Bestanden
Home > Bestanden


Glucose 10 %, oplossing voor infusie, 100 g/l

RegistratienummerRVG 106110
ProcedurenummerUK/H/1839/001
Farmaceutische vormOplossing voor infusie
ToedieningswegParenteraal
ATCB05BA03 - Carbohydrates
AfleverstatusUitsluitend recept
Registratiedatum02 augustus 2010
RegistratiehouderBaxter B.V.
Kobaltweg 49
3542 CE UTRECHT
Werkzame stof(fen)GLUCOSE 1-WATER
SAMENSTELLING
overeenkomend met
GLUCOSE 0-WATER
Hulpstof(fen)WATER, GEZUIVERD
Download: IB-tekst PDF
Zie ook: Bijsluiter


Glucose 10 % 
Baxter B.V. 
Deel IB1 
1/9 
 
1. NAAM 
VAN 
HET 
GENEESMIDDEL 
 
Glucose 10 %, oplossing voor infusie, 100 g/l. 
 
 
2. KWALITATIEVE 
EN 
KWANTITATIEVE 
SAMENSTELLING 
 
Glucose (als monohydraat): 100,00 g/l 
 
Elke ml bevat 100 mg glucose (als monohydraat). 
 
Voor een volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1. 
 
 
3. FARMACEUTISCHE 
VORM 
 
Oplossing voor infusie. 
 
Heldere oplossing zonder zichtbare deeltjes. 
Osmolariteit: 555 mosmol/l (bij benadering) 
pH: 3,5 – 6,5 
Calorische waarde: 1680 kJ/l (of 400 kcal/l) (bij benadering) 
 
 
4. KLINISCHE 
GEGEVENS 
 
4.1. Therapeutische 
indicaties 
 
Glucose 10 % is geïndiceerd voor: 
 
•  de aanvoer van koolhydraten alleen of, indien nodig, tijdens parenterale voeding; 
•  de preventie en behandeling van hypoglykemie; 
•  rehydratie in het geval van vochtverlies en dehydratie bij patiënten met een hoge behoefte aan 
koolhydraten; 
•  de verdunning van verenigbare geneesmiddelen. 
 
4.2.  Dosering en wijze van toediening 
 
De dosering en toedieningssnelheid van Glucose 10 % worden door verschillende factoren bepaald, 
waaronder de indicatie voor gebruik en de leeftijd, het gewicht en de klinische toestand van de patiënt. 
 
Volwassenen en ouderen 
 
De aanbevolen doses in tabel 1 dienen als richtlijn voor een gemiddelde volwassene met een 
lichaamsgewicht van ongeveer 70 kg. 
 
Version 1.1 

Glucose 10 % 
Baxter B.V. 
Deel IB1 
2/9 
 
Tabel 1 – Richtlijnen voor de toe te dienen dosis aan een volwassene (70 kg)* 
 
Initiële dagelijkse 
Aanbevolen 
Indicatie 
Toedieningssnelheid 
dosis 
behandelingsduur 
Aanvoer van koolhydraten 
500 tot 3000 ml/dag 
De aanbevolen maximale 
Onbeperkt – afhankelijk 
alleen of, indien nodig, tijdens 
(7 tot 40 ml/kg/dag) 
toedieningssnelheid mag niet 
van de klinische toestand 
parenterale voeding 
hoger liggen dan de 
van de patiënt 
glucoseoxidatie van de patiënt, 
Preventie en behandeling van 
omdat dit kan leiden tot 
hypoglykemie 
hyperglykemie: 5 mg/kg/min 
Rehydratie in het geval van 
(3 ml/kg/h) 
vochtverlies en dehydratie bij 
patiënten met een hoge 
behoefte aan koolhydraten 
Verdunning van verenigbare 
50 tot 250 ml per 
Afhankelijk van de aard van het  Afhankelijk van de aard 
geneesmiddelen 
dosis 
toegevoegde geneesmiddel 
van het toegevoegde 
geneesmiddel 
* De grootste volumes binnen de aanbevolen dosis moeten binnen 24 uur worden toegediend om hemodilutie 
te voorkomen. 
 
Baby’s, kinderen en adolescenten 
 
De aanbevolen doses in tabel 2 dienen als richtlijn voor baby’s, kinderen en adolescenten, afhankelijk van 
het lichaamsgewicht en de leeftijd. 
 
