Bestanden
Home > Bestanden


Risedronaatnatrium BGR 75 mg, filmomhulde tabletten

RegistratienummerRVG 109089
ProcedurenummerFR/H/0489/001
Farmaceutische vormFilmomhulde tablet
ToedieningswegOraal gebruik
ATCM05BA07 - Risedronic Acid
AfleverstatusUitsluitend recept
Registratiedatum13 maart 2012
RegistratiehouderBiogaran
15 boulevard Charles de Gaulle
92707 COLOMBES CEDEX (FRANKRIJK)
Werkzame stof(fen)NATRIUMRISEDRONAAT 1-WATER
SAMENSTELLING
overeenkomend met
NATRIUMRISEDRONAAT 0-WATER
Hulpstof(fen)CELLULOSE, MICROKRISTALLIJN (E 460)
CROSPOVIDON (E 1202)
IJZEROXIDE ROOD (E 172)
MACROGOL 4000
MAGNESIUMSTEARAAT (E 572)
POLYVINYLALCOHOL (E1203)
TALK (E 553 B)
TITAANDIOXIDE (E 171)
SAMENSTELLING
overeenkomend met
RISEDRONINEZUUR
Download: IB-tekst PDF
Zie ook: Bijsluiter


1. 
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL 
 
Risedronaatnatrium BGR 75 mg, filmomhulde tabletten 
 
 
2. 

KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING 
 
Bevat per filmomhulde tablet 75 mg natriumrisedronaat, (overeenkomend met 69,6 mg 
risedroninezuur).  
 
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.  
 
 
3. 
FARMACEUTISCHE VORM 
 
Filmomhulde tablet.  
Roze, langwerpige filmomhulde tablet 
 
 
4. 
KLINISCHE GEGEVENS 
 
4.1 
Therapeutische indicaties 
 
Behandeling van postmenopauzale osteoporose bij vrouwen die verhoogd risico hebben op fracturen 
(zie rubriek 5.1). 
 
 
4.2 
Dosering en wijze van toediening 
 
De  aanbevolen  dosering  voor  volwassenen  is  één  tablet  van  75  mg  oraal  op  twee  opeenvolgende 
dagen  per  maand.  De  eerste  tablet  zou  moeten  worden  ingenomen  op  dezelfde  dag  iedere  maand, 
gevolgd door de tweede tablet op de volgende dag. 
  De  absorptie  van  natriumrisedronaat  wordt  beïnvloed  door  voedsel  en  meerwaardige 
kationen  (zie  rubriek  4.5),  dus  om  adequate  absorptie  te  garanderen  dienen  patiënten 
Risedronaatnatrium  BGR  75  mg  voor  het  ontbijt  in  te  nemen:  tenminste  30  minuten  voor 
het  eerste  eten,  andere  geneesmiddelen  of  drinken  (met  uitzondering  van  gewoon 
leidingwater)  van  de  dag.  Risedronaatnatrium  BGR  75  mg  tablet  mag  alleen  ingenomen 
worden  met  gewoon  leidingwater.  Let  op  dat mineraalwater soms een hogere concentratie 
calcium zou kunnen hebben en daarom niet gebruikt moet worden (zie rubriek 5.2). 
  Patiënten moeten de instructie krijgen dat, als zij een dosis van Risedronaatnatrium BGR 75 
mg zijn vergeten, één Risedronaatnatrium BGR 75 mg tablet moet worden ingenomen op 
de 
ochtend na de dag dat dit wordt herinnerd, tenzij de tijd tot de volgende maandelijks  
geplande dosis binnen 7 dagen is. Patiënten zouden dan weer moeten overgaan naar 
Risedronaatnatrium BGR 75 mg tablet op twee opeenvolgende dagen in de maand op de 
dag dat de tablet normaal wordt ingenomen. 
  Als  de  volgende  maandelijks  geplande  dosis  Risedronaatnatrium  BGR  75  mg  binnen  7 
dagen  is,  zouden  patiënten  moeten  wachten  tot  de  geplande  dosis  van  volgende  maand en 
dan  verdergaan  met  Risedronaatnatrium  BGR  75  mg  te  nemen  iedere  maand  op  twee 
opeenvolgende dagen zoals oorspronkelijk gepland. 
  Drie tabletten moeten niet worden ingenomen in dezelfde week.  
De tablet moet in zijn geheel worden doorgeslikt en mag niet worden opgezogen of gekauwd. Om 
het transport van de tablet naar de maag te bevorderen moet Risedronaatnatrium BGR 75 mg zittend 
 FR/H/489/01/DC – SPC – version 02 

of staand ingenomen worden met een glas gewoon leidingwater (>120 ml). Nadat de tablet is 
ingenomen, mag de patiënt de eerstvolgende 30 minuten niet gaan liggen (zie rubriek 4.4 ). 
Toedienen van extra calcium en vitamine D dient te worden overwogen bij onvoldoende inname via 
de voeding.  
 
