Bestanden
Home > Bestanden


Risedronaatnatrium ADAMED PHARMA wekelijks 35 mg, filmomhulde tabletten

Download: IB-tekst PDF
Zie ook: Bijsluiter


Samenvatting van de productkenmerken 
 
1. 
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL 
 

 
2. 
KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING 
 


Hulpstoffen: 133,58 lactose monohydrate/tabletten. 
Voor een volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1. 
 
3. 
FARMACEUTISCHE VORM 
 
Filmomhulde tablet. 
Filmomhulde, biconvexe, lichtoranje gekleurde ronde tablet. 
 
4. 
KLINISCHE GEGEVENS 
 
4.1        Therapeutische indicaties 

Behandeling van postmenopauzale osteoporose om het risico van wervelfracturen te 
verminderen. Behandeling van bewezen postmenopauzale osteoporose om het risico van 
heupfracturen te verminderen (zie rubriek 5.1). 
 
Behandeling van osteoporose bij mannen met een verhoogd risico op fracturen 
(zie rubriek 5.1). 
 
4.2 
Dosering en wijze van toediening 
De aanbevolen dosering voor volwassenen is Ã©Ã©n tablet van 35 mg Ã©Ã©nmaal per week 
oraal in te nemen. De tablet dient iedere week op dezelfde dag te worden ingenomen. 
 
De absorptie van natriumrisedronaat wordt beïnvloed door voedsel. Om adequate 
absorptie te garanderen dienen patiënten Risedronaatnatrium Wekelijks 35 mg in te 
nemen: 
• Voor het ontbijt: tenminste 30 minuten vóór andere geneesmiddelen en het eerste 
eten of drinken van de dag (met uitzondering van gewoon leidingwater). 
 
Patiënten moeten de instructie krijgen dat, als zij een dosis zijn vergeten, één 
Risedronaatnatrium Wekelijks 35 mg tablet moet worden ingenomen op de dag dat dit 
wordt herinnerd. Patiënten moeten dan wederom Ã©Ã©n tablet éénmaal per week innemen 
op de gebruikelijke dag. De patiënt mag geen twee tabletten op dezelfde dag innemen. 
De tablet moet in zijn geheel worden doorgeslikt en er mag niet op worden gezogen of 
gekauwd. 
 
Om het transport van de tablet naar de maag te bevorderen moet Risedronaatnatrium 
Wekelijks 35 mg rechtopzittend of staand ingenomen worden met een glas gewoon 
leidingwater (> 120 ml). Nadat de tablet is ingenomen, mag de patiënt de eerstvolgende 
30 minuten niet gaan liggen (zie rubriek 4.4). 
 

onvoldoende inname via de voeding. 
 
De optimale duur van de behandeling van osteoporose met een bisfosfonaat is niet 
vastgesteld. De noodzaak van voortgezette behandeling moet periodiek heroverwogen 

worden op basis van de voordelen en potentiële risico's van Risedronaatnatrium 
Wekelijks 35 mg voor de individuele patiënt, met name na 5 jaar gebruik of langer. 
 
Ouderen: Aanpassing van de dosering is niet nodig, omdat bij ouderen (> 60 
jaar) de biologische beschikbaarheid, de verdeling en de eliminatie overeenkomen met 
deze van jongere patiënten. Dit is tevens aangetoond bij bejaarden van 75 jaar en ouder 
en bij postmenopauzale populatie. 
 
Nierfunctiestoornis
: Bij patiënten met milde tot matige nierinsufficiëntie hoeft de 
dosering niet te worden aangepast. Natriumrisedronaat mag niet worden gebruikt door 
patiënten met een ernstige nierfunctiestoornis (creatinineklaring lager dan 30 ml/min)( zie 
rubriek 4.3 en 5.2). 
 
Pediatrische populatie: 
Natriumrisedronaat wordt niet aanbevolen voor gebruik bij 
kinderen jonger dan 18 jaar vanwege onvoldoende gegevens over veiligheid en 
werkzaamheid (zie ook punt 5.1). 
 
