CHARACTERISTICS

SAMENVATTING VAN DE PRODUCTKENMERKEN


1.

NAAM VAN HET GENEESMIDDEL




2.
KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

Claritromycine Apotex 250 mg:
Een filmomhulde tablet bevat 250 mg claritromycine.

Claritromycine Apotex 500 mg:
Een filmomhulde tablet bevat 500 mg claritromycine.

Voor een volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.

3. FARMACEUTISCHE
VORM

Filmomhulde tablet.

Claritromycine Apotex 250 mg:
Lichtgele, ovale, filmomhulde tabletten voorzien van de inscriptie "CLA250" aan de ene zijde en
"APO" aan de andere zijde.

Claritromycine Apotex 500 mg:
Lichtgele, capsulevormige, filmomhulde tabletten voorzien van de inscriptie "CLA500" aan de ene
zijde en "APO" aan de andere zijde.

4. KLINISCHE
GEGEVENS

4.1 Therapeutische
indicaties

Claritromycine is geïndiceerd voor de behandeling van de volgende acute en chronische bacteriële
infecties, indien veroorzaakt door organismen die gevoelig zijn voor claritromycine.
- infecties van de bovenste luchtwegen, zoals tonsillitis/faryngitis, als alternatief wanneer -lactam
antibiotica niet geschikt zijn.
- acute otitis media bij kinderen.
- infecties van de onderste luchtwegen, zoals pneumonie opgelopen buiten het ziekenhuis.
- sinusitis en acute exacerbatie van chronische bronchitis bij volwassenen en adolescenten ouder
dan 12 jaar.
- huidinfecties en infecties van weke delen van milde tot gemiddelde hevigheid.
- in een passende combinatie met een antibacteriële behandeling en een geschikt ulcer-helend

met Helicobacter pylori (zie rubriek 4.2).

Er dient rekening te worden gehouden met de officiële richtlijnen met betrekking tot het correcte
gebruik van antibacteriële middelen inclusief nationale en locale richtlijnen.


11dec08
1 / 13

4.2 Dosering en wijze van toediening

Dosering
De dosering van claritromycine is afhankelijk van het type en de ernst van de infectie en dient altijd
vastgesteld te worden door een arts.

Volwassenen en adolescenten (inclusief ouderen)
Standaarddosis: de gebruikelijke dosis is 250 mg tweemaal daags (`s morgens en `s avonds).
Hoog gedoseerde behandeling (bij ernstige infecties): de gebruikelijke dosis kan verhoogd worden tot
500 mg tweemaal daags bij ernstige infecties.

Eradicatie van Helicobacter pylori bij volwassenen
Bij patiënten met gastroduodenale ulcera veroorzaakt door een Helicobacter pylori infectie, wordt
claritromycine als onderdeel van de eerstelijns-triple-therapie toegediend in een dosering van 500 mg
tweemaal daags. Er dient rekening te worden gehouden met de nationale aanbevelingen voor
Helicobacter pylori eradicatie.

Dosering bij renale insufficiëntie
Doorgaans zijn dosisaanpassingen niet noodzakelijk, behalve in patiënten met ernstige renale
insufficiëntie (creatinineklaring < 30 ml/min (< 0,5 ml/s)). Indien aanpassing van de dosering nodig
is, moet de totale dagdosis gehalveerd worden, b.v. 250 mg eenmaal daags of 250 mg tweemaal daags
bij meer ernstige infecties. Deze patiënten mogen niet langer dan 14 dagen worden behandeld.

Kinderen tot 12 jaar oud:
De aanbevolen dosis is 7,5 mg/kg tweemaal daags ('s morgens en 's avonds).

Gewicht Dosering
30 - 40 kg
250 mg tweemaal daags

Claritromycine in de vorm van tabletten is niet geschikt voor kinderen onder de 12 jaar met een
lichaamsgewicht van minder dan 30 kg. Andere farmaceutische vormen zijn meer geschikt voor deze
patiënten.

Voor de indicatie pneumonie opgelopen buiten het ziekenhuis is geen effectiviteit vastgesteld bij
kinderen jonger dan 3 jaar.

Bij renale insufficiëntie, met name wanneer de creatinineklaring < 30 ml/min (< 0,5 ml/s) is, moet de
dosering worden gehalveerd, d.w.z. 7,5 mg/kg eenmaal daags, en de duur van de behandeling mag
niet langer zijn dan 14 dagen.