Ouderen:  
Aanpassing van de dosering is niet nodig, omdat bij ouderen (> 60 jaar) de biologische 
beschikbaarheid, de verdeling en de eliminatie overeenkomen met deze van jongere patiënten.  
Dit is tevens aangetoond bij de heel oude postmenopauzale populatie van 75 jaar en ouder. 
 
Nierfunctiestoornis:  
Bij patiënten met milde tot matige nierinsufficiëntie hoeft de dosering niet te worden aangepast. 
Natriumrisedronaat mag niet worden gebruikt bij patiënten met een ernstige nierfunctiestoornis 
(creatinine klaring lager dan 30 ml/min) (zie rubrieken 4.3 en 5.2).   
 
Pediatrische populatie: 
Natriumrisedronaat wordt niet aanbevolen voor gebruik bij kinderen beneden de 18 vanwege 
onvoldoende gegevens omtrent de veiligheid en werkzaamheid (zie ook rubriek 5.1). 
 
De optimale duur van behandeling van osteoporose met een bisfosfonaat is niet vastgesteld. De 
noodzaak van voortgezette behandeling moet periodiek heroverwogen worden op basis van de 
voordelen en potentiële risico’s van Risedronaatnatrium BGR 75 mg voor de individuele patiënt, met 
name na 5 jaar gebruik of langer. 
 
 
4.3 
Contra-indicaties 
 
Overgevoeligheid voor het werkzaam bestanddeel of voor één van de in rubriek 6.1 vermelde 
hulpstoffen. 
Hypocalciëmie (zie rubriek 4.4).  
Zwangerschap en borstvoeding.  
Ernstige nierinsufficiëntie (creatinineklaring < 30 ml/min). 
 
 
4.4 
Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik  
 
Voedsel,  drank  (met  uitzondering  van  gewoon  leidingwater)  en  geneesmiddelen  die  meerwaardige 
kationen  bevatten  (zoals  calcium,  magnesium,  ijzer  en  aluminium)  kunnen  de  absorptie  van 
bisfosfonaten  verstoren  en  mogen  niet  tegelijkertijd  worden  ingenomen  met  Risedronaatnatrium 
BGR  75  mg  (zie  rubriek  4.5).  Om  de  bedoelde  effectiviteit  te  bereiken  is  strikte  navolging  van 
doseringsinstructies noodzakelijk (zie rubriek 4.2).  
De werkzaamheid van bisfosfonaten bij de behandeling van osteoporose hangt samen met de 
aanwezigheid van een lage botmineraaldichtheid en/of bestaande fracturen.  
Hoge leeftijd dan wel klinische risicofactoren voor fracturen zijn, op zichzelf staand, niet genoeg 
redenen om een osteoporosebehandeling met een bisfosfonaat te starten.  
Er bestaat slechts beperkt bewijs voor de effectiviteit van bisfosfonaten waaronder 
natriumrisedronaat bij zeer oude mensen (> 80 jaar), (zie rubriek 5.1).   
 
Bisfosfonaten zijn in verband gebracht met oesofagitis, gastritis, ulceratie van de oesofagus en 
gastro-duodenale ulceraties. Voorzichtigheid is geboden:  
•  Bij patiënten met een voorgeschiedenis van oesofagusaandoeningen die de passage door de 
slokdarm of de lediging ervan vertragen zoals stricturen en achalasie.  
FR/H/489/01/DC – SPC – version 02 

•  Bij patiënten die niet in staat zijn om tenminste 30 minuten na de inname van de tablet rechtop 
te kunnen blijven zitten of staan.  
 Wanneer  natriumrisedronaat  wordt  gegeven  aan  patiënten  met  actieve of recente problemen 
van de oesofagus of het bovenste gedeelte van het maagdarmkanaal. 
 
Artsen moeten aan patiënten het belang van de doseringsinstructies uitleggen en benadrukken alert te 
zijn op aanwijzingen en symptomen van mogelijke oesofagale reactie. Patiënten moeten geïnstrueerd 
worden om tijdig medische hulp te zoeken indien zij klachten van oesofagale irritatie zoals dysfagie, 
pijn bij slikken, retrosternale pijn of nieuw/verergerd zuurbranden ontwikkelen.  
 