4.3 Contra-indicaties 
Overgevoeligheid voor natriumrisedronaat of voor één van de hulpstoffen. 
Hypocalciëmie (zie rubriek 4.4) 
Zwangerschap en borstvoeding. 
Ernstige nierinsufficiëntie (creatinineklaring < 30 ml/min). 
 
4.4 
Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik 
Voedsel, drank (met uitzondering van gewoon leidingwater) en geneesmiddelen 

kunnen de absorptie van bisfosfonaten verstoren en mogen niet tegelijkertijd worden 
ingenomen met Risedronaatnatrium Wekelijks 35 mg (zie rubriek 4.5). Het is 
noodzakelijk om de doseringsinstructies zorgvuldig op te volgen om de bedoelde 
effectiviteit te behouden (zie rubriek 4.2). 
 
De werkzaamheid van bisfosfonaten bij de behandeling van osteoporose hangt samen met 
de aanwezigheid van een lage botmineraaldichtheid en/of bestaande fracturen. 
Hoge leeftijd dan wel klinische risicofactoren voor fracturen zijn, op zichzelf staand, niet 
genoeg redenen om een osteoporosebehandeling met een bisfosfonaat te starten. Er 
bestaat slechts beperkt bewijs voor de effectiviteit van bisfosfonaten waaronder 

 
Bisfosfonaten zijn in verband gebracht met oesofagitis, gastritis en ulceratie van de 
oesofagus en gastroduodenum. Dus, voorzichtigheid is geboden: 
• Bij patiënten met een voorgeschiedenis van oesofagusaandoeningen die de 
passage door de slokdarm of de lediging ervan vertragen zoals stricturen en 
achalasie. 
• Bij patiënten die niet in staat zijn om 30 minuten na de inname van de tablet 
rechtop te kunnen blijven zitten of staan. 
• Als risedronaat wordt gegeven aan patiënten met actieve of recente 
problemen van de oesofagus of het bovenste gedeelte van het maagdarmkanaal. 
 
Artsen moeten aan patiënten het belang van de doseringsinstructies uitleggen en 
benadrukken alert te zijn op klachten en symptomen van een mogelijke oesofageale 
reactie. Patiënten moeten geïnstrueerd worden om tijdig medische hulp te zoeken indien 
zij klachten van oesofageale irritatie zoals dysfagie, pijn bij slikken, retrosternale pijn of 
nieuw/verergerd zuurbranden ontwikkelen.  
 

Hypocalciëmie moet worden behandeld, voordat met Risedronaatnatrium Wekelijks 35 
mg wordt gestart. Andere stoornissen van het bot- en mineraalmetabolisme (bijvoorbeeld 
dysfunctie van de bijschildklier, hypovitaminose D) moeten worden behandeld wanneer 
met Risedronaatnatrium Wekelijks 35 mg wordt gestart. 
 
Osteonecrose van de kaak, algemeen geassocieerd met het trekken van tanden en/of 
locale infectie (inclusief osteomyelitis) is gemeld bij kankerpatiënten met 
behandelingsschema’s met daarin primair intraveneus toegediende bisfosfonaten. Veel 
van deze patiënten kregen ook chemotherapie en corticosteroïden. Osteonecrose van de 
kaak is ook gemeld bij osteoporosepatiënten die orale bisfosfonaten kregen. 
 
Een tandonderzoek met geschikte preventieve tandheelkunde moet overwogen worden 
vóór de behandeling met bisfosfonaten bij patiënten met bijkomende risicofactoren (bv. 
kanker, chemotherapie, radiotherapie, corticosteroïden, slechte mondhygiëne).  
 
Tijdens de behandeling moeten deze patiënten zo mogelijk invasieve tandbehandelingen 
vermijden. Voor patiënten die osteonecrose van de kaak ontwikkelen tijdens de therapie 
met bisfosfonaten, kunnen tandheelkundige operaties de klachten verergeren. Voor 
patiënten waarvoor tandheelkundige operaties noodzakelijk zijn, zijn geen gegevens 
beschikbaar die aangeven of discontinueren van de behandeling met bisfosfonaten het 
risico op osteonecrose van de kaak vermindert.  
 