Duur van de behandeling
De duur van de behandeling met claritromycine is afhankelijk van het type en de ernst van de infectie
en moet altijd worden vastgesteld door een arts.
- De gebruikelijke duur van de behandeling bij kinderen is 5 tot 10 dagen.
- De gebruikelijke duur van de behandeling bij volwassenen en adolescenten is 6 tot 14 dagen.
- De therapie dient na het verdwijnen van de symptomen voor ten minste twee dagen te worden
gecontinueerd.
- Bij Streptococcus pyogenes (als bèta-haemolytische streptococcen-) infecties dient de therapie ten
minste 10 dagen te duren.
- Combinatietherapie voor de eradicatie van een Helicobacter pylori infectie, bijvoorbeeld 500 mg



11dec08
2 / 13


Wijze van toediening
De tabletten moeten worden doorgeslikt met tenminste een half glas water.
Claritromycine kan onafhankelijk van voedsel worden ingenomen. Voedsel is niet van invloed op de
biologische beschikbaarheid. Voedsel vertraagt slechts enigszins het begin van de absorptie van
claritromycine.

4.3 Contra-indicaties

- Claritromycine dient niet gebruikt te worden bij patiënten met een overgevoeligheid voor
claritromycine, voor andere macrolide antibiotica of voor één van de hulpstoffen.
- Claritromycine dient niet gelijktijdig te worden toegediend met ergotderivaten (zie rubriek 4.5).
- Gelijktijdige toediening van claritromycine en één van de volgende actieve bestanddelen is


tegelijkertijd met claritromycine kregen toegediend. Dit kan resulteren in een verlenging van het
QT-interval en hartarritmieën, inclusief ventriculaire tachycardie, ventrikelfibrilleren en torsade
de pointes. Soortgelijke effecten zijn waargenomen bij gelijktijdige toediening van astemizol en
andere macroliden (zie rubriek 4.5).
- Claritromycine mag niet gebruikt worden bij patiënten met ernstige leverinsufficiëntie in
combinatie met nierinsufficiëntie.
- Claritromycine mag niet gebruikt worden bij patiënten met hypokaliëmie (verlenging van het QT-
interval, zie rubriek 4.4)

4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Claritromycine wordt voornamelijk door de lever uitgescheiden. Daarom dient voorzichtigheid te
worden betracht bij het toedienen van claritromycine aan patiënten met een milde tot matige
leverinsufficiëntie, met name bij patiënten met nierinsufficiëntie (zie ook rubriek 4.3).

Bij een slechte nierfunctie dient de dosis te worden verlaagd, afhankelijk van de mate van
nierinsufficiëntie (zie rubriek 4.2). Bij oudere patiënten dient met mogelijke nierinsufficiëntie
rekening gehouden te worden.

Claritromycine therapie voor H. pylori kan geneesmiddelresistente organismen ontwikkelen.


claritromycine. Voorzichtigheid dient daarom te worden betracht bij het voorschrijven van
claritromycine bij deze patiënten.

Langdurig of herhaaldelijk gebruik van claritromycine kan leiden tot superinfecties met niet-gevoelige
micro-organismen. In geval van superinfectie dient de behandeling met claritromycine te worden
gestaakt.

Pseudomembraneuze colitis is gerapporteerd bij gebruik van breedspectrum-antibiotica. De diagnose
ervan dient derhalve overwogen te worden bij patiënten die ernstige diarree ontwikkelen gedurende of
na de behandeling met claritromycine.

Net als andere macroliden kan claritromycine exacerbatie of verergering van myasthenia gravis
uitlokken. Daarom dient het met voorzichtigheid te worden toegediend aan patiënten met myasthenia
gravis.

Vanwege het risico op verlenging van het QT-interval dient claritromycine met voorzichtigheid
gebruikt te worden bij patiënten met ischemische hartziekten, ventriculaire arritmie, ernstige
hartinsufficiëntie, niet gecorrigeerde hypomagnesiëmie, bradycardie (< 50 slagen/min) of bij
11dec08
3 / 13


gelijktijdige toediening van andere geneesmiddelen met een QT-interval verlengend effect.
Claritromycine dient niet te worden gebruikt bij patiënten met aangeboren of bekende verworven QT-
interval verlenging (zie rubriek 4.5).

Claritromycine dient met voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten die behandeld worden met
CYP3A4 inducerende geneesmiddelen (zie rubriek 4.5).

Claritromycine is remmer van CYP3A4 en gelijktijdig gebruik met andere geneesmiddelen die voor
een groot deel door dit enzym worden gemetaboliseerd dient beperkt te blijven tot die situaties waarbij
het duidelijk geïndiceerd is (zie rubriek 4.5).

Claritromycine remt de afbraak van sommige HMG-CoA reductase-remmers hetgeen kan leiden tot
verhoogde plasmaconcentraties van deze geneesmiddelen (zie rubriek 4.5).