Hypocalciëmie  moet  worden  behandeld  voordat  met  Risedronaatnatrium BGR 75 mg wordt gestart. 
Andere  stoornissen  van  het  bot-  en  mineraalmetabolisme  (bijvoorbeeld  dysfunctie  van  de 
bijschildklier,  hypovitaminose  D)  moeten  worden  behandeld, wanneer met  Risedronaatnatrium BGR 
75 mg wordt gestart.  
 
Osteonecrose  van  de  kaak,  algemeen  geassocieerd  met  het  trekken  van  tanden  en/of  lokale infectie 
(inclusief  osteomyelitis)  is  gemeld  bij  kankerpatiënten met behandelingsschema’s met daarin primair 
intraveneus  toegediende  bisfosfonaten.  Veel  van  deze  patiënten  kregen  ook  chemotherapie  en 
corticosteroïden.  Osteonecrose  van  de  kaak  is  ook  gemeld  bij  osteoporosepatiënten  die  orale 
bisfosfonaten kregen.  
  
Een tandonderzoek met geschikte preventieve tandheelkunde moet overwogen worden vóór de 
behandeling met bisfosfonaten bij patiënten met bijkomende risicofactoren (bv. kanker, 
chemotherapie, radiotherapie, corticosteroïden, slechte mondhygiëne).  
  
Tijdens de behandeling moeten deze patiënten zo mogelijk invasieve tandbehandelingen vermijden. 
Voor patiënten die osteonecrose van de kaak ontwikkelen tijdens de therapie met bisfosfonaten, 
kunnen tandheelkundige operaties de klachten verergeren. Voor patiënten waarvoor tandheelkundige 
operaties noodzakelijk zijn, zijn geen gegevens beschikbaar die aangeven of discontinueren van de 
behandeling met bisfosfonaten het risico op osteonecrose van de kaak vermindert.   
De klinische beoordeling door de behandelend arts dient de richtlijn te zijn voor het behandelingsplan 
van elke patiënt, gebaseerd op een individuele afweging van de voor- en nadelen.  
 
Atypische femurfracturen 
Bij  behandeling  met  bisfosfonaten  zijn  atypische  subtrochantere  en  femurschachtfracturen  gemeld, 
met  name  bij  patiënten  die  langdurig  wegens  osteoporose  behandeld  worden.  Deze  transversale  of 
korte  schuine  fracturen  kunnen  langs  het  hele  femur  optreden  vanaf  direct  onder  de  trochanter 
minor  tot  vlak  boven  de  supracondylaire  rand.  Deze  fracturen  treden  op  na  minimaal  of  geen 
trauma.  Sommige  patiënten  ervaren  pijn  in  de  dij  of  lies,  weken  tot maanden voor het optreden van 
een  volledige  femorale  fractuur,  vaak  samen  met  kenmerken  van  stressfracturen  bij  beeldvormend 
onderzoek.  De  fracturen  zijn  in  veel  gevallen  bilateraal.  Daarom  moet  het  contralaterale  femur 
worden  onderzocht  bij  patiënten  die  met  bisfosfonaten  worden  behandeld  en  een 
femurschachtfractuur  hebben  opgelopen.  Ook  is  slechte  genezing  van  deze  fracturen  gemeld.  Op 
basis  van  een  individuele  inschatting  van  de  voor-  en  nadelen  moet  worden  overwogen  om  de 
bisfosfonaattherapie  te  staken  bij  patiënten  met  verdenking  op  een  atypische  femurfractuur  tot  er 
een 
beoordeling 
is 
gemaakt 
van 
de 
patiënt. 
Patiënten  moeten  het  advies  krijgen  om  tijdens  behandeling  met  bisfosfonaten  elke  pijn  in  de  dij, 
heup  of  lies  te  melden.  Elke  patiënt  die  zich  met  zulke  symptomen  aandient,  moet  worden 
onderzocht op een onvolledige femurfractuur. 
 
