Bestanden
Home > Bestanden


Risedronaatnatrium Bluefish wekelijks 35 mg, filmomhulde tabletten

RegistratienummerRVG 106295
ProcedurenummerSE/H/0934/001
Farmaceutische vormFilmomhulde tablet
ToedieningswegOraal gebruik
ATCM05BA07 - Risedronic Acid
AfleverstatusUitsluitend recept
Registratiedatum14 december 2010
RegistratiehouderBluefish Pharmaceuticals AB
Torsgatan 11
111 23 STOCKHOLM (ZWEDEN)
Werkzame stof(fen)NATRIUMRISEDRONAAT 2,5-WATER
SAMENSTELLING
overeenkomend met
NATRIUMRISEDRONAAT 0-WATER
SAMENSTELLING
overeenkomend met
RISEDRONINEZUUR
Hulpstof(fen)CELLULOSE, MICROKRISTALLIJN (E 460)
CROSPOVIDON (E 1202)
HYPROMELLOSE (E 464)
LACTOSE 1-WATER
MACROGOL 4000
MAGNESIUMSTEARAAT (E 572)
MAISZETMEEL, GEPREGELATINEERD
TITAANDIOXIDE (E 171)
Download: IB-tekst PDF
Zie ook: Bijsluiter


 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
SAMENVATTING VAN DE PRODUCTKENMERKEN 
 


1. 
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL 
 
 Risedronaatnatrium Bluefish wekelijks 35 mg, filmomhulde tabletten 
 
 
2. 
KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING 
 
Bevat per filmomhulde tablet 35 mg natriumrisedronaat overeenkomend met 32,5 mg risedroninezuur.  
 
Hulpstoffen: Elke filmomhulde tablet bevat 1,9 mg lactose.  
 
Voor een volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.  
 
 
3. 
FARMACEUTISCHE VORM 
 
Filmomhulde tablet. 
 
Witte, ronde, biconvexe filmomhulde tablet met een diameter van 11,2 mm, een dikte van 5,0 mm en 
met inscriptie “35†op een zijde.  
 
 
4. 
KLINISCHE GEGEVENS 
 
4.1 
Therapeutische indicaties 
 
Behandeling van postmenopauzale osteoporose om het risico van wervelfracturen te verminderen. 
Behandeling van bewezen postmenopauzale osteoporose om het risico van heupfracturen te 
verminderen (zie rubriek 5.1).  
 
Behandeling van osteoporose bij mannen met een verhoogd risico op fracturen (zie rubriek 5.1).  
 
4.2 
Dosering en wijze van toediening 
 
De aanbevolen dosering voor volwassenen is één tablet van 35 mg oraal eenmaal per week. De tablet 
dient iedere week op dezelfde dag te worden ingenomen. De absorptie van natriumrisedronaat wordt 
beïnvloed door voedsel. Om adequate absorptie te garanderen dienen patiënten risedronaat: 
 
•  Voor het ontbijt: tenminste 30 minuten vóór het eerste eten, vóór andere geneesmiddelen of 
drinken (met uitzondering van gewoon leidingwater) van de dag tot zich te nemen.  
 
Patiënten moeten de instructie krijgen dat, als zij een dosis zijn vergeten, Ã©Ã©n risedronaat 35 mg tablet 
moet worden ingenomen op de dag dat dit wordt herinnerd. Patiënten moeten dan wederom Ã©Ã©n tablet 
eenmaal per week innemen op de gebruikelijke dag. De patiënt mag geen twee tabletten op dezelfde 
dag innemen.  
 
De tablet moet in zijn geheel worden doorgeslikt en mag niet worden opgezogen of gekauwd. Om het 
transport van de tablet naar de maag te bevorderen moet natriumrisedronaat tablet rechtop (zittend of 
staand)  ingenomen worden met een glas gewoon leidingwater (> 120 ml). Nadat de tablet is 
ingenomen, mag de patiënt de eerstvolgende 30 minuten niet gaan liggen (zie rubriek 4.4 ). 
 
De optimale duur van de behandeling van osteoporose met een bisfosfonaat is niet vastgesteld. De 
noodzaak van voortgezette behandeling moet periodiek heroverwogen worden op basis van de 
voordelen en potentiële risico's van Risedronaatnatrium voor de individuele patiënt, met name na 5 
jaar gebruik of langer. 
 