Tabel 2 – Richtlijnen voor de toe te dienen dosis aan baby’s, kinderen en adolescenten* 
 
Aanbevolen 
Indicatie Initiële 
dagelijkse dosis 
Toedieningssnelheid 
behandelingsduur
Aanvoer van 
•  0-10 kg lichaamsgewicht: 
De maximale toedieningssnelheid 
Onbeperkt – 
koolhydraten alleen of, 
100 ml/kg/dag 
mag niet hoger liggen dan de 
afhankelijk van de 
indien nodig, tijdens 
glucoseoxidatie van de patiënt, 
klinische toestand 
parenterale voeding 
 
omdat dit kan leiden tot 
van de patiënt 
hyperglykemie: 
Preventie en behandeling  •  10-20 kg lichaamsgewicht:   
van hypoglykemie 
1000 ml + 50 ml/kg boven 
10 kg/dag 
Vroeggeboren en pasgeboren 
Rehydratie in het geval 
 
zuigelingen: 6-11 
ml/kg/h 
•  > 20 kg lichaamsgewicht: 
van vochtverlies en 
 (10-18 
mg/kg/min) 
dehydratie bij patiënten 
1500 ml + 20 ml/kg boven 
 
20 kg/dag 
met een hoge behoefte 
1-3 jaar: 5-8 
ml/kg/h 
aan koolhydraten 
 (9-14 
mg/kg/min) 
 
4-6 jaar: 5-7 
ml/kg/h 
 (8-11 
mg/kg/min) 
 
7-10 jaar: 4-7 
ml/kg/h 
 (7-11 
mg/kg/min) 
 
> 11 jaar: 4 
ml/kg/h 
 (7-8,5 
mg/kg/min) 
Verdunning van 
50 tot 100 ml per dosis 
Afhankelijk van de aard van het 
Afhankelijk van de 
verenigbare 
toegevoegde geneesmiddel 
aard van het 
geneesmiddelen 
toegevoegde 
geneesmiddel 
 
Version 1.1 

Glucose 10 % 
Baxter B.V. 
Deel IB1 
3/9 
 
* De grootste volumes binnen de aanbevolen dosis moeten binnen 24 uur worden toegediend om hemodilutie 
te voorkomen. 
 
Opmerking: 
•  zuigelingen en peuters: leeftijd van ongeveer 28 dagen tot 23 maanden (een peuter is een zuigeling 
die kan lopen). 
•  kinderen en schoolkinderen: leeftijd van ongeveer 2 tot 11 jaar. 
 
Afhankelijk van de klinische toestand van de patiënt kan er een lagere dan de aanbevolen inloopsnelheid 
worden gebruikt om het risico op ongewenste osmotische diurese te verminderen. 
 
Als de oplossing gebruikt wordt voor de verdunning of toediening van toegevoegde verenigbare 
therapeutische geneesmiddelen voor intraveneus gebruik, geeft de gebruiksaanwijzing van deze toegevoegde 
therapeutische geneesmiddelen aan welke volumes er geschikt zijn voor welke therapie. 
 
Toediening 
 
De oplossing wordt doorgaans toegediend via een perifere of centrale ader. 
 
De oplossing voor infusie moet vóór gebruik visueel worden gecontroleerd. 
 
Uitsluitend gebruiken als de oplossing helder is en geen zichtbare deeltjes bevat, en de zak onbeschadigd is. 
Onmiddellijk toedienen na inbrenging van de toedieningsset. 
 
Wanneer er geneesmiddelen toegevoegd worden, moet de eindosmolariteit van het mengsel worden gemeten 
vóór de toediening. Afhankelijk van zijn eindosmolariteit moet het uiteindelijke mengsel worden toegediend 
via een centrale of perifere veneuze lijn. 
 
Voor informatie over onverenigbaarheden en de bereiding van het product en toegevoegde geneesmiddelen, 
zie rubrieken 6.2. en 6.6. 
 
Bewaking 
 
De behandeling moet onder regelmatige en zorgvuldige bewaking worden uitgevoerd. Klinische en 
biologische parameters, in het bijzonder de plasmaglucoseconcentratie, vochtbalans en plasma-elektrolyten, 
moeten regelmatig worden bewaakt tijdens de behandeling. 
 