 
FR/H/489/01/DC – SPC – version 02 

4.5 
Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie  
 
Formele  interactiestudies  zijn  niet  uitgevoerd.  Tijdens  de  klinische  studies  werden  echter  geen 
klinisch  relevante  interacties  met  andere  geneesmiddelen  gevonden.  Tijdens  de  fase  III  studies  van 
natriumrisedronaat  met  een  dagelijkse  dosering  voor  behandeling  van  osteoporose,  vermeldde  33% 
van  de  patiënten  ook  acetylsalicylzuur  te  gebruiken  en  45%  NSAIDs.  Tijdens  de  Phase  III  studie 
waarin bij postmenopauzale vrouwen 75 mg op 2 opeenvolgende dagen per maand wordt vergeleken 
met  5  mg  dagelijks,  vermeldde  54,8%  van  de  patiënten  acetylsalicylzuur/NSAID  te  gebruiken. 
Vergelijkbare  percentages patiënten ervaarden bijwerkingen ter hoogte van het bovenste gedeelte van 
het maagdarmkanaal ongeacht NSAIDs en aspirine gebruik.  
Natriumrisedronaat kan tegelijk met oestrogeensuppletie worden gebruikt, indien dit gewenst wordt 
geacht.  
Gelijktijdige inname van geneesmiddelen die meerwaardige kationen bevatten (bijvoorbeeld calcium, 
magnesium, ijzer en aluminium) verstoort de absorptie van natriumrisedronaat (zie rubriek 4.4).  
Natriumrisedronaat wordt niet systemisch gemetaboliseerd, geeft geen cytochroom P450 inductie 
en heeft een geringe eiwitbinding.  
 
 
4.6 
Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding 
 
Er  zijn  geen  adequate  gegevens  beschikbaar  over  het  gebruik  van  natriumrisedronaat  bij  zwangere 
vrouwen.  Onderzoek  bij  dieren  heeft  reprotoxiciteit  aangetoond  (zie  rubriek  5.3).  Het  potentiële 
risico  voor de mens is niet bekend. Onderzoek bij dieren heeft aangetoond dat een kleine hoeveelheid 
natriumrisedronaat  wordt  uitgescheiden  in  moedermelk.  Natriumrisedronaat  mag  niet  tijdens  de 
zwangerschap of bij borstvoeding worden gebruikt. 
 
 
4.7 

Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen  
 
Er werden geen effecten waargenomen die de rijvaardigheid en het vermogen om machines te  
bedienen beïnvloedden.  
 
 
4.8 
Bijwerkingen 
 
In fase III studies werd het gebruik van natriumrisedronaat bij meer dan 15.000 patiënten 
bestudeerd. 
In klinische studies was de meerderheid van de bijwerkingen licht tot matig van ernst en meestal 
was stoppen van de behandeling niet nodig. 
 
Bijwerkingen, gerapporteerd tijdens de fase III klinische studies bij postmenopauzale vrouwen met 
osteoporose, behandeld tot 36 maanden met natriumrisedronaat 5 mg/dag (n=5.020) of placebo 
(n=5.048), gezien als mogelijk of waarschijnlijk gerelateerd aan natriumrisedronaat, zijn hieronder 
weergegeven. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de volgende indeling (voorvallen versus placebo 
worden weergegeven tussen haakjes): zeer vaak (≥1/10); vaak (≥1/100, <1/10); soms (≥1/1.000, 
<1/100); zelden (≥1/10.000, <1/1.000); zeer zelden (<1/10.000) 
 
Zenuwstelselaandoeningen:  
Vaak: hoofdpijn (1,8% vs 1,4 %).  
 
Oogaandoeningen:  
Soms: iritis*.  
 
FR/H/489/01/DC – SPC – version 02 

Maagdarmstelselaandoeningen:  
Vaak: obstipatie (5,0% vs 4,8%), dyspepsie (4,5% vs 4,1%), nausea (4,3% vs 4,0%), buikpijn 
(3,5% vs 3,3%), diarree (3,0% vs 2,7%).  
Soms: gastritis (0,9% vs 0,7%), oesofagitis (0,9% vs 0,9%), dysfagie (0,4% vs 0,2%), duodenitis 
(0,2% vs 0,1%), oesofagus ulcus (0,2% vs 0,2%).  
Zelden: glossitis (<0,1% vs 0,1%), oesofagus strictuur (<0,1% vs 0,0%).   
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen:  
Vaak: musculoskeletale pijn (2,1% vs 1,9%).  
 
Onderzoeken:  
Zelden: afwijkende leverfunctietests*.  
 
 
* Geen relevante voorvallen in de fase III osteoporose studies; frequentie is gebaseerd op 
bijwerkingen/laboratorium/bevindingen na herhaalde blootstelling uit eerdere klinische studies.   
 
In een tweejarig, dubbelblind, multicenter onderzoek bij postmenopauzale vrouwen met osteoporose 
waarbij natriumrisedronaat 5 mg dagelijks (n=613) wordt vergeleken met natriumrisedronaat 75 mg 
tabletten op twee opeenvolgende dagen in de maand (n=616), blijkt dat de algehele 
veiligheidsprofielen vergelijkbaar zijn. De volgende bijwerkingen zijn genoemd door onderzoekers als 
mogelijk of waarschijnlijk gerelateerd aan het geneesmiddel (incidentie groter in natriumrisedronaat 
75 mg dan in natriumrisedronaat 5 mg groep): 
 
Maagdarmstelselaandoeningen:  
Vaak:  erosieve gastritis (1,5% vs 0,8%), braken (1,3% vs 1,1%) 
 
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen:  
Vaak: artralgie (1,5% vs 1,0%), pijn in de botten (1,1% vs 0,5%) en pijn in extremiteiten (1,1% vs 
0,5%). 
 