Toedienen van extra calcium en vitamine D dient te worden overwogen bij onvoldoende inname via de 
voeding. 
 
Ouderen:  
Aanpassing van de dosering is niet nodig, omdat bij ouderen (> 60 jaar) de biologische 
beschikbaarheid, de verdeling en de eliminatie overeenkomen met deze van jongere patiënten. Dit is 
tevens aangetoond bij bejaarden van 75 jaar en ouder en bij personen ouder dan de postmenopauzale 
populatie. 
 
Nierfunctiestoornis:  
Bij patiënten met milde tot matige nierinsufficiëntie hoeft de dosering niet te worden aangepast. 
Natriumrisedronaat mag niet worden gebruikt bij patiënten met een ernstige nierfunctiestoornis 
(creatinine klaring lager dan 30 ml/min) (zie rubrieken 4.3 en 5.2).  
 
Pediatrische patiënten: 
Natriumrisedronaat wordt niet aanbevolen voor gebruik bij kinderen en adolescenten jonger dan 18 
jaar vanwege onvoldoende gegevens omtrent de veiligheid en werkzaamheid (zie ook rubriek 5.1).  
 
 
 
4.3 
Contra-indicaties 
 
Overgevoeligheid voor natriumrisedronaat of voor één van de hulpstoffen.  
Hypocalciëmie. (zie rubriek 4.4).  
Zwangerschap en borstvoeding. 
Ernstige nierinsufficiëntie (creatinineklaring < 30 ml/min). 
 
4.4 
Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik 
 
Voedsel, drank (met uitzondering van gewoon leidingwater) en geneesmiddelen die meerwaardige 
kationen bevatten (zoals calcium, magnesium, ijzer en aluminium) kunnen de absorptie van 
bisfosfonaten verstoren en mogen niet tegelijkertijd worden ingenomen met natriumrisedronaat. (zie 
rubriek 4.5). Om de bedoelde effectiviteit te bereiken is strikte navolging van doseringsinstructies 
noodzakelijk (zie rubriek 4.2).  
 
De werkzaamheid van bisfosfonaten bij de behandeling van osteoporose hangt samen met de 
aanwezigheid van een lage botmineraaldichtheid en/of bestaande fracturen.  
Hoge leeftijd dan wel klinische risicofactoren voor fracturen zijn, op zichzelf staand, niet genoeg 
redenen om een osteoporosebehandeling met een bisfosfonaat te starten.  
Er bestaat slechts beperkt bewijs voor de effectiviteit van bisfosfonaten waaronder risedronaat bij zeer 
oude mensen (> 80 jaar), (zie rubriek 5.1).  
 
Sommige bisfosfonaten zijn in verband gebracht met oesofagitis, gastritis en ulceratie van de 
oesofagus en gastroduodenum. Voorzichtigheid is geboden bij patiënten:  
•  met een voorgeschiedenis van oesofagusaandoeningen die de passage door de slokdarm of de 
lediging ervan vertragen zoals stricturen en achalasie.  
•  die niet in staat zijn om 30 minuten na de inname van de tablet rechtop te kunnen blijven zitten 
of staan.  
•  aan wie natriumrisedronaat wordt gegeven en die actieve of recente problemen hebben aan de 
oesofagus of het bovenste gedeelte van het maagdarmkanaal.  
 
Artsen moeten bij patiënten het belang van de doseringsinstructies uitleggen en benadrukken alert te 
zijn op aanwijzingen of symptomen van mogelijke oesofagale reactie. Patiënten moeten geïnstrueerd 
worden om tijdig medische hulp te zoeken indien zij klachten van oesofagale irritatie zoals dysfagie, 
pijn bij slikken, retrosternale pijn of nieuwe/verergerde zuurbranden ontwikkelen.  
 