4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

Effecten van andere geneesmiddelen op claritromycine filmomhulde tabletten
Claritromycine wordt gemetaboliseerd door het enzym CYP3A4. Daarom kunnen sterke remmers van
dit enzym het metabolisme van claritromycine remmen, met verhoogde claritromycine plasmaspiegels
als gevolg.


bij gelijktijdige toediening is geen doseringsaanpassing noodzakelijk. Verhoogde plasmaconcentraties

Aanpassing van de dosering is niet nodig.


(tweemaal daags 500 mg) wordt geremd met een toename van de Cmax, de Cmin en de AUC van
respectievelijk 31, 182 en 77% bij gelijktijdige toediening van ritonavir. Vorming van de actieve
metaboliet 14-[R]-hydroxy-claritromycine werd bijna volledig geremd. Een verlaging van de dosering
is niet noodzakelijk bij patiënten met een normale nierfunctie, maar de dagelijkse dosis van
claritromycine dient de 1 gram niet te overschrijden. Verlaging van de dosering dient wel overwogen
te worden bij patiënten met verminderde nierfunctie. Bij patiënten met een creatinineklaring van 30 -
60 ml/min (0,5 - 1 ml/s) dient de dosering van claritromycine verminderd te worden met 50%, en bij
een creatinineklaring van < 30 ml/min (< 0,5 ml/s) dient de dosering te worden verminderd met 75%.


Janskruid) kunnen het metabolisme van claritromycine induceren. Dit kan leiden tot subtherapeutische
spiegels van claritromycine die de werkzaamheid verminderen. Wanneer behandeling met
claritromycine duidelijk aangewezen is, kan het noodzakelijk zijn de dosering van claritromycine te
verhogen en de werkzaamheid en veiligheid van claritromycine zorgvuldig te bewaken. Voorts kan
bewaking van de plasmaspiegels van de CYP3A4 inductor noodzakelijk zijn omdat die verhoogd kan
zijn als gevolg van de remming van CYP3A4 door claritromycine (zie ook de Samenvatting van de
Productkenmerken van de betreffende CYP3A4 inductor).


rifabutine en een afname van de claritromycine serumspiegels, en tot een toename van het risico op
uveïtis.

Een 39% afname in AUC van claritromycine en een 34% toename in AUC van de actieve 14-OH-
hydroxymetaboliet is gerapporteerd bij gelijktijdig gebruik van claritromycine met de CYP3A4-


Interactie met eradicatie van Helicobacter pylori regimes
11dec08
4 / 13



gelijktijdig worden ingenomen, is geen aanpassing van de dosering noodzakelijk. Bij de aanbevolen

plasmaconcentraties van claritromycine kunnen ook voorkomen indien het gelijktijdig met antacida of

farmacokinetische interacties met relevante antibiotica die worden gebruikt bij H. pylori eradicatie
therapie.

Effect van claritromycine op andere geneesmiddelen
Claritromycine is een remmer van het afbraakenzym CYP3A4 en het transporteiwit P-glycoproteïne.
De mate van remming ten aanzien van verschillende CYP3A4-substraten is nauwelijks te voorspellen.
Daarom dient claritromycine niet te worden gebruikt gedurende de behandeling met andere
geneesmiddelen die substraat zijn van CYP3A4, tenzij de plasmaspiegels, het therapeutisch effect of
de bijwerkingen van het CYP3A4-substraat nauwgezet bewaakt kunnen worden. Een verlaging van de
dosering kan nodig zijn voor geneesmiddelen die substraat zijn voor CYP3A4 bij gelijktijdige
toediening van claritromycine. Als alternatief kan de behandeling met deze geneesmiddelen
gedurende de behandeling met claritromycine tijdelijk worden gestaakt.

Geneesmiddelen die het QT-interval kunnen verlengen

met voor terfenadine een 2- tot 3-voudige toename van plasmaspiegels. Dit is in verband gebracht met
verlenging van het QT-interval en hartarritmieën met inbegrip van ventriculaire tachycardie,
ventrikelfibrilleren en torsades de pointes. Dezelfde symptomen zijn beschreven bij patiënten die
behandeld werden met pimozide in combinatie met claritromycine. Gelijktijdig gebruik van
claritromycine en terfenadine, cisapride, pimozide of astemizol is gecontraindiceerd (zie rubriek 4.3).

Gevallen van torsades de pointes zijn gemeld bij patiënten die claritromycine samen met kinidine of


noodzakelijk zijn. Voorzichtigheid is geboden bij behandeling van patiënten met claritromycine die
tevens andere middelen krijgen die het QT-interval kunnen verlengen (zie sectie 4.4).