De klinische beoordeling door de behandelend arts dient de richtlijn te zijn voor het 
behandelingsplan van elke patiënt, gebaseerd op een individuele afweging van de voor- 
en nadelen.  
 
Atypische femurfracturen  
 
Bij behandeling met bisfosfonaten zijn atypische subtrochantere en 
femurschachtfracturen gemeld, met name bij patiënten die langdurig wegens osteoporose 
behandeld worden. Deze transversale of korte schuine fracturen kunnen langs het hele 
femur optreden vanaf direct onder de trochanter minor tot vlak boven de supracondylaire 
rand. Deze fracturen treden op na minimaal of geen trauma. Sommige patiënten ervaren 
pijn in de dij of lies, weken tot maanden voor het optreden van een volledige femorale 
fractuur, vaak samen met kenmerken van stressfracturen bij beeldvormend onderzoek. De 
fracturen zijn in veel gevallen bilateraal. Daarom moet het contralaterale femur worden 
onderzocht bij patiënten die met bisfosfonaten worden behandeld en een 
femurschachtfractuur hebben opgelopen. Ook is slechte genezing van deze fracturen 
gemeld. Op basis van een individuele inschatting van de voor- en nadelen moet worden 
overwogen om de bisfosfonaattherapie te staken bij patiënten met verdenking op een 
atypische femurfractuur tot er een beoordeling is gemaakt van de patiënt.  
Patiënten moeten het advies krijgen om tijdens behandeling met bisfosfonaten elke pijn in 
de dij, heup of lies te melden. Elke patiënt die zich met zulke symptomen aandient, moet 
worden onderzocht op een onvolledige femurfractuur. 
 
Dit geneesmiddel bevat lactose. Patiënten met zeldzame erfelijke aandoeningen als 
galactose-intolerantie, Lapp lactasedeficiëntie of glucose-galactose malabsorptie, dienen 
dit geneesmiddel niet te gebruiken. 
 
4.5 
Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie 
Formele interactiestudies met natriumrisedronaat zijn niet uitgevoerd. Tijdens de 
klinische studies werden echter geen klinisch relevante interacties met andere 
geneesmiddelen gevonden. Tijdens de fase III osteoporosestudies van natriumrisedronaat 

gebruiken en 45 % een niet-steroid anti-inflammatoir geneesmiddel (NSAIDs).  Tijdens 


NSAIDs door 57% respectievelijk 40% van de patiënten gemeld. 
Bij regelmatige gebruikers van acetylsalicylzuur of NSAIDs (≥ 3 dagen per week) was de 
incidentie van bijwerkingen ter hoogte van het bovenste gedeelte van het maagdarmkanaal 
bij patiënten behandeld met natriumrisedronaat vergelijkbaar met de incidentie bij de 
controlepatiënten. 
 
Indien nodig geacht kan natriumrisedronaat gelijktijdig gebruikt worden met 
oestrogeensuppletie (alleen voor vrouwen). 
 
Gelijktijdige inname van geneesmiddelen die meerwaardige kationen bevatten 

natriumrisedronaat (zie rubriek 4.4). 
 
Natriumrisedronaat wordt niet systemisch gemetaboliseerd, geeft geen cytochroom P450 
inductie en heeft een geringe eiwitbinding. 
 
4.6 
Zwangerschap en borstvoeding 
Er zijn geen adequate gegevens beschikbaar over het gebruik van natriumrisedronaat bij 
zwangere vrouwen. Onderzoek bij dieren heeft reprotoxiciteit aangetoond (zie rubriek 
5.3). Het potentieel risico voor de mens is niet bekend. Onderzoek bij dieren heeft 
aangetoond dat een kleine hoeveelheid natriumrisedronaat overgaat in moedermelk. 
 
Natriumrisedronaat mag niet tijdens de zwangerschap of bij borstvoeding worden 
gebruikt. 
 
4.7 
Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te gebruiken. 
Er werden geen effecten waargenomen die de rijvaardigheid en het vermogen om 
machines te gebruiken beïnvloeden. 
 
4.8 Bijwerkingen 
 
In fase III studies werd het gebruik van natriumrisedronaat bij meer dan 15.000 patiënten 
bestudeerd.  
In de klinische proeven was de  meerderheid van de bijwerkingen licht tot matig van 
ernst en meestal was stoppen van de behandeling niet nodig. 
 