 


Atypische femurfracturen 
Bij behandeling met bisfosfonaten zijn atypische subtrochantere en femurschachtfracturen gemeld, met 
name bij patiënten die langdurig wegens osteoporose behandeld worden. Deze transversale of korte 
schuine fracturen kunnen langs het hele femur optreden vanaf direct onder de trochanter minor tot vlak 
boven de supracondylaire rand. Deze fracturen treden op na minimaal of geen trauma. Sommige 
patiënten ervaren pijn in de dij of lies, weken tot maanden voor het optreden van een volledige 
femorale fractuur, vaak samen met kenmerken van stressfracturen bij beeldvormend onderzoek. De 
fracturen zijn in veel gevallen bilateraal. Daarom moet het contralaterale femur worden onderzocht bij 
patiënten die met bisfosfonaten worden behandeld en een femurschachtfractuur hebben opgelopen. 
Ook is slechte genezing van deze fracturen gemeld. Op basis van een individuele inschatting van de 
voor- en nadelen moet worden overwogen om de bisfosfonaattherapie te staken bij patiënten met 
verdenking op een atypische femurfractuur tot er een beoordeling is gemaakt van de patiënt. 
Patiënten moeten het advies krijgen om tijdens behandeling met bisfosfonaten elke pijn in de dij, heup 
of lies te melden. Elke patiënt die zich met zulke symptomen aandient, moet worden onderzocht op 
een onvolledige femurfractuur. 
 
Hypocalciëmie moet worden behandeld, voordat met natriumrisedronaat wordt gestart. Andere 
stoornissen van het bot- en mineraalmetabolisme (bijvoorbeeld dysfunctie van de bijschildklier, 
hypovitaminose D) moeten worden behandeld, wanneer met natriumrisedronaat wordt gestart. 
 
Osteonecrose van de kaak, algemeen geassocieerd met het trekken van tanden en/of lokale infectie 
(inclusief osteomyelitis) is gemeld bij kankerpatiënten met behandelingsschema’s met daarin primair 
intraveneus toegediende bisfosfonaten. Veel van deze patiënten kregen ook chemotherapie en 
corticosteroïden. Osteonecrose van de kaak is ook gemeld bij osteoporosepatiënten die orale 
bisfosfonaten kregen.  
 
Een tandonderzoek met geschikte preventieve tandheelkunde moet overwogen worden vóór de 
behandeling met bisfosfonaten bij patiënten met bijkomende risicofactoren (bv. kanker, 
chemotherapie, radiotherapie, corticosteroïden, slechte mondhygiëne).  
 
Tijdens de behandeling moeten deze patiënten zo mogelijk invasieve tandbehandelingen vermijden. 
Voor patiënten die osteonecrose van de kaak ontwikkelen tijdens de therapie met bisfosfonaten, 
kunnen tandheelkundige operaties de klachten verergeren. Voor patiënten waarvoor tandheelkundige 
operaties noodzakelijk zijn, zijn geen gegevens beschikbaar die aangeven of discontinueren van de 
behandeling met bisfosfonaten het risico op osteonecrose van de kaak vermindert.  
De klinische beoordeling door de behandelend arts dient de richtlijn te zijn voor het behandelingsplan 
van elke patiënt, gebaseerd op een individuele afweging van de voor- en nadelen. 
 
Dit geneesmiddel bevat lactose. Patiënten met zeldzame erfelijke aandoeningen als galactose-
intolerantie, Lapp lactasedeficiëntie of glucose-galactose malabsorptie, dienen dit geneesmiddel niet te 
gebruiken. 
 
4.5 
Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie 
 
Formele interactiestudies zijn niet uitgevoerd. Tijdens de klinische studies werden echter geen klinisch 
relevante interacties met andere geneesmiddelen gevonden. Tijdens de fase III studies van 
natriumrisedronaat met een dagelijkse dosering voor behandeling van osteoporose, vermeldde 33 % 
van de patiënten ook acetylsalicylzuur te gebruiken en 45 % NSAIDs. Tijdens de fase III studie met de 
wekelijkse dosering bij postmenopauzale vrouwen, werd gebruik van acetylsalicylzuur of NSAIDs 
door 57% respectievelijk 40% van de patiënten gemeld. Bij regelmatige gebruikers van NSAIDs of 
acetylsalicylzuur (≥ 3 dagen per week) was de incidentie van bijwerkingen ter hoogte van het bovenste 
gedeelte van het maagdarmkanaal bij patiënten behandeld met natriumrisedronaat vergelijkbaar met de 
incidentie bij de controlepatiënten.  
 
Natriumrisedronaat kan tegelijk met oestrogeensuppletie (alleen voor vrouwen) worden gebruikt, 
indien dit gewenst wordt geacht.  
 


Gelijktijdige inname van geneesmiddelen die meerwaardige kationen bevatten (bijvoorbeeld calcium, 
magnesium, ijzer en aluminium) verstoort de absorptie van natriumrisedronaat (zie rubriek 4.4).  
 