HMG-CoA reductase-remmers
Claritromycine remt het metabolisme van sommige HMG-CoA reductase-remmers met verhoogde
plasmaspiegels van deze geneesmiddelen als gevolg. Zeldzame gevallen van rhabdomyolyse in
samenhang met verhoogde plasmaspiegels zijn gerapporteerd bij patiënten die behandeld werden met



symptomen van spierschade.

Ergot vaatvernauwers (zoals dihydroergotamine, ergotamine)
Gevallen van ergotisme als gevolg van verhoogde plasmaspiegels van ergotalkaloïden zijn gemeld
wanneer deze geneesmiddelen werden toegediend met macroliden. De combinatie is
gecontraindiceerd (zie rubriek 4.3).

Benzodiazepines


midazolam en een 7-voudige na orale toediening van midazolam. Gelijktijdige toediening van
midazolam tabletten en claritromycine dient te worden vermeden. Indien midazolam i.v. gelijktijdig
wordt toegediend met claritromycine, dient de patiënt nauwlettend te worden bewaakt. Aanpassing
van de dosering kan nodig zijn. Dezelfde voorzorgsmaatregelen dienen ook in acht te worden
genomen ten aanzien van andere benzodiazepines die gemetaboliseerd worden door CYP3A4, met
11dec08
5 / 13




waarschijnlijk.





claritromycine bij patiënten die behandeld worden met elk van deze immunosuppressiva dienen de
ciclosporine-, tacrolimus- of sirolimusspiegels nauwgezet bewaakt te worden en de dosering verlaagd
indien nodig. Wanneer de behandeling met claritromycine bij deze patiënten wordt gestaakt is
nauwgezette controle van de plasmaspiegels van ciclosporine, tacrolimus of sirolimus opnieuw
noodzakelijk om de dosis zo nodig weer aan te passen.


Claritromycine is een krachtige remmer van het transporteiwit P-glycoproteïne (Pgp). Dit kan
resulteren in verhoogde plasmaconcentraties van actieve bestanddelen die door deze transporter
worden getransporteerd. Het kan ook de verdeling van deze actieve bestanddelen doen toenemen naar
organen met Pgp als een distributiebarrière, zoals het centrale zenuwstelsel. De concentratie van het
Pgp substraat digoxine kan worden verhoogd indien het gelijktijdig met claritromycine wordt
toegediend. Controle van de plasmaspiegels van digoxine dient te worden overwogen wanneer
comedicatie met claritromycine wordt gestart of beëindigd, aangezien een dosisaanpassing
noodzakelijk kan zijn.

Theofylline
De toediening van claritromycine aan patiënten die theofylline krijgen is geassocieerd met een
toename van de theofylline serumspiegels met kans op theofylline toxiciteit.

Warfarine
Het gebruik van claritromycine bij patiënten die warfarine gebruiken kan leiden tot een versterkt
anticoagulerend effect. Bij deze patiënten dient daarom de protrombine tijd regelmatig gecontroleerd
te worden.


Gelijktijdige orale toediening van claritromycine tabletten en zidovudine aan met HIV geïnfecteerde
volwassen patiënten kan leiden tot verminderde steady state zidovudine spiegels. Aangezien het
waarschijnlijk is dat claritromycine de absorptie van gelijktijdig toegediend zidovudine remt kan dit
grotendeels voorkomen worden door claritromycine en zidovudine gescheiden in te nemen met een
tussenpoos van 1 - 2 uur. Bij kinderen is een dergelijke interactie tussen claritromycine en zidovudine
niet aangetoond.

4.6 Zwangerschap en borstvoeding

Zwangerschap
Gegevens over het gebruik van claritromycine tijdens het eerste trimester van meer dan 200
zwangerschappen hebben geen aanwijzingen van teratogene effecten opgeleverd, of van nadelige
effecten op de gezondheid van de pasgeborene. Gegevens van een beperkt aantal zwangere vrouwen
die gedurende het eerste trimester waren blootgesteld, geven een mogelijk verhoogde kans op abortus
aan. Tot op heden zijn er geen andere relevante epidemiologische gegevens beschikbaar. Gegevens uit
dierproeven toonden de aanwezigheid van reproductietoxiciteit aan (zie rubriek 5.3). De kans daarop
bij mensen is niet bekend. Claritromycine mag alleen worden gebruikt tijdens de zwangerschap na een
zorgvuldige afweging van het voordeel en de risico's.