Bijwerkingen gerapporteerd tijdens de fase III klinische studies bij postmenopauzale 
vrouwen met osteoporose, behandeld tot 36 maanden met risedronaat 5 mg/dag (n=5020) 
of placebo (n=5048), gezien als mogelijk of waarschijnlijk gerelateerd aan risedronaat 
zijn hieronder weergegeven gebruik makend van de volgende frequentiegroepen 
(voorvallen versus placebo worden weergegeven tussen haakjes): zeer vaak (≥1/10); vaak 
(≥1/100, <1/10); soms (≥1/1000, <1/100); zelden (≥1/10.000, <1/1000); zeer zelden 
(<1/10.000). 
 
Zenuwstelselaandoeningen: 
Vaak:   hoofdpijn (1,8% vs 1,4 %) 
 
Oogaandoeningen: 
Soms:   iritis* 
 
Maagdarmstelselaandoeningen: 
Vaak:   obstipatie (5,0% vs 4,8%), dyspepsie (4,5% vs 4,1%), nausea (4,3% vs 4,0%), 
buikpijn (3,5% vs 3,3%), diarree (3,0% vs 2,7%) 

Soms:  gastritis (0,9% vs 0,7%), oesophagitis (0,9% vs 0,9%), dysfagie (0,4% vs 0,2%), 
duodenitis (0,2% vs 0,1%), oesophagale ulcus (0,2% vs 0,2%) 
Zelden: glossitis (<0,1% vs 0,1%), oesophagale strictuur (<0,1% vs 0,0%) 
 
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen: 
Vaak:  musculoskeletale pijn (2,1% vs 1,9%) 
 
Onderzoeken: 
Zelden: afwijkende leverfunctietesten* 
 
* Geen relevante voorvallen van de fase III osteoporose studies; frequentie is gebaseerd 
op bijwerkingen/laboratorium/immuniteitsonderzoek bevindingen uit eerdere klinische 
studies. 
 
In een éénjarig, dubbelblind, multicenter onderzoek bij postmenopauzale vrouwen met 
osteoporose waarbij natriumrisedronaat 35 mg wekelijks (n=485) en natriumrisedronaat 5 
mg dagelijks (n=480) vergeleken is, blijkt dat de algehele veiligheids- en 
tolerantieprofielen vergelijkbaar zijn. De volgende bijkomende bijwerkingen die 
genoemd zijn door onderzoekers als mogelijk of waarschijnlijk gerelateerd aan het 
geneesmiddel (incidentie groter bij natriumrisedronaat 35 mg dan bij natriumrisedronaat 
5 mg groep): gastrointestinale aandoening (1,6% vs. 1,0%) en pijn (1,2% vs. 0,8%).  
 
In een 2-jaar durende studie bij mannen met osteoporose waren de algemene veiligheid 
en verdraagbaarheid vergelijkbaar tussen de behandelingsgroep en de placebogroep. 
Bijwerkingen waren consistent met eerder waargenomen bijwerkingen bij vrouwen. 
 
Laboratoriumbevindingen: Bij sommige patiënten zijn in het begin van de behandeling 
voorbijgaande, asymptomatische, lichte dalingen van de serumcalcium- en 
fosfaatspiegels waargenomen.  
 
De volgende bijwerkingen zijn gerapporteerd nadat Risedronaatnatrium op de markt 
kwam (frequentie onbekend): 
 
Oogaandoeningen: 
Iritis, uveitis 
 
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen: 
Osteonecrose van de kaak 
 
Huid en onderhuidaandoeningen: 
overgevoeligheid en huidreacties, zoals angiooedeem, huiduitslag, netelroos en 
huidreacties met blaasvorming, waarvan sommige ernstig, zoals geïsoleerde meldingen van 
Stevens-Johnson syndroom en toxische epidermale necrolyse en leukocytoclastische 
vasculitis. 
Haaruitval  
 
Immuunsysteemaandoeningen: 
Anafylactische reactie  
 
Lever- en galaandoeningen: 
Ernstige leveraandoeningen. In de meeste van de gemelde gevallen werden de patiënten 
tevens behandeld met andere producten waarvan bekend is dat het leveraandoeningen 
veroorzaakt. 
 