Natriumrisedronaat wordt niet systemisch gemetaboliseerd, geeft geen cytochroom P450 inductie en 
heeft een geringe eiwitbinding.  
 
4.6 
Zwangerschap en borstvoeding 
 
Er zijn geen adequate gegevens beschikbaar over het gebruik van natriumrisedronaat bij zwangere 
vrouwen. Onderzoek bij dieren heeft reprotoxiciteit aangetoond (zie rubriek 5.3). Het potentiële risico 
voor de mens is niet bekend. Onderzoek bij dieren heeft aangetoond dat een kleine hoeveelheid 
natriumrisedronaat wordt uitgescheiden in moedermelk.  
Natriumrisedronaat mag niet tijdens de zwangerschap of bij borstvoeding worden gebruikt.  
 
4.7 
Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen 
 
Er werden geen effecten waargenomen die de rijvaardigheid en het vermogen om machines te 
bedienen beïnvloedden.  
 
4.8 
Bijwerkingen 
 
In fase III studies werd het gebruik van natriumrisedronaat bij meer dan 15.000 patiënten bestudeerd. 
 
In de klinische studies was de meerderheid van de bijwerkingen licht tot matig van ernst en meestal 
was stoppen van de behandeling niet nodig. 
 
Bijwerkingen, gerapporteerd tijdens de fase III klinische studies bij postmenopauzale vrouwen met 
osteoporose, behandeld tot 36 maanden met risedronaat 5 mg/dag (n=5.020) of placebo (n=5.048), 
gezien als mogelijk of waarschijnlijk gerelateerd aan natriumrisedronaat, zijn hieronder weergegeven. 
Hierbij wordt gebruik gemaakt van de volgende indeling (voorvallen versus placebo worden 
weergegeven tussen haakjes):  
Zeer vaak (≥1/10); vaak (≥1/100, <1/10); soms (≥1/1.000, <1/100); zelden (≥1/10.000, <1/1.000); zeer 
zelden (<1/10.000);  
 
Zenuwstelselaandoeningen:  
Vaak: hoofdpijn (1,8% vs 1,4 %).  
 
Oogaandoeningen:  
Soms: iritis*. 
 
Maagdarmstelselaandoeningen:  
Vaak: obstipatie (5,0% vs 4,8%), dyspepsie (4,5% vs 4,1%), nausea (4,3% vs 4,0%), buikpijn (3,5% vs 
3,3%), diarree (3,0% vs 2,7%).  
Soms: gastritis (0,9% vs 0,7%), oesofagitis (0,9% vs 0,9%), dysfagie (0,4% vs 0,2%), duodenitis 
(0,2% vs 0,1%), oesofagus ulcus (0,2% vs 0,2%).  
Zelden: glossitis (<0,1% vs 0,1%), oesofagus strictuur (<0,1% vs 0,0%).  
 
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen:  
Vaak: musculoskeletale pijn (2,1% vs 1,9%).  
 
Onderzoeken: 
 
Zelden: afwijkende leverfunctietests*. 
 
* Geen relevante voorvallen in de fase III osteoporose studies; frequentie is gebaseerd op 
bijwerkingen/laboratorium/bevindingen na herhaalde blootstelling uit eerdere klinische studies.  
 


In een éénjarig, dubbelblind, multicenter onderzoek bij postmenopauzale vrouwen met osteoporose 
waarbij natriumrisedronaat 5 mg dagelijks (n=480) en natriumrisedronaat 35 mg wekelijks (n=485) 
vergeleken is, blijkt dat de algehele veiligheids- en tolerantieprofielen vergelijkbaar zijn. De volgende 
bijwerkingen, die genoemd zijn door onderzoekers als mogelijk of waarschijnlijk gerelateerd aan het 
geneesmiddel (incidentie groter bij natriumrisedronaat 35 mg dan bij natriumrisedronaat 5 mg groep), 
zijn ook nog gemeld: maagdarmstelselaandoeningen (1,6% vs 1,0%) en pijn (1,2% vs 0,8%).  
 
In een tweejarig onderzoek bij mannen met osteoporose was het algehele veiligheids- en 
tolerantieprofiel vergelijkbaar tussen de behandelde groep en de placebogroep. De bijwerkingen 
kwamen overeen met de bijwerkingen die eerder waren gemeld bij vrouwen.  
 