Borstvoeding
11dec08
6 / 13


Claritromycine en zijn actieve metaboliet worden in de moedermelk uitgescheiden. Aangezien diarree
en schimmelinfecties van de slijmvliezen kunnen ontstaan bij de baby die gezoogd wordt kan het
nodig zijn dat het geven van borstvoeding wordt gestaakt. Er moet tevens rekening gehouden worden
met een mogelijke sensibilisatie. Claritromycine mag daarom alleen worden gebruikt als de voordelen
voor de moeder opwegen tegen de potentiële risico's voor de baby.

4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen

Er zijn geen studies gedaan naar het effect van claritromycine op de rijvaardigheid en op het
vermogen om machines te bedienen. Bij het uitoefenen van deze activiteiten dient rekening gehouden
te worden met mogelijke bijwerkingen zoals duizeligheid, draaierigheid, verwardheid en desoriëntatie.

4.8 Bijwerkingen

De meest frequent gemelde bijwerkingen bij volwassenen die claritromycine tabletten innamen waren
diarree (3%), misselijkheid (3%), smaakstoornissen (3%), dyspepsie (2%), buikpijn/onbehaaglijk
gevoel in de buik (2%) en hoofdpijn (2%).

In deze sectie zijn de bijwerkingen als volgt gedefinieerd:
- Zeer vaak ( 1/10)
- Vaak ( 1/100 maar < 1/10)
- Soms ( 1/1000 maar < 1/100)
- Zelden ( 1/10.000 maar < 1/1000)
- Zeer zelden (< 1/10.000)
- Onbekend (kan niet worden geschat uit de beschikbare gegevens).

Onderzoeken
Vaak: Verhoogde
BUN.
Soms:
Verlenging van de protrombinetijd, verhoogd serumcreatinine, abnormale
leverfunctietesten (verhoogde transaminasespiegels).
Zeer zelden: Hypoglykemie is waargenomen, vooral na gelijktijdig gebruik van orale antidiabetica


Hartaandoeningen
Zeer zelden: Verlenging QT-interval, ventriculaire tachycardie, torsades de pointes.

Bloed- en lymfestelselaandoeningen
Soms: Leukopenie.
Zeer zelden: Trombocytopenie.

Zenuwstelselaandoeningen
Vaak: Hoofdpijn,
reukverandering.
Zeer zelden: Duizeligheid, vertigo, paresthesieën, convulsies.

Evenwichtsorgaan- en ooraandoeningen
Zelden: Tinnitus.
Zeer zelden: Reversibel gehoorverlies.

Maagdarmstelselaandoeningen
Vaak:
Misselijkheid, diarree, braken, pijn in het abdomen, dyspepsie, stomatitis, glossitis,
reversibele verkleuring van de tong of de tanden, smaakstoornissen, namelijk
metaalachtige of bittere smaak.
Zeer
zelden: Pancreatitis. Pseudomembraneuze colitis die kan variëren van mild tot
levensbedreigend.
11dec08
7 / 13



Nier- en urinewegaandoeningen
Zeer zelden: Interstitiële nefritis, nierfalen

Huid- en onderhuidaandoeningen
Zeer zelden: Stevens-Johnson-syndroom en toxische epidermale necrolyse.

Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen
Soms: Arthralgie,
myalgie.

Infecties en parasitaire aandoeningen
Vaak: Orale
candidiasis.

Zoals bij andere antibiotica kan langdurig gebruik leiden tot overgroei van niet
gevoelige organismen.

Immuunsysteemaandoeningen
Soms:
Allergische reacties variërend van urticaria en milde huiderupties tot anafylaxie.

Lever- en galaandoeningen
Soms:
Leverfunctiestoornissen, die meestal voorbijgaand en reversibel zijn, hepatitis en
cholestase met of zonder geelzucht.
Zeer zelden: Fataal leverfalen is gemeld met name bij patiënten met bestaande leverziekte of die
andere hepatotoxische geneesmiddelen gebruikten.

Psychische stoornissen
Zeer zelden: Angst, slapeloosheid, hallucinaties, psychosen, desoriëntatie en depersonalisatie,
nachtmerries, verwardheid.

4.9 Overdosering

Symptomen van intoxicatie:
Er zijn meldingen dat de inname van grote hoeveelheden claritromycine gastro-intestinale symptomen
veroorzaakt. Symptomen van overdosering komen grotendeels overeen met het bijwerkingenprofiel.
Een patiënt met een bipolaire stoornis in de anamnese nam 8 gram claritromycine in en vertoonde een
veranderde gemoedstoestand, paranoïd gedrag, hypokaliëmie en hypoxemie.