4.3. Contra-indicaties 
 
De oplossing is gecontra-indiceerd bij patiënten met: 
 
•  niet-gecompenseerde diabetes en diabetes insipidus; 
•  hyperosmolair coma; 
•  hemodilutie en extracellulaire hyperhydratie of hypervolemie; 
•  hyperglykemie en hyperlactatemie; 
•  ernstige nierinsufficiëntie (met oligurie/anurie); 
•  niet-gecompenseerde hartinsufficiëntie; 
•  gegeneraliseerd oedeem (waaronder long- en hersenoedeem) en ascitescirrose; 
•  andere bekende vormen van glucose-intolerantie (zoals metabolestresssituaties). 
 
Bovendien moet ook rekening worden gehouden met de contra-indicaties van geneesmiddelen die 
toegevoegd worden aan de glucoseoplossing. 
 
Version 1.1 

Glucose 10 % 
Baxter B.V. 
Deel IB1 
4/9 
 
4.4.  Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik 
 
Glucose 10 % is een hypertone oplossing met een osmolariteit van ongeveer 555 mosmol/l. 
 
Grote volumes moeten onder strenge bewaking worden toegediend bij patiënten met hyperhydratie, hart-, 
long- of nierinsufficiëntie. 
 
Aangezien de glucosetolerantie verminderd kan zijn bij patiënten met diabetes, nierinsufficiëntie of een acute 
kritieke aandoening, moeten de klinische en biologische parameters, in het bijzonder de plasma-elektrolyten 
(waaronder magnesiëmie of fosfatemie) en glykemie, bijzonder nauwgezet worden bewaakt. In geval van 
hyperglykemie moet de infusiesnelheid worden aangepast of insuline worden toegediend. 
 
In het geval van een langdurige toediening of hoge glucosedosis is voorzichtigheid geboden om 
hypokaliëmie te voorkomen door de plasmakaliumgehaltes te bewaken en, indien nodig, een 
kaliumsupplement toe te dienen. 
 
De toediening van glucoseoplossingen is de eerste 24 uur na een schedeltrauma gecontra-indiceerd. De 
glykemie moet tijdens episodes van intracraniale hypertensie nauwgezet worden bewaakt. 
 
De toediening van glucoseoplossingen kan leiden tot hyperglykemie. Daarom wordt het aanbevolen geen 
glucoseoplossing te gebruiken na een acute ischemische beroerte vanwege het verband tussen hyperglykemie 
en toenemende ischemische hersenbeschadiging en een vertraagd herstel. 
 
Vanwege het risico op hemolyse en klontervorming mogen glucoseoplossingen niet worden toegediend met 
dezelfde apparatuur als vol bloed. 
 
Plastic zakken mogen niet in serieverbinding worden gebruikt. Dergelijk gebruik kan leiden tot luchtembolie 
als gevolg van achterblijvende lucht die uit de eerste zak opgezogen is, voordat de toediening van de 
vloeistof uit de tweede zak beëindigd is. 
 
Bij het begin van een intraveneuze infusie is adequate klinische bewaking vereist. 
 
4.5.  Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie 
 
Door de gelijktijdige toediening van catecholaminen en steroïden neemt de glucoseopname af. 
 
4.6. Zwangerschap 
en 
borstvoeding 
 
Glucose 10 % kan veilig worden gebruikt tijdens de zwangerschap en borstvoeding, op voorwaarde dat de 
elektrolyten- en vochtbalans bewaakt worden en binnen de fysiologische waarden blijven. 
 
Als er een geneesmiddel toegevoegd wordt, moeten de aard van het geneesmiddel en het gebruik ervan 
tijdens de zwangerschap en borstvoeding afzonderlijk worden overwogen. 
 
4.7.  Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen 
 
Niet van toepassing. 
 
4.8. Bijwerkingen 
 
De toediening van Glucose 10 % kan leiden tot: 
 
•  hyperglykemie; 
•  verstoringen van de vochtbalans (hypervolemie); 
 
Version 1.1 

Glucose 10 % 
Baxter B.V. 
Deel IB1 
5/9 
 
•  verstoringen van de elektrolytenbalans (hypokaliëmie, hypomagnesiëmie en hypofosfatemie). 
 