Laboratoriumbevindingen
Bij sommige patiënten zijn in het begin van de behandeling voorbijgaande, asymptomatische, lichte 
dalingen van de serumcalcium- en fosfaatspiegels waargenomen. 
 
De volgende bijwerkingen zijn ook nog gemeld nadat natriumrisedronaat op de markt is gebracht 
(frequentie onbekend):  
 
Oogaandoeningen:  
Iritis, uveïtis.  
 
 
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen: 
 
Osteonecrose van de kaak. 
 
Huid en onderhuidaandoeningen: 
 
Overgevoeligheid en huidreacties, zoals angio-oedeem, uitslag, huidreacties met blaasvorming, 
waarvan sommige ernstig zoals geïsoleerde meldingen van Stevens Johnson syndroom en toxische 
epidermale necrolyse en leukocytoclastisch vasculitis. 
Haarverlies. 
 
Immuunsysteemaandoeningen: 
Anafylactische shock. 
 
Lever- en galaandoeningen  
Ernstige leveraandoeningen.Bij veel van de gemelde bijwerkingen werden de patiënten gelijktijdig 
behandeld met andere geneesmiddelen waarvan bekend is dat deze leveraandoeningen kunnen 
veroorzaken. 
 
Sinds de introductie van het product zijn de volgende reacties gemeld (frequentie zelden):   
Atypische subtrochantere en femurschachtfracturen (bijwerking van bisfosfonaatklasse). 
 
4.9 

Overdosering 
 
Er is geen specifieke informatie beschikbaar over de behandeling van overdosering met 
natriumrisedronaat.  
 
Na substantiële overdosering kan een daling van de serumcalciumspiegel worden verwacht. Bij 
sommige van deze patiënten zouden ook tekenen en symptomen van hypocalciëmie kunnen optreden. 
 
 
Melk of antacida die magnesium, calcium of aluminium bevatten, dienen te worden toegediend om 
risedronaat te binden en de absorptie van natriumrisedronaat te verminderen. In gevallen van 
substantiële overdosering kan maagspoeling worden overwogen om niet-geabsorbeerd 
natriumrisedronaat te verwijderen. 
 
 
5. 
FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN 


 
5.1 
Farmacodynamische eigenschappen 
 
Farmacotherapeutische categorie: Bifosfonaten.  
ATC-code: M05 BA07. 
 
Natriumrisedronaat  is  een  pyridinylbisfosfonaat  dat  zich  bindt  aan  hydroxyapatiet  en  dat  de 
botafbraak, veroorzaakt door osteoclasten, remt. De botomzetting vermindert terwijl de activiteit van 
de osteoblasten en de botmineralisatie behouden blijven. Tijdens het preklinisch onderzoek werd voor 
natriumrisedronaat  een  potente  anti-osteoclasten  en  botafbraakremmende  activiteit  aangetoond, 
waarbij de botmassa en de biomechanische skeletsterkte dosisafhankelijk toenamen. De activiteit van 
natriumrisedronaat  werd  bevestigd  door  metingen  van  biochemische  markers  van  de  botomzetting 
tijdens de farmacodynamische en de klinische studies. In studies bij postmenopauzale vrouwen werd 
een daling van de biochemische markers van de botomzetting waargenomen binnen 1 maand na starten 
van  de  behandeling  en  was  na  3-6  maanden  maximaal.  Na  12  maanden  waren  dalingen  van 
biochemische  botmarkers  vergelijkbaar  voor  natriumrisedronaat  35  mg  en  natriumrisedronaat  5  mg 
dagelijks.  
In een studie bij mannen met osteoporose werden dalingen van biochemische markers van de 
botomzetting reeds waargenomen vanaf 3 maanden en bleven zichtbaar tot 24 maanden.  
 
Behandeling en preventie van postmenopauzale osteoporose:  
Een aantal risicofactoren wordt geassocieerd met postmenopauzale osteoporose zoals een lage 
botmassa, een lage botmineraaldensiteit (BMD), vroege menopauze, roken of hebben gerookt en een 
familiegeschiedenis van osteoporose. Fracturen zijn het klinische gevolg van osteoporose. Het risico 
op fracturen verhoogt met het aantal risicofactoren.  
 