Volgende bijkomende bijwerkingen zijn gerapporteerd nadat natriumrisedronaat op de 
markt kwam (zelden): Atypische subtrochantere en femurschachtfracturen (bijwerking 
van bisfosfonaatklasse). 
 
 
4.9 Overdosering 
Er is geen specifieke informatie beschikbaar over de behandeling van overdosering met 
natriumrisedronaat.  
 
Na substantiële overdosering kan een daling van de serumcalciumspiegel worden 
verwacht. Bij sommige van deze patiënten zouden ook tekenen en symptomen van 
hypocalciëmie kunnen optreden. 
  
Melk of antacida die magnesium, calcium of aluminium bevatten, dienen te worden 
toegediend om natriumrisedronaat te binden en de absorptie van natriumrisedronaat te 
verminderen. In gevallen van substantiële overdosering kan maagspoeling worden 
overwogen om niet-geabsorbeerd natriumrisedronaat te verwijderen.  
 
5. 
FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN 
 
5.1 Farmacodynamische 

eigenschappen 
Farmacotherapeutische groep: Bisfosfonaten 
 
ATC code: M05BA07 
 
Natriumrisedronaat is een pyridinylbisfosfonaat dat zich bindt aan hydroxyapatiet en dat 
de botafbraak, veroorzaakt door osteoclasten, remt. De botomzetting vermindert terwijl 
de activiteit van de osteoblasten en de botmineralisatie behouden blijven. Tijdens 
preklinisch onderzoek werd voor natriumrisedronaat een potente anti-osteoclasten en 
botafbraakremmende activiteit aangetoond, waarbij de botmassa en de biomechanische 
skeletsterkte dosisafhankelijk toenamen. De activiteit van natriumrisedronaat werd 
bevestigd door metingen van biochemische markers van de botomzetting tijdens de 
farmacodynamische en de klinische studies. In studies bij postmenopauzale vrouwen 
werd een daling van de biochemische markers van de botomzetting waargenomen binnen 
1 maand na starten van de behandeling en was na 3-6 maanden maximaal. Na 12 
maanden waren dalingen van biochemische botmarkers vergelijkbaar voor 
Risedronaatnatrium Wekelijks 35 mg en Risedronaatnatrium 5 mg dagelijks.  
 
In een studie bij mannen met osteoporose werden dalingen van biochemische markers 
van de botomzetting reeds waargenomen vanaf 3 maanden en bleven zichtbaar tot 24 
maanden. 
 
Behandeling van postmenopauzale osteoporose: 
Een aantal risicofactoren wordt geassocieerd met postmenopauzale osteoporose zoals een 
lage botmassa, een lage botmineraaldensiteit (BMD), vroege menopauze, roken of 
hebben gerookt en een familiegeschiedenis van osteoporose. Fracturen zijn het klinische 
gevolg van osteoporose. Het risico op fracturen neemt toe met het aantal risicofactoren.  
 
Gebaseerd op effecten van de gemiddelde verandering in de BMD van de lumbale 
wervelkolom is aangetoond dat natriumrisedronaat 35 mg per week (n=485) equivalent is 
aan natriumrisedronaat 5 mg per dag (n=480) in een Ã©Ã©njarig, dubbelblind, 
multicenteronderzoek bij postmenopauzale vrouwen met osteoporose.  
 
Het klinische programma met natriumrisedronaat dagelijks toegediend bestudeerde het 
effect van natriumrisedronaat op het risico van heup- en wervelfracturen en omvatte 

vroeg en laat postmenopauzale vrouwen, met of zonder fracturen. Doses van 2,5 mg en 5 
mg werden bestudeerd en alle groepen - met inbegrip van de controlegroepen - kregen 
calcium en vitamine D (wanneer de ‘baseline’waarden laag waren). De absolute en 
relatieve risico’s voor nieuwe wervel- en heupfracturen werden door een ‘time-to-first-
event’-analyse bepaald.  
 