Algemene aandoeningen: 
Soms: acute fase reacties, zoals koorts en/of influenza-achtige ziekte (binnen 5 dagen na de eerste 
dosis) (0,6% vs 0,0%) 
 
Laboratorium bevindingen:  
Bij sommige patiënten zijn in het begin van de behandeling voorbijgaande, asymptomatische, lichte 
dalingen van de serumcalcium- en fosfaatspiegels waargenomen. 
 
Sinds de introductie van het product zijn de volgende reacties gemeld (frequentie ‘zelden’):  
Atypische subtrochantere en femurschachtfracturen (bijwerking bisfosfonaatklasse). 
 
De volgende bijwerkingen zijn ook nog gemeld nadat natriumrisedronaat op de markt is gebracht 
(frequentie onbekend): 
 
Oogaandoeningen:
 
Iritis, uveïtis. 
 
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen:  
Osteonecrose van de kaak. 
 
FR/H/489/01/DC – SPC – version 02 

Huid en onderhuidaandoeningen:  
Overgevoeligheid  en  huidreacties,  zoals  angio-oedeem,  uitslag,  urticaria  en  bulleuze  huid  reacties, 
waarvan  sommige  ernstig  met  geïsoleerde  meldingen  van  Stevens-Johnson  syndroom,  toxische 
epidermale necrolyse en leukocytoclastische vasculitis. 
Haarverlies. 
  
Immuunsysteemaandoeningen: 
Anafylactische reactie 
 
 
Lever- en galaandoeningen: 
Ernstige leveraandoeningen. Bij veel van de gemelde bijwerkingen werden de patiënten gelijktijdig 
behandeld met andere geneesmiddelen waarvan bekend is dat deze leveraandoeningen kunnen 
veroorzaken. 
 
 
4.9 
Overdosering 
 
Er is geen specifieke informatie beschikbaar over de behandeling van overdosering met 
natriumrisedronaat.  
 
Na  substantiële  overdosering  kan  een  daling  van  de  serumcalciumspiegel  worden  verwacht.  Bij 
sommige  van  deze  patiënten  zouden  ook  tekenen  en  symptomen  van  hypocalciëmie  kunnen 
optreden. 
Melk of antacida die magnesium, calcium of aluminium bevatten, dienen te worden toegediend om 
risedronaat te binden en de absorptie van natriumrisedronaat te verminderen. In gevallen van 
substantiële overdosering kan maagspoeling worden overwogen om niet-geabsorbeerd 
natriumrisedronaat te verwijderen.  
 
 
5. 
FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN 
 
 
5.1   Farmacodynamische eigenschappen
 
 
Farmacotherapeutische categorie: Bisfosfonaten, ATC-code: M05BA07. 
 
Natriumrisedronaat  is  een  pyridinylbisfosfonaat  dat  zich  bindt  aan  hydroxyapatiet  en  dat  de 
botafbraak,  veroorzaakt  door  osteoclasten,  remt.  De  botomzetting  vermindert  terwijl  de  activiteit 
van  de  osteoblasten  en  de botmineralisatie behouden blijven. Tijdens het preklinisch onderzoek werd 
voor  natriumrisedronaat  een  potente anti-osteoclasten en botafbraakremmende activiteit aangetoond, 
waarbij de botmassa en de biomechanische skeletsterkte dosisafhankelijk toenamen. De activiteit van 
natriumrisedronaat  werd  bevestigd  door  metingen  van  biochemische  markers  van  de  botomzetting 
tijdens  de  farmacodynamische  en  de  klinische  studies.  In  studies  bij  postmenopauzale  vrouwen 
werd  een  daling  van  de  biochemische  markers  van  de  botomzetting  waargenomen  binnen  1 maand 
na  starten  van  de  behandeling  en  was  na  3-6  maanden  maximaal.  In  een  tweejarige  studie  was een 
daling  van  de  biochemische  markers  van  de  botomzetting  (urine-collageen  cross-linked  N 
telopeptide  en  serum  bot-specifieke  alkaline-fosfatase)  gelijk  tussen  natriumrisedronaat  75  mg 
tabletten  op  twee  opeenvolgende  dagen  in  de  maand  en  natriumrisedronaat  5  mg  tabletten  dagelijks 
bij 24 maanden. 
 