Gebaseerd op effecten van de gemiddelde verandering in de BMD van de lumbale wervelkolom is 
aangetoond dat natriumrisedronaat 35 mg (n=485) equivalent is aan natriumrisedronaat 5 mg dagelijks 
(n=480) in een éénjarig, dubbelblind, multicenter onderzoek bij postmenopauzale vrouwen met 
osteoporose.  
Het klinische programma met natriumrisedronaat dagelijks toegediend bestudeerde het effect van 
natriumrisedronaat op het risico van heup- en wervelfracturen en omvatte vroeg en laat 
postmenopauzale vrouwen, met of zonder fracturen. Dagelijkse doses van 2,5 mg en 5 mg werden 
bestudeerd en alle groepen - met inbegrip van de controlegroepen â€“ kregen calcium en vitamine D 
(wanneer de ‘baseline’ waarden laag waren). De absolute en relatieve risico’s voor nieuwe wervel- en 
heupfracturen werden door een ‘time-to-first event’ analyse bepaald.  
 
• 
In twee placebo-gecontroleerde studies (n = 3.661) werden vrouwen onder de 85 jaar met 
bestaande wervelfracturen geïncludeerd. Natriumrisedronaat 5 mg per dag, gegeven gedurende 3 
jaar, verminderde het risico van nieuwe wervelfracturen vergeleken met de controlegroep. Bij 
vrouwen met respectievelijk ten minste twee dan wel ten minste één wervelfractuur, nam het 
relatieve risico af met respectievelijk 49 % en 41 % (incidentie van nieuwe wervelfracturen met 
natriumrisedronaat respectievelijk 18,1 % en 11,3 %, met placebo respectievelijk 29,0 % en 
16,3 %). Het effect werd reeds gezien aan het einde van het eerste jaar behandelen. Voordelen 
werden ook aangetoond bij vrouwen met multipele fracturen bij aanvang van de behandeling. 
Ook verminderde natriumrisedronaat 5 mg, in vergelijking met de controlegroep, het jaarlijkse 
lengteverlies.  
 
• 
In twee andere placebo-gecontroleerde studies werden postmenopauzale vrouwen geïncludeerd 
ouder dan 70 jaar met of zonder bestaande wervelfracturen. Vrouwen van 70-79 jaar werden 
geïncludeerd met een femurhals BMD T-score < - 3 SD (– 2,5 SD wanneer NHANES III wordt 
gebruikt) en tenminste één andere risicofactor. Vrouwen â‰¥ 80 jaar oud konden worden 
geïncludeerd op basis van ten minste één niet-skelet gerelateerde risicofactor voor heupfracturen 
dan wel een lage femurhals BMD. Statistische significantie voor de effectiviteit van risedronaat 
versus placebo werd enkel bereikt na samenvoegen van beide behandelingsgroepen, 2,5 en 5 
mg. De volgende resultaten zijn gebaseerd op een a posteriori analyse van subgroepen 
gedefinieerd volgens de klinische praktijk en de huidige definities van osteoporose:  



In een subgroep patiënten met femurhals BMD T score < - 2,5 SD (NHANES III) en ten minste 
één bestaande wervelfractuur, verminderde natriumrisedronaat â€“ gegeven gedurende 3 jaar â€“ het 
risico van heupfracturen met 46% in vergelijking met de controlegroep (incidentie van 
heupfracturen met natriumrisedronaat in de gecombineerde 2,5 en 5 mg groepen 3,8%, met 
placebo 7,4 %).  