•  In twee placebo-gecontroleerde studies (n = 3661) werden vrouwen onder de 85 jaar met 
bestaande wervelfracturen geïncludeerd. Natriumrisedronaat 5 mg per dag, gegeven gedurende 
3 jaar, verminderde het risico van nieuwe wervelfracturen vergeleken met de controlegroep. Bij 
vrouwen met respectievelijk ten minste twee dan wel ten minste Ã©Ã©n wervelfractuur, nam het 
relatieve risico af met respectievelijk 49 % en 41 % (incidentie van nieuwe wervelfracturen met 
natriumrisedronaat respectievelijk 18,1 % en 11,3 %, met placebo respectievelijk 29,0 % en 
16,3 %). Het effect werd reeds gezien aan het einde van het eerste jaar behandelen.  Voordelen 
werden ook aangetoond bij vrouwen met multipele fracturen bij aanvang van de behandeling. 
Ook verminderde natriumrisedronaat 5 mg, in vergelijking met de controlegroep, het jaarlijkse 
lengteverlies. 
•  In twee andere placebo-gecontroleerde studies werden postmenopauzale vrouwen geïncludeerd 
ouder dan 70 jaar met of zonder bestaande wervelfracturen. Vrouwen van 70-79 jaar werden 
geïncludeerd met een femurhals BMD T-score < - 3 SD (fabrikantennorm; d.w.z. – 2,5 SD 
wanneer NHANES III wordt gebruikt) en tenminste Ã©Ã©n andere risicofactor.  Vrouwen > 80 jaar 
oud konden worden geïncludeerd op basis van één niet-skelet gerelateerde risicofactor voor 
heupfracturen dan wel een lage femurhals BMD. Statistische significantie voor de effectiviteit van 
natriumrisedronaat versus placebo werd enkel bereikt na samenvoegen van beide 
behandelingsgroepen, 2,5 en 5 mg. 
De volgende resultaten zijn gebaseerd op een a posteriori analyse van subgroepen gedefinieerd 
volgens de klinische praktijk en de huidige definities van osteoporose : 
- In een subgroep patiënten met femurhals BMD T score < - 2,5 SD (NHANES III) en ten 
minste één bestaande wervelfractuur, verminderde natriumrisedronaat – gegeven gedurende 3 
jaar – het risico van heupfracturen met 46% in vergelijking met de controlegroep (incidentie 
van heupfracturen met natriumrisedronaat in de gecombineerde 2,5 en 5 mg groepen 3,8%, met 
placebo 7,4 %). 
- Gegevens suggereren dat er een meer beperkte bescherming zou zijn bij hoogbejaarden (> 80 
jaar). Dit zou te wijten kunnen zijn aan het stijgende belang van niet-skelet gerelateerde 
factoren met toenemen van de leeftijd, bij het ontstaan van heupfracturen.  
In deze studies tonen gegevens – geanalyseerd als secundair eindpunt – een vermindering aan 
van het risico van nieuwe wervelfracturen bij patiënten met een lage femurhals BMD zonder 
bestaande wervelfracturen en bij patiënten met een lage femurhals BMD met of zonder 
bestaande wervelfracturen. 
 
•  Natriumrisedronaat 5 mg per dag, gegeven gedurende 3 jaar, verhoogde de BMD t.o.v. 
de controlegroep ter hoogte van de lumbale wervelkolom, femurhals, trochanter en pols en 
de botdichtheid ter hoogte van de midschacht radius bleef behouden.  
•  Het remmend effect van natriumrisedronaat op de botomzettingssnelheid was na een 
jaar zonder behandeling volgend op 3 jaar behandeling met natriumrisedronaat 5 mg per 
dag, snel omkeerbaar. 
•  Botbiopten van postmenopauzale vrouwen die 2 à 3 jaar natriumrisedronaat 5 mg per 
dag innamen, toonden de verwachte gematigde vermindering van de botomzetting.  Bot, 
gevormd tijdens de behandeling met natriumrisedronaat, had een normale lamellaire 
structuur en was normaal gemineraliseerd. Deze gegevens, samen met de verminderde 
incidentie bij postmenopauzale vrouwen met osteoporose, van osteoporotische fracturen 
ter hoogte van de wervels, lijken aan te geven dat er geen negatief effect is op de 
botkwaliteit.  
 