Behandeling van intoxicatie:
Er is geen specifiek antidotum bij overdosering. Serumspiegels van claritromycine kunnen niet
worden verlaagd middels hemodialyse of peritoneaaldialyse.

De met een overdosering gepaard gaande bijwerkingen dienen behandeld te worden middels
maagspoelen en ondersteunende maatregelen. Ernstige acute allergische reacties, zoals anafylactische
shock, kunnen in zeldzame gevallen optreden. Bij de eerste verschijnselen van
overgevoeligheidsreacties dient de behandeling met claritromycine te worden gestaakt en passende
maatregelen dienen onmiddellijk te worden genomen.


5. FARMACOLOGISCHE
EIGENSCHAPPEN

5.1 Farmacodynamische
eigenschappen

Farmacotherapeutische groep: macroliden
ATC code: J01F A09

11dec08
8 / 13


Werkingsmechanisme:

uitgeoefend door te binden aan de 50s ribosomale sub-unit van gevoelige bacteriën en door
onderdrukking van de RNA-afhankelijke bacteriële eiwitsynthese. Het middel is uiterst effectief tegen
een breed scala aan aerobe en anaerobe gram-positieve en gram-negatieve organismen. De minimale
remmende concentraties (MIC's) van claritromycine zijn doorgaans een factor twee lager dan die van

De 14-hydroxy-metaboliet van claritromycine heeft ook een antimicrobiële werking. De MIC's van
deze metaboliet zijn gelijk aan of tweemaal zo hoog als die van de oorspronkelijke stof, behalve bij
H. influenzae, waar de 14-hydroxy-metaboliet tweemaal zo actief is als de oorspronkelijke stof.

Resistentiemechanismen:
Resistentie tegen macrolide antibiotica wordt gemedieerd door een verandering van bindingsplaats
van het macrolide, een wijziging van het antibioticum en/of een actieve efflux van het antibioticum.
De resistentie kan worden teweeggebracht door chromosomen of plasmiden, geïnduceerd worden of
constitutief bestaan. In macrolide-resistente bacteriën worden enzymen gemaakt die leiden tot
methylering van adenine op het ribosomale RNA. Claritromycine is een sterke inductor van dit
enzym. Als gevolg daarvan wordt de binding van het antibioticum aan de 50s ribosomale sub-unit
geremd. Door methylering van deze 50s ribosomale sub-unit bindingsplaats zijn macrolide-resistente
micro-organismen in het algemeen kruisresistent tegen lincosamides (bijv. lincomycine) en
streptogramine B. Ook bestaat de mogelijkheid van kruisresistentie tussen claritromycine en andere


Daarnaast hebben macroliden een bacteriostatische werking doordat ze de peptidyltransferase van
ribosomen remmen.

De meeste methicilline resistente stafylokokken stammen en penicilline resistente
Streptococcus pneumoniae zijn ook resistent tegen macroliden zoals claritromycine.

Superinfectie met andere resistente micro-organismen kan optreden na behandeling van gevoelige
pathogenen met claritromycine.

Breekpunten
Door de Clinical Laboratory Standards Insitute (CLSI, voorheen NCCLS) zijn in 2004 de volgende
gevoeligheidsbreekpunten bepaald voor claritromycine:
- Stafylococcus spp.:
2 g/ml - gevoelig, 8 g/ml - resistent
- :
8 g/ml - gevoelig, 32 g/ml - resistent
- Streptococcus pneumoniae:
0.25 g/ml - gevoelig, 1 g/ml - resistent


- Streptococcus spp., anders dan S. pneumoniae:
0.25 g/ml - gevoelig, 1 g/ml - resistent
- Helicobacter pylori:
0.25 g/ml - gevoelig, 1 g/ml - resistent

De prevalentie van verworven resistentie kan geografisch en in de tijd variëren voor bepaalde
stammen. Lokale informatie over resistentie is derhalve wenselijk, in het bijzonder wanneer ernstige
infecties worden behandeld. Waar nodig dient advies van een expert te worden gezocht wanneer de
locale prevalentie van resistentie zodanig is dat de geschiktheid van het middel in ten minste sommige
typen infecties twijfelachtig is.