Er kunnen bijwerkingen optreden als gevolg van de toedieningsweg, waaronder koortsreacties, koorts, 
infectie op de injectieplaats, lokale pijn of reactie, veneuze irritatie, veneuze trombose of flebitis die zich 
uitbreidt vanaf de injectieplaats, extravasatie en hypervolemie. 
 
Er kunnen ook bijwerkingen optreden als gevolg van het aan de oplossing toegevoegde geneesmiddel. De 
aard van het toegevoegde geneesmiddel bepaalt de kans op eventuele andere bijwerkingen. 
Als er een bijwerking optreedt, moet de infusie worden gestaakt. 
 
Tabel 3 – Lijst van bijwerkingen 
 
Systeemorgaanklasse Symptomen 
(LLT-termen 
MedDRA) 
Frequentie 
Immuunsysteemaandoeningen allergische 
reactie 
niet bekend* 
Voedings- en stofwisselingsstoornissen  verstoringen van de elektrolytenbalans en 
hyperglykemie 
hemodilutie en hypervolemie 
Huid- en onderhuidaandoeningen 
zweten 
Algemene aandoeningen en 
koude rillingen 
toedieningsplaatsstoornissen 
koortsreactie 
koorts 
infectie op de injectieplaats 
tromboflebitis 
Onderzoeken glucosurie 
* Kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald. 
 
4.9. Overdosering 
 
Een langdurige toediening van Glucose 10 % kan hyperglykemie, hyperosmolariteit, glucosurie, osmotische 
diurese en dehydratie veroorzaken. Een snelle infusie kan leiden tot een vloeistofinflatie met hemodilutie en 
hypervolemie en als de oxidatiecapaciteit van glucose overschreden is, kan hyperglykemie optreden. 
Verlaging van serumkalium en anorganisch fosfaat kan optreden. 
 
Als Glucose 10 % gebruikt wordt als verdunningsmiddel voor injecteerbare preparaten van andere 
geneesmiddelen, kunnen de tekenen en symptomen van een overdosering gerelateerd zijn aan de aard van de 
toegevoegde geneesmiddelen. 
 
Als er onvoorzien een te hoog volume toegediend wordt, moet de behandeling worden stopgezet en de 
patiënt worden onderzocht op de aanwezigheid van tekenen en symptomen die gerelateerd zijn aan het 
toegediende geneesmiddel. Relevante en ondersteunende maatregelen moeten, indien nodig, worden 
genomen. 
 
 
5. FARMACOLOGISCHE 
EIGENSCHAPPEN 
 
5.1. Farmacodynamische 
eigenschappen 
 
Farmacotherapeutische categorie: koolhydraten. ATC-code: B05BA03. 
 
Glucose 10 % is een hypertone oplossing met een osmolariteit van ongeveer 555 mosmol/l. 
 
Version 1.1 

Glucose 10 % 
Baxter B.V. 
Deel IB1 
6/9 
 
De farmacodynamische eigenschappen van deze oplossing zijn die van glucose, wat de belangrijkste 
energiebron vormt voor cellulair metabolisme. Glucose wordt, alleen of indien nodig tijdens parenterale 
voeding, gegeven als bron van koolhydraten. Glucose 10 % voorziet in een calorieëntoevoer van 400 kcal/l. 
Bovendien kan de glucoseoplossing voor infusie worden gebruikt voor de toevoer van vocht zonder een 
ionensupplement. 
 
Als er een geneesmiddel toegevoegd wordt aan Glucose 10 %, is de algemene farmacodynamica van de 
oplossing afhankelijk van de aard van dit geneesmiddel. 
 
5.2. Farmacokinetische 
eigenschappen 
 
Er zijn twee verschillende wegen betrokken bij het metabolisme van glucose: een anaerobische en een 
aerobische weg. 
 
Glucose wordt via pyrodruivenzuur of melkzuur gemetaboliseerd tot kooldioxide en water, waarbij energie 
vrijkomt. 
 
Als er een geneesmiddel toegevoegd wordt aan Glucose 10 %, is de algemene farmacokinetica van de 
oplossing afhankelijk van de aard van dit toegevoegde geneesmiddel. 
 
5.3.  Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek 
 
De preklinische veiligheidsgegevens van deze oplossing voor infusie zijn niet relevant omdat de 
bestanddelen ervan fysiologische onderdelen zijn van dierlijk en menselijk plasma. 
 