Endoscopische bevindingen bij een aantal patiënten met matige tot ernstige 
maagdarmklachten, zowel in de natriumrisedronaat- als in de controlegroep, gaven géén 
aanwijzingen voor het ontstaan van aan de behandeling gerelateerde maag-, duodenum of 
oesofaguszweren, hoewel duodenitis in zeldzame gevallen werd waargenomen in de 
natriumrisedronaatgroep.  
 
Behandeling van osteoporose bij mannen: 
De werkzaamheid van natrium risedronaat 35 mg wekelijks bij mannen met osteoporose 
(leeftijd variërend van 36 tot 84 jaar) is aangetoond tijdens een tweejarig, dubbelblind, 
placebo-gecontroleerd onderzoek bij 284 patiënten (natriumrisedronaat 35 mg n=191). 
Alle patiënten kregen aanvullend calcium en vitamine D. 
 
Al 6 maanden na het begin van de behandeling met natriumrisedronaat werden toenames 
van BMD waargenomen. Natriumrisedronaat 35 mg wekelijks veroorzaakte geringe 
toename van BMD van de lumbale wervelkolom, femurhals, trochanter en totale heup 
vergeleken met placebo na 2 jaar behandeling. 
Het effect van natriumrisedronaat op bot (BMD toename en BTM afname) is 
vergelijkbaar bij mannen en vrouwen. 
 
Pediatrische populatie: De veiligheid en werkzaamheid van natriumrisedronaat wordt 
onderzocht in een nog lopende studie bij pediatrische patiënten in de leeftijd van 4 tot 
jonger dan 16 jaar met osteogenesis imperfecta. Na voltooiing van het eerste jaar van dit 
gerandomiseerd, dubbelblind en placebo-gecontroleerd onderzoek werd een statistisch 
aanzienlijke verhoging van de BMD van de lumbale wervelkolom aangetoond bij de 
risedronaat groep versus de placebo groep. Echter werd een verhoogd aantal van 
minstens 1 nieuwe morfometrische wervelfractuur (aangetoond op een röntgenfoto) 
gevonden in de risedronaat groep versus de placebo groep. Over het algemeen 
ondersteunen deze resultaten het gebruik van risedronaat bij pediatrische patiënten met 
osteogenesis imperfecta niet. 
 
5.2 Farmacokinetische 
eigenschappen 
Absorptie: 
Na een orale dosis vindt absorptie van natriumrisedronaat relatief snel plaats (tmax ~1 uur). In 
het onderzochte traject (in studies met een enkele dosis tussen 2,5 en 30 mg; in studies met 
meervoudige doses tussen 2,5 en 5 mg dagelijks en tot 50 mg dosis wekelijks) is de 
absorptie onafhankelijk van de dosis. De gemiddelde biologische beschikbaarheid na inname 
van de tablet is 0,63 % en deze neemt af wanneer natriumrisedronaat samen met voedsel 
wordt ingenomen.  De biologische beschikbaarheid is vergelijkbaar bij mannen en vrouwen.  
 
Distributie: 
Het gemiddelde steady-state distributievolume van natriumrisedronaat bij de mens bedraagt 
6,3 l/kg. De plasma-eiwitbinding bedraagt ongeveer 24 %.  
 
Metabolisatie: 
Er zijn geen aanwijzingen dat natriumrisedronaat systemisch wordt gemetaboliseerd. 
 
Eliminatie: 
Ongeveer de helft van de geabsorbeerde dosis natriumrisedronaat wordt binnen 24 uur 
via de urine uitgescheiden en 85 % van een intraveneuze dosis wordt na 28 dagen in de 
urine teruggevonden. De gemiddelde renale klaring is 105 ml/min en de gemiddelde 
totale klaring 122 ml/min. Het verschil in klaring kan waarschijnlijk worden 
toegeschreven aan de adsorptie aan bot. De renale klaring is onafhankelijk van de 
concentratie en er bestaat een lineair verband tussen renale en creatinineklaring. Niet-
geabsorbeerd natriumrisedronaat wordt onveranderd in de feces uitgescheiden. Na orale 

toediening vertoont het concentratie-tijd profiel drie eliminatiefasen met een terminale 
halfwaardetijd van 480 uur.  
 