Stammen die meestal gevoelig zijn
Aërobe gram-positieve micro-organismen
Streptococcus groep A
Streptococcus groep B
Streptococcus
groep C, F, G
Aërobe gram-negatieve micro-organismen
11dec08
9 / 13


Legionella spp.
Moraxella catarrhalis
Pasteurella multocida
Anaërobe micro-organismen
Bacteriodes spp.
Clostridium
spp., anders dan Clostridium difficile
Fusobacterium
spp.
Peptococcus / Peptostreptococcus
spp.
Overige micro-organismen
Chlamydia pneumonia
Chlamydia trachomatis
Mycoplasma pneumoniae
Stammen waarvoor verkregen resistentie een probleem kan opleveren
Aërobe gram-positieve micro-organismen
Staphylococcus aureus (methicilline-gevoelig)
Streptococcus pneumoniae*
Aërobe gram-negatieve micro-organismen
Haemophilus influenzae
Helicobacter pylori
Inherent resistente organismen
Aërobe gram-positieve micro-organismen
Enterococcus spp.
Staphylococcus aureus (methicilline-resistent of erytromycine-resistent)
Overige micro-organismen
Mycobacterium tuberculosis
* voor commentaar aangaande de resistentie: zie 'Resistentiemechanismen'.

Overige informatie
Gevoeligheid en resistentie van Streptococcus pneumoniae en Streptococcus spp. voor claritromycine
kunnen worden voorspeld door testen met erytromycine.
De meeste beschikbare klinische gegevens uit gecontroleerde gerandomiseerde klinische studies
demonstreren dat met claritromycine 500 mg tweemaal daags in combinatie met een ander

dosering) gedurende 7 dagen, meer dan 80% eradicatie van H. pylori bereikt wordt bij patiënten met
gastro-duodenale zweren. Zoals verwacht werd een significant lagere eradicatie gezien in patiënten

van resistentie en met lokale therapeutische richtlijnen rekening dient te worden gehouden bij de keus
voor een geschikte combinatietherapie voor eradicatie van H. pylori. Verder dient bij patiënten met
persisterende infecties rekening te worden gehouden met de mogelijke ontwikkeling van secundaire
resistentie (bij patiënten met primair gevoelige stammen) voor een antimicrobieel middel indien
opnieuw behandeld wordt.

5.2 Farmacokinetische
eigenschappen

Absorptie
Na orale toediening wordt claritromycine snel en goed uit het maagdarmkanaal geabsorbeerd - vooral
uit het duodenum - maar het middel ondergaat een uitgebreid first-pass metabolisme. De absolute
biologische beschikbaarheid is ongeveer 50%. Voedsel vertraagt de absorptie enigszins, maar heeft
geen invloed op de biologische beschikbaarheid. Daarom kunnen claritromycine tabletten
onafhankelijk van de maaltijd worden gegeven.

Door de chemische structuur (6-O-methylerytromycine) wordt claritromycine niet afgebroken door
maagzuur.
11dec08
10 / 13



Na orale toediening bij volwassenen werden maximale claritromycine plasmaconcentraties
waargenomen van 1 - 2 g/ml (tweemaal daags 250 mg) en 2,8 g/ml (tweemaal daags 500 mg). De
maximale plasmaconcentratie van de actieve metaboliet 14-hydroxyclaritromycine was respectievelijk
0,6 g/ml (tweemaal daags 250 mg) en 0,83 tot 0,88 g/ml (tweemaal daags 500 mg). De
farmacokinetiek van claritromycine is niet-lineair, maar de steady-state claritromycine
plasmaconcentratie wordt binnen 2 tot 3 dagen na toediening bereikt.

Distributie
Claritromycine dringt goed in de diverse compartimenten door. Bij volwassenen wordt het
distributievolume geschat op 200 - 400 l. In weefsels bereikt claritromycine concentraties die
verscheidene malen hoger liggen dan die in de circulatie. Zowel in de tonsillen als in longweefsel zijn
verhoogde concentraties waargenomen. Claritromycine dringt ook door in het maagslijmvlies.

Bij therapeutische concentraties is claritromycine voor ongeveer 80% gebonden aan plasma-eiwitten.

Biotransformatie en eliminatie
Claritromycine wordt snel en in grote mate door de lever gemetaboliseerd door het cytochroom P-450
enzymsysteem. Metabolisme omvat voornamelijk N-dealkylatie, oxidatie en stereospecifieke
hydroxylatie op positie C14.

De farmacokinetiek van claritromycine is niet-lineair ten gevolge van verzadiging van het
metabolisme in de lever bij hoge doses. Na orale toediening neemt de eliminatiehalfwaardetijd toe van
2 ­ 4 uur na toediening van 250 mg claritromycine tweemaal daags tot 5 uur na toediening van 500
mg claritromycine tweemaal daags. Na orale toediening van 250 mg claritromycine tweemaal daags
was de halfwaardetijd van de actieve metaboliet 14-hydroxyclaritromycine 5 - 6 uur.