De veiligheid van mogelijk toe te voegen geneesmiddelen moet afzonderlijk worden overwogen. 
 
 
6. FARMACEUTISCHE 
GEGEVENS 
 
6.1. Lijst 
van 
hulpstoffen 
 
Water voor injecties. 
 
6.2.  Gevallen van onverenigbaarheid 
 
Vanwege het risico op hemolyse en klontervorming mogen glucoseoplossingen niet gelijktijdig met, vóór of 
na de toediening van bloed worden toegediend met dezelfde infusieapparatuur. 
 
De verenigbaarheid van het toe te voegen geneesmiddel met de oplossing in de Viaflo-zak moet worden 
gecontroleerd alvorens dit geneesmiddel toe te voegen. 
 
Als er geen onderzoek is gedaan naar verenigbaarheden mag dit geneesmiddel niet met andere 
geneesmiddelen gemengd worden. 
 
De gebruiksaanwijzing van het toe te voegen geneesmiddel moet worden geraadpleegd. 
 
Alvorens een geneesmiddel toe te voegen, moet er worden gecontroleerd of het geneesmiddel oplosbaar 
en stabiel is in water bij de zuurgraad (pH: 3,5 – 6,5) van Glucose 10 %. 
 
Wanneer een verenigbaar geneesmiddel toegevoegd wordt aan Glucose 10 %, moet de oplossing 
onmiddellijk worden toegediend. 
 
Toe te voegen geneesmiddelen waarvan de onverenigbaarheid vastgesteld is, mogen niet worden gebruikt. 
 
Version 1.1 

Glucose 10 % 
Baxter B.V. 
Deel IB1 
7/9 
 
6.3. Houdbaarheid 
 
Houdbaarheid in de beschermverpakking: 
 
•  zakken van 250 ml: 18 maanden 
•  zakken van 500 ml: 18 maanden 
•  zakken van 1000 ml: 18 maanden 
 
 
Houdbaarheid na opening van de beschermverpakking: in combinatie met toegevoegde geneesmiddelen 
 
Vóór gebruik moeten de chemische en fysische stabiliteit van het toe te voegen geneesmiddel worden 
bepaald bij de zuurgraad van Glucose 10 % in de Viaflo-zak. Vanuit microbiologisch standpunt moet het 
verdunde product onmiddellijk worden gebruikt, tenzij de verdunning uitgevoerd is onder gecontroleerde en 
gevalideerde aseptische omstandigheden. Als het verdunde product niet onmiddellijk gebruikt wordt, zijn de 
bewaartijden en bewaarcondities na opening van de beschermverpakking de verantwoordelijkheid van de 
gebruiker. 
 
6.4 
Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren 
 
Dit geneesmiddel vereist geen bijzondere bewaarcondities. 
 
Voor de bewaarcondities van het verdunde geneesmiddel, zie rubriek 6.3. 
 
6.5.  Aard en inhoud van de verpakking 
 
De Viaflo-zakken zijn vervaardigd van polyolefine/polyamide plastic (PL 2442), verkregen via co-extrusie. 
 
De zakken bevinden zich in een beschermverpakking van polyamide/polypropyleen. 
 
De verpakkingsgrootte is 250 ml, 500 ml of 1000 ml. 
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht. 
 
Elke doos bevat:      - 30 of 36 zakken van 250 ml, 
 
of - 20 of 24 zakken van 500 ml, 
 
of - 10 of 12 zakken van 1000 ml. 
 
6.6.  Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies 
 
Aan de hand van een aseptische techniek moet de oplossing worden toegediend met steriele apparatuur. Deze 
apparatuur moet worden geprimed met de oplossing om te voorkomen dat lucht binnendringt in het systeem. 
 
Toe te voegen geneesmiddelen kunnen vóór of tijdens de infusie worden toegevoegd via de injectiepoort. 
Wanneer een toe te voegen geneesmiddel gebruikt wordt, moet vóór parenterale toediening de isotoniciteit 
ervan worden gecontroleerd. Het toegevoegde geneesmiddel moet grondig en zorgvuldig worden gemengd 
onder aseptische omstandigheden. Oplossingen met toegevoegde geneesmiddelen moeten onmiddellijk 
worden gebruikt en mogen niet worden bewaard. 
 