Behandeling van postmenopauzale osteoporose:
  
 
FR/H/489/01/DC – SPC – version 02 

Een  aantal  risicofactoren  wordt  geassocieerd  met  postmenopauzale  osteoporose  zoals  een  lage 
botmassa,  een  lage  botmineraaldensiteit,  bestaan  van  voorgaande  fracturen,  vroege  menopauze, 
roken of hebben gerookt, alcohol consumptie en een familiegeschiedenis van osteoporose. Fracturen 
zijn  het  klinische  gevolg  van  osteoporose.  Het  risico  op  fracturen  wordt  vergroot  met  het  aantal 
risico factoren. 
 
Gebaseerd op effecten van de gemiddelde verandering in de BMD van de lumbale wervelkolom is 
aangetoond dat natriumrisedronaat 75 mg (n=524) op twee opeenvolgende dagen per maand 
equivalent is aan natriumrisedronaat 5 mg dagelijks (n=527) in een tweejarig, dubbelblind, 
multicenter onderzoek bij postmenopauzale vrouwen met osteoporose. Beide groepen hadden een 
statistisch significant gemiddelde procentuele toename vanaf baseline tot maand 6, 12, 24 en 
eindpunt in BMD van de lumbale wervelkolom. 
  
Het klinische programma met natriumrisedronaat dagelijks toegediend bestudeerde het effect van 
natriumrisedronaat op het risico van heup- en wervelfracturen en omvatte vroeg en laat 
postmenopauzale vrouwen, met of zonder fracturen. Dagelijkse doses van 2,5 mg en 5 mg werden 
bestudeerd en alle groepen - met inbegrip van de controlegroepen – kregen calcium en vitamine D 
(wanneer de ‘baseline’ waarden laag waren). De absolute en relatieve risico’s voor nieuwe wervel- 
en heupfracturen werden door een ‘time-to-first event’ analyse bepaald.  
 
• 
In twee placebo-gecontroleerde studies (n = 3.661) werden vrouwen onder de 85 jaar met 
bestaande wervelfracturen geïncludeerd. Natriumrisedronaat 5 mg per dag, gegeven 
gedurende 3 jaar, verminderde het risico van nieuwe wervelfracturen vergeleken met de 
controlegroep. Bij vrouwen met respectievelijk ten minste twee dan wel ten minste één 
wervelfractuur, nam het relatieve risico af met respectievelijk 49% en 41% (incidentie van 
nieuwe wervelfracturen met natriumrisedronaat respectievelijk 18,1% en 11,3%, met placebo 
respectievelijk 29,0% en  
16,3 %). Het effect werd reeds gezien aan het einde van het eerste jaar behandelen. Voordelen 
werden ook aangetoond bij vrouwen met multipele fracturen bij aanvang van de behandeling. 
Ook verminderde natriumrisedronaat 5 mg, in vergelijking met de controlegroep, het jaarlijkse 
lengteverlies.  
 
• 
In twee andere placebo-gecontroleerde studies werden postmenopauzale vrouwen 
geïncludeerd ouder dan 70 jaar met of zonder bestaande wervelfracturen. Vrouwen van 70-79 
jaar werden geïncludeerd met een femurhals BMD T-score < - 3 SD (fabrikantennorm d.w.z. 
– 2,5 SD wanneer NHANES III wordt gebruikt) en tenminste één andere risicofactor. 
Vrouwen ≥ 80 jaar oud konden worden geïncludeerd op basis van ten minste één niet-skelet 
gerelateerde risicofactor voor heupfracturen dan wel een lage femurhals BMD. Statistische 
significantie voor de effectiviteit van risedronaat versus placebo werd enkel bereikt na 
samenvoegen van beide behandelingsgroepen, 2,5 en 5 mg. De volgende resultaten zijn 
gebaseerd op een a posteriori analyse van subgroepen gedefinieerd volgens de klinische 
praktijk en de huidige definities van osteoporose:  

In een subgroep patiënten met femurhals BMD T score < - 2,5 SD (NHANES III) en ten 
minste één bestaande wervelfractuur, verminderde natriumrisedronaat – gegeven gedurende 3 
jaar – het risico van heupfracturen met 46% in vergelijking met de controlegroep (incidentie 
van heupfracturen met natriumrisedronaat in de gecombineerde 2,5 en 5 mg groepen 3,8%, 
met placebo 7,4%).  