Na orale toediening van radioactief gelabeld claritromycine werd 70 - 80% van de radioactiviteit
gevonden in de feces. Ongeveer 20 - 30% van de hoeveelheid claritromycine wordt onveranderd
uitgescheiden in de urine. Dit percentage neemt toe bij toename van de dosis. Bij patiënten met
nierinsufficiëntie kunnen claritromycine plasmaconcentraties stijgen als de dosering niet wordt
verlaagd.

De totale plasmaklaring van claritromycine is ongeveer 700 ml/min (11,7 ml/s), met een renale klaring
van ongeveer 170 ml/min (2,8 ml/s).

Verminderde nierfunctie:
Bij patiënten met een verminderde nierfunctie is een toename waargenomen van de plasmaspiegels
van claritromycine en haar actieve metaboliet.

5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek

Bij studies van 4 weken met herhaalde toediening bij dieren bleek de toxiciteit van claritromycine
gerelateerd te zijn aan de dosis en aan de duur van de behandeling. Bij alle soorten werden de eerste
tekenen van toxiciteit in de lever gezien, waarbij binnen 14 dagen laesies werden waargenomen bij
honden en apen. De met deze toxiciteit samenhangende systemische plasmaspiegels zijn niet bekend,
maar toxische doseringen (300 mg/kg/dag) waren hoger dan de aanbevolen therapeutische dosering
voor de mens.


bijna therapeutische doses trad alleen in honden conjunctivale injectie en lacrimatie op. Bij een dosis
van 400 mg/kg/dag ontwikkelden sommige honden en apen corneale opaciteiten en/of oedeem.

Er werden geen mutagene effecten gezien in in vitro en in vivo studies met claritromycine.
11dec08
11 / 13



Onderzoeken naar reproductietoxiciteit toonden aan dat de toediening van claritromycine aan
konijnen (in doseringen van tweemaal de aanbevolen humane klinische dosering) en apen (in
doseringen van tienmaal de aanbevolen humane klinische dosering) leidde tot een verhoogde
incidentie van spontane abortussen. Deze doseringen waren duidelijk gerelateerd aan maternale
toxiciteit. In teratogeniciteitsstudies met ratten is geen embryotoxiciteit of teratogeniciteit veroorzaakt
door claritromycine waargenomen. Wel werden cardiovasculaire misvormingen gezien bij ratten
behandeld met doseringen van 150 mg/kg/dag. In studies met muizen trad gespleten verhemelte op
met verschillende mate van incidentie (3 - 30%) bij doseringen van 70 maal de aanbevolen humane
klinische dosering.

Claritromycine werd aangetroffen in de melk van lacterende dieren.

In 3-dagen oude muizen en ratten waren de LD50 waarden ongeveer de helft van die in volwassen
dieren. Jonge dieren vertoonden vergelijkbare toxiciteitsprofielen als volwassen dieren alhoewel in
enkele studies verhoogde nefrotoxiciteit is gerapporteerd bij neonatale ratten. Ook zijn geringe
reducties in erytrocyten, trombocyten en leucocyten waargenomen bij jonge dieren.

Claritromycine is niet getest op carcinogeniciteit.

6. FARMACEUTISCHE
GEGEVENS

6.1 Lijst van hulpstoffen

Tablet kern:
Croscarmellosenatrium (E468)
Microkristallijne cellulose PH 102
Magnesiumstearaat (E572)
Watervrij colloïdaal silicium (E551)

Tabletomhulling:
Hypromellose 2910 E5 (E464)
Macrogol 8000
Titaniumdioxide (E171)
Geel ijzeroxide (E172)

6.2 Gevallen van onverenigbaarheid

Niet van toepassing.

6.3 Houdbaarheid

2 jaar

6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

Bewaren beneden 30°C.

6.5 Aard en inhoud van de verpakking

Claritromycine Apotex 250 mg: Blisterverpakkingen (PVC/PVdC) met 12 en 14 filmomhulde
tabletten.
Claritromycine Apotex 500 mg: Blisterverpakkingen (PVC/PVdC) met 14 filmomhulde tabletten.

11dec08
12 / 13


Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.

6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen

Geen bijzondere vereisten.

7.
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

Apotex Europe B.V.
Darwinweg 20
2333 CR Leiden

8.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

Claritromycine Apotex 250 mg: RVG 34920
Claritromycine Apotex 500 mg: RVG 34921

9.
DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/HERNIEUWING VAN
DE VERGUNNING


18 maart 2008

10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST

Laatste gedeeltelijke herziening betreft rubriek 7: 16 februari 2009.
11dec08
13 / 13






« Vorige
[Claritromycine Actavis 500 mg, filmomhulde tabletten]
Volgende »
[Claritromycine Apotex 250 mg, filmomhulde tabletten]