Bijzondere Populaties: 
Ouderen: aanpassing van de dosering is niet nodig. 
 
Acetylsalicylzuur- en NSAID-gebruikers : 
Bij regelmatige inname van NSAIDs of acetylsalicylzuur (3 dagen of meer per week) was 
de incidentie van bijwerkingen ter hoogte van het bovenste gedeelte van het 
maagdarmkanaal bij patiënten behandeld met natriumrisedronaat vergelijkbaar met de 
incidentie bij de controlepatiënten. 
 
5.3 
Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek 
In de toxicologische studies met natriumrisedronaat bij rat en hond, werden dosisafhankelijke 
toxische effecten op de lever gezien, die zich voornamelijk uitten als verhoogde enzymwaarden 
met histologische veranderingen in de rat. De klinische betekenis hiervan is niet bekend. 
Toxiciteit op de testikels werd waargenomen bij ratten en honden na blootstelling die boven de 
menselijke therapeutische blootstelling lag. Dosis gerelateerd voorkomen van irritatie van de 
bovenste luchtwegen werd regelmatig vastgesteld bij knaagdieren. Soortgelijke effecten zijn 
vastgesteld met andere bisfosfonaten. Effecten op de lagere luchtwegen werden ook vastgesteld 
bij knaagdieren na inname over langere periode, maar de klinische betekenis van deze 
bevindingen is onduidelijk. In reproductie toxiciteitsstudies vertoonden foetussen van 
behandelde vrouwelijke ratten veranderingen in de ossificatie van het sternum en/of de schedel, 
bij doses die de klinische benaderden. Bij drachtige ratten kwam hypocalciëmie en mortaliteit 
voor bij deze die mochten werpen. Er is geen bewijs van teratogenese bij 3,2 mg/kg/dag bij 
ratten en 10 mg/kg/dag bij konijnen, doch slechts gegevens van een beperkt aantal konijnen zijn 
beschikbaar. Toxiciteit bij de moeder belette het testen van hogere doses. De studies betreffende 
genotoxiciteit en carcinogenese wijzen niet op specifieke risico’s voor de mens.  
 
6. 
FARMACEUTISCHE GEGEVENS 
 
6.1 

Lijst van hulpstoffen 
 
Tabletkern: lactosemonohydraat 
microkristallijne cellulose 
crospovidon  
magnesiumstearaat. 
 
Filmomhulling: geel ijzeroxide (E 172) 
rood ijzeroxide (E 172) 

hyprolose 
siliciumdioxide 
titaniumdioxide (E 171) 

macrogol 8000 
 
 
6.2 
Gevallen van onverenigbaarheid 
Niet van toepassing 
 
6.3 Houdbaarheid 
3 jaar 
 
6.4 
Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren 

Voor dit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities. 
 
6.5 
Aard en inhoud van de verpakking 
Witte PVC / PVDC laminaat en aluminiumfolie doordrukstrips in kartonnen dozen. 
doordrukstrips in verpakkingen van 2, 4, of 12 (3x4) tabletten.  
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht. 
 
6.6 
Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen 
Geen bijzondere vereisten. 
 
7. 
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN 
 

Ul. Szkolna 33 
95-054 Ksawerów, Polen 
 
8. 
NUMMER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN HANDEL BRENGEN 
 
RVG 107001 
 
9. 
DATUM VAN EERSTE VERLENGING VAN DE VERGUNNING/ 
HERNIEUWING VAN DE VERGUNNING  
 
Datum van eerste verlening van de vergunning: 20 januari 2011. 
 
10. 
DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST 
 
Laatste gedeeltelijke wijziging betreft rubriek 4.2, 4.4 en 4.8: 9 oktober 2011. 





« Vorige
[Risedronaatnatrium ADAMED PHARMA wekelijks 35 mg, filmomhulde tabletten]
Volgende »
[Risedronaatnatrium Wekelijks 35 mg PCH, filmomhulde tabletten]