Gegevens suggereren dat er een meer beperkte bescherming zou zijn bij hoogbejaarden (> 80 
jaar). Dit zou te wijten kunnen zijn aan het stijgende belang van niet-skelet gerelateerde 
factoren met toenemen van de leeftijd, bij het ontstaan van heupfracturen. In deze studies 
tonen gegevens – geanalyseerd als secundair eindpunt – een vermindering aan van het risico 
van nieuwe wervelfracturen bij patiënten met een lage femurhals BMD zonder bestaande 
FR/H/489/01/DC – SPC – version 02 

wervelfracturen en bij patiënten met een lage femurhals BMD met of zonder bestaande 
wervelfracturen.  
 
  Natriumrisedronaat 5 mg per dag, gegeven gedurende 3 jaar, verhoogde de BMD t.o.v. de 
controlegroep ter hoogte van de lumbale wervelkolom, femurhals, trochanter en pols en de 
botdichtheid ter hoogte van de midschacht radius werd behouden.  
  Het remmend effect van natriumrisedronaat op de botomzettingssnelheid was na een jaar zonder 
behandeling volgend op 3 jaar behandeling met risedronaat 5 mg per dag, snel omkeerbaar.   
  Botbiopten van postmenopauzale vrouwen die 2 à 3 jaar natriumrisedronaat 5 mg per dag 
innamen, toonden de verwachte gematigde vermindering van de botomzetting. Bot, gevormd 
tijdens de behandeling met natriumrisedronaat, had een normale lamellaire structuur en was 
normaal gemineraliseerd. Deze gegevens, samen met de verminderde incidentie bij 
postmenopauzale vrouwen met osteoporose, van osteoporotische fracturen ter hoogte van de 
wervels, lijken aan te geven dat er geen negatief effect is op de botkwaliteit.   
  Endoscopische bevindingen bij een aantal patiënten met matige tot ernstige maagdarmklachten, 
zowel in de natriumrisedronaat- als in de controlegroep, gaven géén aanwijzingen voor het 
ontstaan van, aan de behandeling gerelateerde maag-, duodenum of oesofaguszweren, hoewel 
duodenitis in zeldzame gevallen werd waargenomen in de natriumrisedronaatgroep.  
 
 
Pediatrische  patiënten:  De  veiligheid  en  werkzaamheid  van natriumrisedronaat wordt onderzocht in 
een  lopende  studie  met  pediatrische  patienten  in  de  leeftijd  van  4  tot  16  jaar  met  osteogenesis 
imperfecta.  Na  afronding  van  de  eenjarige,  gerandomiseerde,  dubbelblinde,  placebo  gecontroleerde 
fase,  was  een  statistisch  significante  toename  in  de  BMD  van  de  lumbale  wervelkolom  in  de 
risedronaatgroep  versus  placebo  groep  aangetoond;  een  toegenomen  aantal  van  tenminste  1  nieuw  
morfometrische  (geïdentificeerd  door  x-ray) wervel fractuur was echter gevonden in de risedronaat 
groep  vergeleken  met  placebo.  Algeheel  gezien  ondersteunen  de  resultaten  niet  het  gebruik  van 
natriumrisedronaat in pediatrische patiënten met osteogenesis imperfecta. 
 
 
 
5.2 
Farmacokinetische eigenschappen 
 
Absorptie:  
Na een orale dosis vindt absorptie relatief snel plaats (t
~1 uur). In het onderzochte traject (in 
max 
studies met een enkele dosis tussen 2,5 en 30 mg; in studies met meervoudige doses tussen 2,5 en 5 
mg dagelijks en tot 75 mg op twee opeenvolgende dagen per maand) is de absorptie onafhankelijk 
van de dosis. De gemiddelde biologische beschikbaarheid na inname van de tablet is 0,63% en deze 
neemt af wanneer natriumrisedronaat samen met voedsel wordt ingenomen. Vergeleken met een 4 
uur durende vastentijd na dosering, nam de biobeschikbaarheid af met respectievelijk 50% en 30%, 
wanneer het ontbijt was gegeten 30 minuten of 1 uur na inname van een risodronaat tablet. De 
biobeschikbaarheid nam met ongeveer 60% af als de 75 mg tablet doorgeslikt werd met hard water 
vergeleken met zacht water. De biologische beschikbaarheid is vergelijkbaar bij mannen en 
vrouwen.  
 
Distributie:  
Het gemiddelde steady-state distributievolume bij de mens bedraagt 6,3 l/kg. De plasma-eiwitbinding 
bedraagt ongeveer 24 %.  
 
Biotransformatie:  
Er zijn geen aanwijzingen dat natriumrisedronaat systemisch wordt gemetaboliseerd.   
 