Alle ongebruikte producten en afvalstoffen dienen te worden vernietigd overeenkomstig lokale 
voorschriften. 
 
Vernietigen na eenmalig gebruik. 
 
Niet-gebruikte oplossing vernietigen. 
 
Version 1.1 

Glucose 10 % 
Baxter B.V. 
Deel IB1 
8/9 
 
 
Gedeeltelijk gebruikte zakken niet opnieuw aansluiten. 
 
De zak pas vlak vóór gebruik uit de beschermverpakking nemen. De binnenverpakking zorgt ervoor dat de 
steriliteit van het product behouden blijft. 
 
1. De beschermverpakking openen 
 
a.  Neem de Viaflo-zak pas vlak vóór gebruik uit de beschermverpakking. 
b.  Controleer op de aanwezigheid van kleine lekken door stevig in de binnenverpakking te knijpen. 
Vernietig de oplossing in geval van lekken, aangezien de steriliteit kan zijn aangetast. 
c.  Controleer of de oplossing helder is en geen vreemde deeltjes bevat. Vernietig de oplossing als die niet 
helder is of vreemde deeltjes bevat. 
 
2. De toediening voorbereiden 
 
Gebruik steriel materiaal voor voorbereiding en toediening. 
 
a.  Hang de zak via het oogje aan de infuusstandaard. 
b.  Verwijder de plastic beschermhuls van de uitlaatpoort onderaan de zak: 
-  Neem met de ene hand de kleine vleugel op de hals van de uitlaatpoort vast. 
-  Neem met de andere hand de grotere vleugel op de beschermhuls vast en draai die van de uitlaatpoort. 
-  De beschermhuls springt los van de uitlaatpoort. 
c.  Pas een aseptische techniek toe om de infusie voor te bereiden. 
d.  Bevestig de toedieningsset. Raadpleeg de volledige gebruiksaanwijzing van de set voor de aansluiting en 
priming van de set en de toediening van de oplossing. 
 
3. Technieken voor de injectie van toe te voegen geneesmiddelen 
 
Waarschuwing: Het is mogelijk dat toe te voegen geneesmiddelen onverenigbaar zijn. 
 
Geneesmiddelen toevoegen vóór de toediening 
a. Desinfecteer de injectiepoort. 
b.  Gebruik een spuit met een naald van 19 gauge (1,10 mm) tot 22 gauge (0,70 mm) om de hersluitende 
injectiepoort aan te prikken, en injecteer het toe te voegen geneesmiddel in de zak met oplossing. 
c.  Meng de oplossing grondig met het geneesmiddel. Tik voorzichtig op de poorten terwijl die rechtop 
gehouden worden, en meng het geneesmiddel met de oplossing in geval van geneesmiddelen met een 
hoge densiteit zoals kaliumchloride. 
 
Opgelet: Zakken met toegevoegde geneesmiddelen niet bewaren. 
 
Geneesmiddelen toevoegen tijdens de toediening 
a.  Sluit de klem op de set. 
b. Desinfecteer de injectiepoort. 
c.  Gebruik een spuit met een naald van 19 gauge (1,10 mm) tot 22 gauge (0,70 mm) om de hersluitende 
injectiepoort aan te prikken, en injecteer het toe te voegen geneesmiddel in de zak met oplossing. 
d.  Verwijder de zak van de infuusstandaard en/of houd de zak rechtop. 
e.  Tik voorzichtig op beide poorten om de aanwezige luchtbellen in de poorten te verwijderen, terwijl de zak 
rechtop gehouden wordt. 
f.  Meng de oplossing grondig met het geneesmiddel. 
g.  Hang de zak opnieuw via het oogje aan de infuusstandaard, open de klem en ga verder met de toediening. 
 
 
 
Version 1.1 

Glucose 10 % 
Baxter B.V. 
Deel IB1 
9/9 
 
7. 
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN 
 
Baxter B.V., Kobaltweg 49, NL-3542 CE Utrecht, Nederland 
 
 
8. 
NUMMER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN 
 
RVG 106110 
 
 
9. 
DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING 
 
Datum van eerste verlening van de vergunning: 2 augustus 2010 
 
10. 
DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST 
 
 
Version 1.1 





« Vorige
[Glucosamine RH 400 mg, filmomhulde tabletten]
Volgende »
[Glucose 10 %, oplossing voor infusie, 100 g/l]