Gegevens suggereren dat er een meer beperkte bescherming zou zijn bij hoogbejaarden (> 80 
jaar). Dit zou te wijten kunnen zijn aan het stijgende belang van niet-skelet gerelateerde factoren 
met toenemen van de leeftijd, bij het ontstaan van heupfracturen. In deze studies tonen gegevens 
– geanalyseerd als secundair eindpunt â€“ een vermindering aan van het risico van nieuwe 
wervelfracturen bij patiënten met een lage femurhals BMD zonder bestaande wervelfracturen en 
bij patiënten met een lage femurhals BMD met of zonder bestaande wervelfracturen.  
• 
Natriumrisedronaat 5 mg per dag, gegeven gedurende 3 jaar, verhoogde de BMD t.o.v. de 
controlegroep ter hoogte van de lumbale wervelkolom, femurhals, trochanter en pols en de 
botdichtheid ter hoogte van de midschacht radius werd behouden. 
• 
Het remmend effect van natriumrisedronaat op de botomzettingssnelheid was na een jaar zonder 
behandeling volgend op 3 jaar behandeling met risedronaat 5 mg per dag, snel omkeerbaar.  
• 
Botbiopten van postmenopauzale vrouwen die 2 Ã  3 jaar natriumrisedronaat 5 mg per dag 
innamen, toonden de verwachte gematigde vermindering van de botomzetting. Bot, gevormd 
tijdens de behandeling met natriumrisedronaat, had een normale lamellaire structuur en was 
normaal gemineraliseerd. Deze gegevens, samen met de verminderde incidentie bij 
postmenopauzale vrouwen met osteoporose, van osteoporotische fracturen ter hoogte van de 
wervels, lijken aan te geven dat er geen negatief effect is op de botkwaliteit.  
•  Endoscopische bevindingen bij een aantal patiënten met matige tot ernstige maagdarmklachten, 
zowel in de natriumrisedronaat- als in de controlegroep, gaven géén aanwijzingen voor het 
ontstaan van, aan de behandeling gerelateerde maag-, duodenum of oesofaguszweren, hoewel 
duodenitis in zeldzame gevallen werd waargenomen in de natriumrisedronaatgroep. 
 
Behandeling van osteoporose bij mannen:  
De werkzaamheid van natriumrisedronaat 35 mg wekelijks bij mannen met osteoporose (leeftijd 
variërend van 36 tot 84 jaar) is aangetoond tijdens een tweejarig, dubbelblind, placebo-gecontroleerd 
onderzoek bij 284 patiënten (natriumrisedronaat 35 mg n=191). Alle patiënten kregen aanvullend 
calcium en vitamine D. 
 
Al 6 maanden na het begin van de behandeling met natriumrisedronaat werden toenames van BMD 
waargenomen. Natriumrisedronaat 35 mg wekelijks veroorzaakte geringe toename van BMD van de 
lumbale wervelkolom, femurhals, trochanter en totale heup vergeleken met placebo na 2 jaar 
behandeling.  
Het effect van natriumrisedronaat op bot (BMD toename en BTM afname) is vergelijkbaar bij mannen 
en vrouwen.  
 
Pediatrische populatie:  
De veiligheid en werkzaamheid van natriumrisedronaat werd onderzocht in een nog lopende studie bij 
pediatrische patiënten in de leeftijd van 4 tot jonger dan 16 jaar met osteogenesis imperfecta. Na 
voltooiing van het eerste jaar van deze gerandomiseerde, dubbelblinde, placebo-gecontroleerde studie 
werd een statistisch significante verhoging van de BMD van de lumbale wervelkolom aangetoond bij 
de risedronaat groep versus de placebo groep; desondanks werd een verhoogd aantal van minstens 1 
nieuwe morfometrische wervelfractuur (aangetoond op een röntgenfoto) gevonden in de risedronaat 
groep versus placebo. Al met al ondersteunen deze resultaten het gebruik van risedronaat bij 
pediatrische patiënten met osteogenesis imperfecta niet. 
 
5.2 
Farmacokinetische eigenschappen 
 
Absorptie: 
 
Na een orale dosis vindt absorptie relatief snel plaats (t ~1 uur). In het onderzochte traject (in studies 
max 
met een enkele dosis tussen 2,5 en 30 mg; in studies met meervoudige doses tussen 2,5 en 5 mg 
dagelijks en tot 50 mg dosis wekelijks) is de absorptie onafhankelijk van de dosis. De gemiddelde 


biologische beschikbaarheid na inname van de tablet is 0,63 % en deze neemt af wanneer 
natriumrisedronaat samen met voedsel wordt ingenomen. De biologische beschikbaarheid is 
vergelijkbaar bij mannen en vrouwen.  
 
Distributie:  
Het gemiddelde steady-state distributievolume bij de mens bedraagt 6,3 l/kg. De plasma-eiwitbinding 
bedraagt ongeveer 24 %.  
 
Metabolisme:  
Er zijn geen aanwijzingen dat natriumrisedronaat systemisch wordt gemetaboliseerd.  
 