FR/H/489/01/DC – SPC – version 02 

Eliminatie:  
Ongeveer de helft van de geabsorbeerde dosis wordt binnen 24 uur via de urine uitgescheiden en 
85% van een intraveneuze dosis wordt na 28 dagen in de urine teruggevonden. De gemiddelde 
renale klaring is 105 ml/min en de gemiddelde totale klaring 122 ml/min. Het verschil in klaring kan 
waarschijnlijk worden toegeschreven als gevolg van adsorptie aan bot. De renale klaring is 
onafhankelijk van de concentratie en er bestaat een lineair verband tussen renale en creatinineklaring. 
Niet-geabsorbeerd natriumrisedronaat wordt onveranderd in de faeces uitgescheiden.  Na orale 
toediening vertoont het concentratie-tijd profiel drie eliminatiefasen met een terminale halfwaardetijd 
van 480 uur.  
 
Bijzondere Populaties:  
Ouderen: 
Aanpassing van de dosering is niet nodig. 
 
Acetylsalicylzuur- en NSAID-gebruikers:  
Bij regelmatige inname van NSAIDs of acetylsalicylzuur (3 dagen of meer per week) was de 
incidentie van bijwerkingen ter hoogte van het bovenste gedeelte van het maagdarmkanaal bij 
patiënten behandeld met natriumrisedronaat vergelijkbaar met de incidentie bij de controlepatiënten. 
 
 
5.3 
Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek  
 
In de toxicologische studies met natriumrisedronaat bij rat en hond, werden dosisafhankelijke 
toxische effecten op de lever gezien, die zich voornamelijk uitten als verhoogde enzymwaarden met 
histologische veranderingen in de rat. De klinische betekenis hiervan is niet bekend. Toxiciteit op de 
testikels werd waargenomen bij ratten en honden na blootstelling die boven de menselijke 
therapeutische blootstelling lag. Dosis gerelateerd voorkomen van irritatie van de bovenste 
luchtwegen werd regelmatig vastgesteld bij knaagdieren. Soortgelijke effecten zijn vastgesteld met 
andere bisfosfonaten. Effecten op de lagere luchtwegen werden ook vastgesteld bij knaagdieren na 
inname over een langere periode, maar de klinische betekenis van deze bevindingen is onduidelijk. In 
reproductie toxiciteitsstudies vertoonden foetussen van behandelde vrouwelijke ratten veranderingen 
in de ossificatie van het sternum en/of de schedel, bij doses die de klinische benaderden. Bij 
drachtige ratten kwam hypocalciëmie voor en mortaliteit bij deze die mochten werpen. Er is geen 
bewijs van teratogenese bij 3,2 mg/kg/dag bij ratten en 10 mg/kg/dag bij konijnen, doch slechts 
gegevens van een beperkt aantal konijnen zijn beschikbaar. Toxiciteit bij de moeder belette het testen 
van hogere doses. De studies betreffende genotoxiciteit en carcinogenese wijzen niet op specifieke 
risico’s voor de mens.  
 
 
6. 

FARMACEUTISCHE GEGEVENS 
 
6.1 

Lijst van hulpstoffen 
 
Tabletkern:  
Microkristallijne cellulose 
Crospovidon 
Magnesiumstearaat 
 
Filmomhulling: Opadry II pink 
Polyvinylalcohol 
Talk 
Macrogol 3350 
Titaandioxide (E171) 
Rood ijzeroxide (E172) 
FR/H/489/01/DC – SPC – version 02 

 
 
6.2 
Gevallen van onverenigbaarheid 
 
Niet van toepassing. 
 
 
FR/H/489/01/DC – SPC – version 02 

6.3 
Houdbaarheid 
 
2 jaar. 
 
 
6.4 

Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren 
 
Voor dit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities.  
 
 
6.5 
Aard en inhoud van de verpakking 
 
PVC/PVDC/aluminium blisterverpakkingen in een kartonnen doos.  
Verpakkingsgrootten: 2, 4, 6 of 8 tabletten. 
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht. 
 
 
6.6 
Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies 
 
Geen bijzondere vereisten. 
 
 
7. 
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN 
 
BIOGARAN 
15, boulevard Charles de Gaulle 
92707 COLOMBES Cedex 
Frankrijk 
 
 
8. 
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN 
 
RVG 109089 
 
 
9. 
DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/HERNIEUWING VAN DE 
VERGUNNING
 
 
Datum van eerste verlening van de vergunning: 13 maart 2012 
 
 
10. 
DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST 
 
 
FR/H/489/01/DC – SPC – version 02 





« Vorige
[Risedronaatnatrium 35 mg en Calcium 500 mg Aurobindo combinatieverpakking, filmomhulde tabletten]
Volgende »
[Risedronaatnatrium BGR 75 mg, filmomhulde tabletten]