Eliminatie:  
Ongeveer de helft van de geabsorbeerde dosis wordt binnen 24 uur via de urine uitgescheiden en 85 % 
van een intraveneuze dosis wordt na 28 dagen in de urine teruggevonden. De gemiddelde renale 
klaring is 105 ml/min en de gemiddelde totale klaring 122 ml/min. Het verschil in klaring kan 
waarschijnlijk worden toegeschreven als gevolg van adsorptie aan bot. De renale klaring is 
onafhankelijk van de concentratie en er bestaat een lineair verband tussen renale en creatinineklaring. 
Niet-geabsorbeerd natriumrisedronaat wordt onveranderd in de faeces uitgescheiden. Na orale 
toediening vertoont het concentratie-tijd profiel drie eliminatiefasen met een terminale halfwaardetijd 
van 480 uur.  
 
Bijzondere Populaties:  
Ouderen:  
Aanpassing van de dosering is niet nodig. 
 
Acetylsalicylzuur- en NSAID-gebruikers:  
Bij regelmatige inname van NSAIDs of acetylsalicylzuur (3 dagen of meer per week) was de 
incidentie van bijwerkingen ter hoogte van het bovenste gedeelte van het maagdarmkanaal bij 
patiënten behandeld met natriumrisedronaat vergelijkbaar met de incidentie bij de controlepatiënten. 
 
5.3 
Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek 
 
In de toxicologische studies met natriumrisedronaat bij rat en hond, werden dosisafhankelijke toxische 
effecten op de lever gezien, die zich voornamelijk uitten als verhoogde enzymwaarden met 
histologische veranderingen in de rat. De klinische betekenis hiervan is niet bekend. Toxiciteit op de 
testikels werd waargenomen bij ratten en honden na blootstelling die boven de menselijke 
therapeutische blootstelling lag. Dosis gerelateerd voorkomen van irritatie van de bovenste luchtwegen 
werd regelmatig vastgesteld bij knaagdieren. Soortgelijke effecten zijn vastgesteld met andere 
bisfosfonaten. Effecten op de lagere luchtwegen werden ook vastgesteld bij knaagdieren na inname 
over een langere periode, maar de klinische betekenis van deze bevindingen is onduidelijk. In 
reproductie toxiciteitsstudies vertoonden foetussen van behandelde vrouwelijke ratten veranderingen 
in de ossificatie van het sternum en/of de schedel, bij doses die de klinische benaderden. Bij drachtige 
ratten kwam hypocalciëmie voor en mortaliteit bij deze die mochten werpen. Er is geen bewijs van 
teratogenese bij 3,2 mg/kg/dag bij ratten en 10 mg/kg/dag bij konijnen, doch slechts gegevens van een 
beperkt aantal konijnen zijn beschikbaar. Toxiciteit bij de moeder belette het testen van hogere doses. 
De studies betreffende genotoxiciteit en carcinogenese wijzen niet op specifieke risico’s voor de mens.  
 
 
6. 
FARMACEUTISCHE GEGEVENS 
 
6.1 
Lijst van hulpstoffen 
 
Tabletkern:  
Gepregelatineerd zetmeel (maïs)  
Microkristallijne cellulose  
Crospovidon 
Magnesiumstearaat  


Filmomhulling:  
Hypromellose  
Lactosemonohydraat  
Titaandioxide (E171)  
Macrogol 4000  
 
6.2 
Gevallen van onverenigbaarheid 
 
Niet van toepassing. 
 
6.3 
Houdbaarheid 
 
3 jaar. 
 
6.4 
Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren 
 
Voor dit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities.  
 
6.5 
Aard en inhoud van de verpakking 
 
Opaque PVC/PE/PVDC/Aluminium blisterverpakking in een kartonnen doos.  
 
Verpakkingsgrootten: 4 of 12 tabletten.  
 
 Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht. 
 
6.6 
Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen <en andere instructies> 
 
Geen bijzondere vereisten. 
 
 
7. 
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN 
 
Bluefish Pharmaceuticals AB 
Torsgatan 11 
111 23 Stockholm 
Zweden 
 
 
8. 

NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN 
 
RVG 106295 
 
 
9. 
DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/HERNIEUWING VAN 
DE VERGUNNING
 
 
Datum van eerste verlening van de vergunning: 14 december 2010 
 
 
10. 
DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST 
 
Laatste gedeeltelijke wijziging betreft de rubrieken 2 en 4.6: 17 augustus 2012 
10 





« Vorige
[Risedronaatnatrium Actavis wekelijks 35 mg, filmomhulde tabletten]
Volgende »
[Risedronaatnatrium Bluefish wekelijks 35 mg, filmomhulde tabletten]